Translate

woensdag 26 augustus 2026

Overlast Bie Zefke (hae krig de sjoud)

Ik lees het artikel over Bie Zefke en moet eerlijk zeggen dat ik er toch even bij blijf hangen. Een jaar geleden was de verhuizing naar de Odasingel nog aanleiding voor de nodige onrust. Omwonenden maakten zich zorgen. Er kwamen informatieavonden, een petitie en uiteindelijk zelfs juridische procedures. De verwachte overlast lag blijkbaar behoorlijk zwaar op de maag.

Een jaar later blijkt het allemaal nogal mee te vallen. Uit de evaluatie komen slechts geringe incidenten naar voren. In het afgelopen halfjaar was er maar één melding bij de gemeente.

Er wordt wel melding gemaakt van dealen op de parkeerplaats aan de Henri Weltersstraat. Politie en gemeente zijn daarvan op de hoogte. Maar uit het artikel blijkt niet dat dit door bezoekers van Bie Zefke wordt veroorzaakt. Ook wordt het niet als bewijs aangevoerd voor de grote overlast waar vooraf zo voor werd gevreesd.

Prima toch?

Maar terwijl ik het artikel lees, denk ik ook: hoe consequent zijn we eigenlijk in Sittard als het om overlast gaat?

Want zet de kalender er maar eens naast.

Groove Garden komt eraan. De kermis strijkt weer neer in de stad. Daarna hebben we de Oktoberfeesten. En dan zijn er nog de nodige andere evenementen waarbij duizenden mensen naar Sittard komen.

Veel mensen betekent veel verkeer. Veel geluid. Veel drukte. Een biertje hier en daar. Soms nog eentje. En natuurlijk blijft er na afloop het nodige achter. Bekers, blikjes, verpakkingen en andere rommel. De straten en pleinen zien er na zo'n evenement soms uit alsof de halve stad er een feestje op heeft gevierd.

Maar daar hebben we gelukkig de reinigingsdienst voor.

Die mannen en vrouwen mogen voor dag en dauw aan de slag om de stad weer toonbaar te maken. Terwijl de feestvierders hun roes uitslapen, worden de sporen van een nachtje Sittard weggepoetst.

En niemand die daar vervolgens spreekt over een ernstige aantasting van de leefbaarheid.

Integendeel.

De evenementen leveren de stad aanzien op. Ze trekken bezoekers. Ze zijn goed voor de horeca en de ondernemers. En uiteindelijk levert het de stad ook gewoon geld op.

Kijk, dan wordt overlast ineens een stuk gemakkelijker te accepteren.

En daar zit voor mij precies de vreemde tegenstelling in het verhaal rond Bie Zefke.

Als het om een inloophuis gaat, kijken we kritisch naar de mensen die er komen en naar wat zij mogelijk voor overlast kunnen veroorzaken. Als het om een groot evenement gaat, kijken we vooral naar hoeveel mensen erop afkomen en wat het de stad oplevert.

Natuurlijk moeten we overlast gewoon aanpakken. Of die nu wordt veroorzaakt bij Bie Zefke, tijdens Groove Garden, de kermis of de Oktoberfeesten. Daar lijkt mij weinig discussie over mogelijk.

Maar misschien moeten we ook eens eerlijk zijn over onze eigen meetlat. Want blijkbaar is niet iedere overlast hetzelfde.

Overlast die geld oplevert, noemen we een evenement. En overlast van het verkeerde pluimage noemen we een probleem. Dat is toch op zijn minst een opmerkelijke constatering.


Bron: Paul Dolhain, ‘Nauwelijks incidenten in eerste jaar Bie Zefke op nieuwe locatie’

vrijdag 21 augustus 2026

De mens bepaalt de grens

De mens bepaalt de grens

Daar heb je weer zoiets.

De mens bepaalt de grens van het land. De maten van het dier. Wel of niet invasief. Welkom of niet welkom. Beschermd, bedreigd, uitheems, inheems. Alles krijgt een hokje, een etiket en uiteindelijk een regel.

Maar ondertussen vliegen, kruipen, zwemmen en wandelen er iedere dag allerlei soorten naar, door en over ons kleine kikkerlandje.

Een land dat inmiddels grotendeels is volgebouwd, bestraat en volgezet met verkeersborden, hekwerken, wegen en andere menselijke uitvindingen die de natuur vooral duidelijk maken dat zij zich aan ons heeft aan te passen.

En dan gaan wij onderzoeken wie hier eigenlijk welkom is.

De mens en de asielkwestie even daargelaten.

Want wij vliegen ondertussen met een vliegtuig, voorzien van een reusachtige CO₂-afdruk, naar de andere kant van de wereld. Daar plukken we bekans alles wat flora en fauna te bieden heeft kaal. Een plantje hier, een diertje daar en als het even kan nemen we het mee naar Nederland.

En dan komt de regel- en ontregelfabriek in het touw.

Die bepaalt wat mag.

En vooral wat niet mag.

Voor reptielen en amfibieën is het trouwens nog opmerkelijker. Daar bestaat momenteel nog geen huis- en hobbydierenlijst voor. Volgens de overheid mag je die dieren daarom in beginsel houden, tenzij andere regelgeving het verbiedt. Bijvoorbeeld omdat het om een beschermde soort of een invasieve exoot gaat.

Want stel je voor dat een dier zelfstandig de Nederlandse grens passeert zonder formulier, vergunning of Europese goedkeuring.

Dat kunnen we natuurlijk niet hebben.

De natuur trekt zich daar overigens geen ene moer van aan.

Die kent geen landsgrenzen, geen bestemmingsplannen en geen ambtenaren met een stempel.

Een slang weet niet dat hij volgens de Nederlandse regelgeving eigenlijk niet welkom is. Een vogel heeft geen paspoort. Een kikker vraagt geen verblijfsvergunning aan. En een zaadje dat met de wind meekomt, heeft al helemaal geen idee dat het volgens ons een invasieve exoot kan worden.

Maar wij weten het allemaal precies.

Wij zijn immers de mensheid.

De soort die de aarde eerst volbouwt, de natuur in kaart brengt, vervolgens bepaalt welke soorten hier mogen leven en daarna miljarden regels bedenkt om de gevolgen van ons eigen handelen weer in goede banen te leiden.

Tja.

Lang leve de mensheid.

Op weg naar het heelal.

Maar eerst even controleren of die slang wel op de juiste lijst staat.

Bron:

L1 Nieuws, Twee ontsnapte slangen in korte tijd: welke reptielen en amfibieën mag je in Nederland houden? L1 Nieuws

donderdag 20 augustus 2026

🧨Van wapentuig naar een vuurwerkinleverbus

Ik heb veel ontwikkelingen bij de politie meegemaakt. Maar deze staat ongeveer in de top twee.

De andere is het paaltje dat de politie moest vertellen wie er gefouilleerd zou gaan worden. Een lampje gaf aan wanneer iemand volgens het systeem gecontroleerd moest worden, zodat willekeur en etnisch profileren konden worden voorkomen. Het bewuste paaltje is na wijs beraad inmiddels weer uit het verkeer genomen.

Maar goed, daar gaat het nu niet over.

Toen ik het bericht las over de Limburgse inleverbus voor vuurwerk, moest ik meteen terugdenken aan de jaren tachtig, toen ik bij de Rijkspolitie achter de planton zat. Dat waren nog eens tijden. Geen digitale aangifte, geen apps en geen formulieren die eerst door drie systemen moesten voordat iemand wist wat er eigenlijk aan de hand was. Je zat achter de planton en daar kwam van alles binnen.

Ook toen waren er acties waarbij mensen wapens konden inleveren in het kader van een generaal pardon. Veel wapens lagen in die tijd nog op zolders en in schuurtjes, stille getuigen van de Tweede Wereldoorlog. Spullen die ooit waren meegenomen, verborgen of simpelweg waren blijven liggen en waarvan niemand precies wist wat ermee moest gebeuren.

Op een dag kwam er iemand bij mij achter de planton met een automatisch geweer.

Daar kwamen drie grote magazijnen bij, keurig verpakt in vetvrij papier en volledig ingevet. Niet bepaald het soort spul waarvan je dacht dat iemand het toevallig tijdens het opruimen van de zolder was tegengekomen en vervolgens dacht: laat ik dit maar eens bij de politie afgeven.

Het was allemaal nog direct gebruiksklaar.

Afdrukken.

Pang.

En daar bleef het niet bij. Bij dat generaal pardon werden op de politiebureaus behoorlijk wat wapens en wapentuig ingeleverd.

Zonder afspraak. Je liep gewoon een politiebureau binnen. Ook dat was toen volkomen normaal. Politiebureaus waren gewoon geopend en de burger kon naar binnen lopen. Tegenwoordig is dat bijna nostalgie.

En dan lees ik nu over een inleverbus voor vuurwerk.

Ik vraag mij dan toch even af uit welke duim zoiets komt.

Ongetwijfeld van iemand die verstand heeft van vuurwerk en van de menselijke maat. Proactief denken heet dat tegenwoordig waarschijnlijk. Eerst kijken hoe we een vuurwerkverbod gaan handhaven. Want als handhaving nu al niet lukt, is de vraag natuurlijk of dat na een verbod ineens als een wonder uit de lucht komt vallen.

Maar goed, we hebben een oplossing.

Een inleverbus.

Je kunt je vuurwerk daar straffeloos inleveren.

Ik moet toegeven: het heeft iets geruststellends. Je hebt vuurwerk dat straks verboden is, je weet dat het niet mag, de politie kan onmogelijk overal tegelijk zijn en dus zetten we ergens een bus neer waar je het spul gewoon kunt afgeven.

Straffeloos.

Dat woord vind ik eigenlijk nog het mooiste onderdeel van het hele plan.

Ik zie die bedenker overigens niet als een wereldvreemde ambtenaar achter een bureau. Integendeel. Ik zie iemand voor me die serieus heeft nagedacht, verschillende scenario's heeft doorgerekend en uiteindelijk dacht: jongens, ik heb hem. We zetten gewoon een bus neer.

En misschien heeft hij nog gelijk ook.

Alleen heb ik mijn twijfels of deze vuurwerkaanpak het gaat redden.

Op 31 december weten we het zeker.

Nu al knalt het nog steeds overal in den lande.

Waarom?

Voor de misdaad en tegen de verveling.

En mocht iemand denken dat ik dit allemaal zelf heb verzonnen, dan zet ik de bron er maar netjes onder.

Want ook dat is tegenwoordig verstandig.

Rapport 

Rapport: aanpak van vuurwerk in voetbalstadions schiet tekort - https://nos.nl/l/2628191

Bron

Inleverbus voor vuurwerk naar Limburg: hier kun je straffeloos vuurwerk inleveren – L1 Nieuws

woensdag 19 augustus 2026

🌎Van Nürnberg naar het International Gerechtshof in Den Haag

Van Nürnberg naar Den Haag

Eergisteren heb ik de film Nürnberg gezien en misschien komt het daardoor dat ik bij het nieuws over de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof wat langer blijf hangen dan ik normaal gesproken bij een bericht over internationale politiek zou doen. Ik ben geen politiek deskundige en zeker geen wandelende encyclopedie van Amerikaanse verdragen, maar soms hoef je volgens mij ook geen deskundige te zijn om ergens je wenkbrauwen over op te trekken en jezelf af te vragen hoe het eigenlijk zit.

De film Nürnberg brengt mij terug naar de periode waarin na de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste kopstukken van het naziregime terechtstaan en waarin een gedachte centraal staat die eigenlijk heel eenvoudig klinkt: macht mag geen vrijbrief zijn en iemand die een hoge functie bekleedt, kan zich niet zonder meer verschuilen achter zijn uniform, zijn positie of het argument dat hij slechts bevelen heeft uitgevoerd.

De Amerikanen spelen bij Nürnberg een belangrijke rol en juist daarom vind ik het huidige nieuws opmerkelijk.

De NOS schrijft dat de Verenigde Staten sancties hebben opgelegd aan twee functionarissen van het Internationaal Strafhof, onder wie de voorzitter van het Hof, Tomoko Akane, en aanklager Abdoulaye Seye. De Amerikaanse regering vindt dat het Strafhof zijn bevoegdheden overschrijdt. Voor wie het zelf wil nalezen, zet ik het artikel van de NOS onderaan dit verhaal bij de bronnen.

En juist daar begint mijn nieuwsgierigheid, want dan wil ik natuurlijk weten hoe dat verhaal eigenlijk in elkaar zit🧐.

Want waarom?

Ik ben vervolgens wat verder gaan zoeken en dan blijkt dat dit helemaal geen ruzie is die met Donald Trump is begonnen. Dat vind ik misschien nog wel interessanter, omdat daarmee het beeld dat Trump dit allemaal persoonlijk heeft bedacht meteen wat minder eenvoudig wordt.

Volgens informatie van de Amerikaanse overheid en het Congressional Research Service gaat de Amerikaanse weerstand tegen het Internationaal Strafhof al terug tot het begin van deze eeuw. In 2002 nam de regering van George W. Bush nadrukkelijk afstand van het Strafhof en werd Amerikaanse wetgeving aangenomen die de bescherming van Amerikaanse militairen en functionarissen tegen het Hof moest versterken.

Dat heb ik dus niet zelf bedacht en daarom zet ik de bronnen er gewoon bij.

Iedereen zijn medaille.

Ook als die medaille een beetje saai is en uit een voetnoot bestaat. 😏

Trump heeft het Amerikaanse wantrouwen tegenover het Strafhof dus niet uitgevonden. Dat wantrouwen bestond al voordat Donald Trump voor het eerst zijn intrek nam in het Witte Huis. Onder Obama werd de Amerikaanse houding weer wat minder confronterend en onder Trump kwam de harde lijn vervolgens opnieuw nadrukkelijk terug.

Dat vind ik persoonlijk wel een belangrijk verschil.

Want Trump wordt nogal gemakkelijk neergezet als de man die alles heeft bedacht wat er tegenwoordig in Washington gebeurt, terwijl je soms beter naar de voorgeschiedenis kunt kijken. Dan zie je dat hij regelmatig bestaande politieke richtingen, oude beslissingen of sentimenten oppakt die al veel langer bestaan en ze vervolgens op zijn geheel eigen manier, met de volumeknop behoorlijk ver naar rechts gedraaid, opnieuw op tafel legt.

Dat maakt hem niet automatisch tot de bedenker ervan.

Hij is misschien eerder de man die in een oude voorraadkast een doos met politieke ideeën vindt, het deksel eraf trekt en roept: hé, deze kan ik gebruiken.

Dat is mijn eigen vergelijking, voor alle duidelijkheid. Daar hoeft niemand voor naar een bron te zoeken. 😉

Maar terug naar Nürnberg.

Daar zie ik een Amerika dat nadrukkelijk meewerkt aan het berechten van mensen die worden verdacht van de zwaarste misdaden en vervolgens kijk ik naar het huidige Amerika, dat het Internationaal Strafhof niet erkent en nu zelfs maatregelen neemt tegen mensen die daar hun werk doen.

Nogmaals, ik ben geen jurist en ik ga dus niet doen alsof ik kan bepalen wie juridisch gelijk heeft.

De Amerikaanse redenering is dat de Verenigde Staten geen partij zijn bij het Statuut van Rome en de rechtsmacht van het Hof over Amerikaanse burgers niet erkennen. Dat is een feitelijk standpunt dat je gewoon kunt nalezen in de Amerikaanse bronnen die ik onderaan vermeld.

Maar daarnaast bestaat er natuurlijk ook zoiets als je eigen gezonde verstand.

En dan vraag ik mij af: hoe bijzonder is het eigenlijk dat een land dat zo'n belangrijke rol heeft gespeeld bij Nürnberg, zoveel moeite heeft met een internationaal gerechtshof dat juist probeert voort te bouwen op het gedachtegoed dat daar mede vorm kreeg?

Misschien gaat het om nationale soevereiniteit, bescherming van Amerikaanse militairen, geopolitieke belangen, economische belangen of een combinatie van al die dingen.

Ik weet het niet, en ik ga het ook niet verkopen alsof ik het wel weet. Dat zou een beetje hetzelfde zijn als met de medaille van een ander rondlopen en vervolgens doen alsof je hem zelf hebt gewonnen.

En daar heeft Deze ex-wijkagent wat mij betreft geen behoefte aan.

Ik kijk, ik lees, ik zoek wat dingen na en vervolgens schrijf ik op wat ik ervan vind. Meer pretentie moet je er ook niet van maken.

Maar één ding blijft bij mij toch hangen.

Als je het internationale recht belangrijk vindt wanneer het om een ander gaat, maar grote vraagtekens zet zodra een internationale rechter dichter bij jezelf of je bondgenoten komt, dan ontstaat toch de ongemakkelijke vraag of het recht werkelijk het uitgangspunt is of dat eigenbelang uiteindelijk de doorslag geeft.

Dat geldt overigens niet alleen voor Amerika.

Dat geldt voor iedere regering, iedere organisatie en uiteindelijk ook voor ieder mens die macht bezit.

Het is namelijk nogal gemakkelijk om voor een onafhankelijke scheidsrechter te zijn zolang hij de overtreding van de tegenstander bestraft. Zodra hij naar jezelf wijst, blijkt hij ineens partijdig, onbevoegd en waarschijnlijk ook nog eens een slechte scheidsrechter.

Daarom blijft Nürnberg bij mij hangen.

Niet omdat ik na één film ineens deskundig ben geworden op het gebied van internationaal recht, maar juist omdat die film mij opnieuw laat nadenken over een eenvoudige vraag die volgens mij helemaal niet zo ingewikkeld is:

Wie controleert de macht wanneer de macht zelf bepaalt wie haar mag controleren?

Van Nürnberg naar Den Haag lijkt een mooie rechte lijn.

Maar als je de geschiedenis van de afgelopen ruim twintig jaar erbij pakt, met Bush, Obama, Trump, Biden en opnieuw Trump, blijkt die lijn toch behoorlijk wat bochten te bevatten.

En misschien moeten we daarom ook voorzichtig zijn met de gedachte dat alles wat tegenwoordig gebeurt uitsluitend door één man wordt veroorzaakt.

Trump is vaak geen bedenker van een nieuwe politieke richting, maar eerder een uitvergroting van bestaande keuzes en sentimenten die hem op enig moment handig lijken, vind ik!

Alleen doet hij dat op een manier waarop zelfs een oude politieke gedachte na een paar minuten al klinkt alsof zij gisteren in de Trump Tower is uitgevonden.

En dat is misschien wel zijn bijzondere talent.

Niet noodzakelijk iets nieuws bedenken, maar iets ouds met zoveel kabaal opnieuw op tafel leggen dat iedereen vergeet dat het er al lag.

Ik heb alleen een film gezien, een nieuwsbericht gelezen en daarna gedacht: verrek, hoe zit dit eigenlijk?

Daarna ben ik wat verder gaan zoeken om te kijken of mijn eerste gedachte eigenlijk wel klopte.

De NOS heeft mij het actuele nieuws geleverd, de Amerikaanse overheidsbronnen en het Congressional Research Service hebben mij geholpen om de voorgeschiedenis te begrijpen en wat ik daar vervolgens van vind, is mijn eigen verantwoordelijkheid.

Zo hoort het volgens mij ook. Geen veren van een ander op mijn hoed. Geen medailles die ik zelf niet heb gewonnen. Iedereen zijn medaille. En ik houd de mijne lekker klein.

Enfin, een film, een kop koffie, een beetje nieuwsgierigheid en een blog.

Meer heb ik eigenlijk niet nodig.

Want de geschiedenis herhaalt zich misschien niet.

Ze trekt gewoon een andere stropdas aan. En soms is het een hele grote Amerikaanse stropdas.


Bronnen

NOS, VS legt sancties op aan president Internationaal Strafhof, 18 augustus 2026.

Lees het oorspronkelijke NOS-artikel

U.S. Department of Justice, informatie over het Amerikaanse standpunt ten aanzien van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof en de Amerikaanse positie sinds de oprichting van het Hof.

Congressional Research Service, overzicht van de Amerikaanse betrekkingen met het Internationaal Strafhof, waaronder de ontwikkelingen onder Clinton, Bush, Obama, Trump en Biden.

⌛️Slecht nieuws gesprek, een leeggedronken kop koffie ...

Tijdens mijn politiepraktijk heb ik al heel vaak een slecht-nieuwsgesprek gevoerd. Een slecht-nieuwsgesprek is het synoniem dat de politie eraan heeft gegeven. De naam is en blijft een vreemde, bijna surrealistische expressie. Eigenlijk zou de term dodelijke nieuwsoverbrenging moeten heten. Toch wordt in mijn kringen de term slecht-nieuwsgesprek, op eufemistische wijze, gebruikt. Dan weet iedere politieman precies wat ermee wordt bedoeld.

Het is de hartverscheurende taak om bij een gezin, partner of familie het levenslicht van een dierbare plotseling, maar onomstotelijk, uit te blazen.

De politie wordt consequent geconfronteerd met het overbrengen van een dodelijke onheilstijding. Een onomkeerbare knock-out voor gezin, familie, nabestaanden en andere dierbaren. Uiteindelijk zal de media in een krantenbericht misschien bekendmaken dat een dierbare niet meer onder ons is. Maar voordat het nieuws de krant haalt, staat de politie vaak al aan de voordeur.

Op een gegeven moment, tijdens een van mijn ochtenddiensten, ben ik op pad in het district wanneer ik een telefoontje krijg van de meldkamer. Er is een man overleden bij een verkeersongeluk. Met daarbij de vervolgopdracht om het overlijdensbericht bij de familie aan te gaan zeggen.

Gelukkig heb ik die dienst samen met onze heuse Florence Nightingale-collega Jolanda. Juist ja, die kanjer.

We zijn zeer zichtbaar in politie-uniform gekleed en rijden met een opvallend dienstvoertuig onderweg, zoals wij dat officieel noemen. Ergens op een weg, ver uit de buurt, heeft een aanrijding plaatsgevonden buiten onze regio. Daarbij heeft een harde werker, echtgenoot en familievader tegelijk, zijn leven verloren.

Dan is het hartstikke belangrijk om, gewapend met de juiste identiteitsgegevens, zo snel mogelijk bij het gezin van de overledene te komen om hen het noodlottige en onomkeerbare verlies in mokerslagwoorden mee te delen. Dit om te voorkomen dat de zogenaamde indianenverhalen ons inhalen en ons vóór zijn op weg naar het achterblijvende gezin.

Ik kon de gevoelsmatige impact van het aanzeggen van dit bericht al van tevoren aanvoelen. Helaas was er geen andere collega beschikbaar die met een onopvallende auto en in burgerkleding deze zware taak kon uitvoeren. Dus aan ons deze opdracht.
We stappen uit bij het huisadres van de overledene. Met lood in onze schoenen en slechts gewapend met een kladbriefje waarop zijn identiteitsgegevens staan, bel ik aan. Aan onze gezichten is waarschijnlijk al duidelijk af te lezen waarvoor wij komen.

Dan breng ik mezelf het dagelijkse moment van iedereen in herinnering. Het moment waarop een echtgenoot of partner ’s morgens van huis vertrekt, per fiets of auto, om naar het werk te gaan. Hopelijk met alle liefde die tussen partners mogelijk is, maar vooral zonder ruzie of andere emotionele beroeringen.

Veel mensen schrikken nog steeds wanneer ik in mijn hoedanigheid van politieman bij hen aanbel. Meestal brengen we nieuws in het kader van strafbaarheid, verhoor of onderzoek. Zelden is ons nieuws een ongewilde, dodelijke noodzakelijkheid.
Dit is ook voor de politie een van de zwaarste opdrachten, geloof me. Ik begrijp nog steeds de schrik die mijn uniform bij mensen kan oproepen wanneer ik bij hen aanbel. Gelukkig kan ik die schrik meestal snel pareren.

In dit relaas gaat op de bovenverdieping een klein raampje open. We zien het hoofd van de vrouwelijke bewoonster door de kleine slaapkamerraamopening verschijnen.

Voordat we iets kunnen zeggen, zegt zij al:
“Oh nee hè, het is toch niet waar!”
Ze ijlt naar beneden en opent de voordeur, moedeloos als een mens die zich op dat moment al verslagen weet. We lopen haar achterna naar binnen, de woonkamer in.

Dan komt de zakelijke vraag.
“Is uw man die en die?”
In een soort trance antwoordt de vrouw met ja.

Mijn woorden raken haar nauwelijks meer en vallen langs haar heen in het niets. De emoties houden mijn woorden tegen als een dikke stenen buitenmuur.
Ik vertel haar wat de meldkamer mij heeft verteld.
Haar wereld zinkt onder haar voeten vandaan.

Daar staan we dan, samen met haar in de woonkamer van haar en haar man, die tot een paar uur eerder nog gewoon hun woonkamer was.

Slechts met woorden heb ik haar levensgeluk totaal uitgeschakeld.
Deze echtgenote is bovendien alleen thuis. Empathisch en welgemeend vragen we haar of we iemand kunnen bellen om haar verder bij te staan. Dat is volgens haar niet nodig. De emoties laten haar echter niet meer los.

Ik informeer de huisarts. Hij begrijpt de noodzaak en zal naar deze vrouw toegaan. Ook benaderen we een familielid dat onmiddellijk naar haar toe komt om haar bij te staan.

Dan gebeurt er iets kleins.

En juist dat kleine moment is mij bijgebleven.

Op de salontafel in de woonkamer staat een lege mok.
Mijn collega Jolanda wil haar een beetje helpen en reikt naar de mok om iets te drinken voor haar te halen.

Dan gebeurt er een vreemde, stille gewaarwording.
Als Jolanda naar de mok reikt, maakt de vrouw een non-verbale, afwerende armbeweging. Ze wil kennelijk de laatste strohalm van de aanwezigheid van haar echtgenoot niet door anderen laten verstoren.
Ze pakt de mok zelf vast.

Alsof ze haar man daarmee bij de hand kan pakken.

Jolanda begrijpt het gebaar onmiddellijk en laat de vrouw de mok zelf vasthouden.
Ik weet niet meer of haar man zijn koffie zwart dronk of met een vleugje melk en misschien wat suiker. Een lepeltje waarmee al die ingrediënten gemengd konden worden, ligt er in ieder geval nog stilletjes naast.
Dat lepeltje weet nog van niets.

Als de familie hulp arriveert, gaan wij weer op weg naar nieuwe politieopdrachten. Ik weet nog dat wij een uur of wat later door de meldkamer opnieuw worden aangestuurd voor andere, veel kleinere zaken.

Erger dan dit hebben Jolanda en ik die werkdag niet meer in gedachten.

Dat is en blijft toch vreemd in de politiewereld.
Misschien is dat ook wel goed zo.

Je kunt niet iedere dag het verdriet van een ander mens met je meedragen.
Ik denk wel dat we die ochtend goed werk hebben verricht bij deze arme vrouw.
We lopen weg van de woning naar onze politieauto. De voordeur wordt achter ons gesloten.

Het verdriet blijft als een onzichtbare geest stil achter in de woning.
Hopelijk vermengd met alles wat daar vóór deze ochtend ook was: maatschappelijk leven, gezinsgeluk, liefde, ruzies, koffie, gewone gesprekken en de dagelijkse vanzelfsprekendheid van het samen zijn.

Een gewone woonkamer, met een lege koffiemok op tafel.
Misschien is dat uiteindelijk wel het meest confronterende van dit hele verhaal.
Het leven kan in één klap veranderen, terwijl de spullen in huis gewoon blijven staan waar ze stonden.

Het zou zomaar kunnen dat van ieder mens zijn of haar levenslijn vooraf is vastgesteld, met een begin- en einddatum. Buiten alle religie en genetica om.

Wij weten alleen nooit wanneer de einddatum op de kalender staat.

maandag 17 augustus 2026

😵‍💫 Mike Foppen toch! Sterkte jongen👍👊💙

Het spijkerbed van de topsport

Soms voelt topsport aan als spitsroeden lopen. Op het eerste moment snap ik Mike Foppen niet. Je loopt vierde op een EK, je bent nog volop in de wedstrijd en dan stap je uit. Mijn eerste gedachte is dan ook niet bepaald mild: ga ervoor, man. Je bent toch niet voor niets daar.

Maar achteraf denk ik er anders over.

Want iedere sporter die ooit serieus een wedstrijd heeft gedaan, weet dat een wedstrijd niet alleen wordt uitgevochten tegen een tegenstander, de klok of de afstand. Soms wordt de zwaarste wedstrijd gevoerd tussen je hoofd en je lichaam. Je hoofd wil door, maar je lichaam zegt dat het genoeg is. Of andersom. En soms werken ze allebei tegen je.

Fight, fright, flight. Vechten, verstarren of vluchten. Drie eenvoudige woorden voor een mechanisme dat helemaal niet zo eenvoudig is wanneer je er middenin zit.

Wanneer je als bokser de ring instapt, ben je voor mij al een winnaar. Niet omdat je de wedstrijd zeker gaat winnen, maar omdat je bereid bent het gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de judoka die de mat opstapt, de atleet die aan de start staat, de wielrenner die aan een klim begint of iedere andere sporter die zichzelf aan de wedstrijd uitlevert.

Want ga er maar aan staan.

Je voorbereiding moet goed zijn geweest. Je moet overtuigd zijn van jezelf, maar misschien heb je van nature al wat faalangst. En die faalangst is niet altijd negatief. Soms maakt spanning je juist scherper, alerter en gedrevener. Soms tilt diezelfde spanning je naar een niveau waarvan je vooraf niet wist dat je het bezat. Een zweem van bijna-verstandsverbijstering waarin ratio even naar de achtergrond verdwijnt en het lichaam het overneemt.

Soms legt het lichaam de stekker eruit.

Soms zet het de turbo aan.

De trainer staat langs de kant, de verwachtingen groeien, sociale media maken van iedere prestatie een oordeel en journalisten blijven aan je plakken. En als je helemaal pech hebt, zit de koning met zijn aanhang ook nog op de tribune. 😅

En dan moet jij presteren.

Niet één keer, maar steeds opnieuw. Want wanneer je eenmaal de status van topsporter hebt bereikt, moet je die status ook blijven waarmaken. Kwalificeren, presteren, opnieuw kwalificeren. Een maatschappelijke carrière staat misschien op een laag pitje, een gewone baan past niet meer in het schema en privé wordt er ook het nodige ingeleverd. Niet presteren voelt dan al snel als falen.

En juist daar wordt topsport keihard.

Wanneer je nog niets te verliezen hebt, kun je soms onbevangen lopen, slaan, fietsen of judoën. Maar zodra je iets hebt bereikt, ontstaat er ook iets anders: de angst om het weer kwijt te raken. Je loopt dan niet alleen vóór een medaille. Je loopt misschien ook tégen de gedachte dat je die medaille niet meer waard bent.

De baan blijft ondertussen gewoon dezelfde baan.

Maar voor de sporter kan die sintelbaan op een bepaald moment veranderen in een spijkerbed.

Dat weet iedere sporter. Misschien niet op hetzelfde niveau, maar wel uit eigen ervaring. Dat ene moment waarop je lichaam nog wel kan, maar je hoofd niet meer wil. Of je hoofd schreeuwt dat je door moet, terwijl je lichaam daar anders over denkt. En ondertussen kijkt de wereld toe.

Daarom begreep ik Foppen op het eerste moment niet.

Achteraf misschien wel iets beter.

Dat betekent niet dat ik weet wat er werkelijk in zijn hoofd of lichaam gebeurde. Dat weet alleen hij. Maar wij moeten misschien ook niet te snel oordelen over iemand die op een bepaald moment midden op dat spijkerbed staat.

Hij stapte uit. Hij had vrijwel meteen spijt.

En misschien was juist dat laatste wel het bewijs dat de wedstrijd voor hem nog lang niet voorbij was. De wedstrijd op de baan wel. Die in zijn hoofd duidelijk niet.

Maar topsport gaat uiteindelijk niet alleen over de top van de sport. Misschien begint de echte topsport wel daarbuiten, in het gewone leven. Ook daar kennen we spanning, faalangst, twijfel en momenten waarop hoofd en lichaam elkaar niet meer begrijpen. Ook daar vallen mensen. Soms hard.

Vallen, falen, opstaan en doorgaan. De baan, de ring en de judomat zijn slechts de zichtbare versie. De echte wedstrijd wordt vaak gespeeld waar niemand kijkt.

Door falen worden mensen gevormd. Niet omdat falen prettig is, maar omdat je er soms meer van leert dan van een overwinning. Het gaat niet om hoe vaak je valt. Het gaat erom dat je minstens één keer vaker opstaat dan dat je valt.

Die mensen noem ik helden.

De echte helden staan namelijk niet altijd in de spotlights. Vaak zijn ze onherkenbaar en ploeteren ze gewoon voort in hun bestaan, ten dienste van anderen. Een waar leger van grijze muizen die je pas echt mist wanneer ze er niet meer zijn, of wanneer je geen beroep meer op hen kunt doen.

De hulpverlener die komt wanneer iedereen weggaat. De politieman en brandweerman die doorgaan wanneer een ander stopt. De verpleegkundige die een nachtdienst draait terwijl de rest van Nederland slaapt. En de militair die niet alleen praat over onze vrijheid, maar bereid is haar daadwerkelijk te verdedigen.

Geen podium. Geen medaille. Geen miljoenenpubliek.

Maar wel iedere dag opnieuw aan de start.

Ook dat is topsport.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van topsport.

Na al dat denken, twijfelen, analyseren en presteren blijft er uiteindelijk misschien maar één opdracht over:

Just do it.

Maar eerst koffie. 😅☕️

zondag 16 augustus 2026

🖥 Alweer twee nieuwe wetten… en wie gaat ze uitvoeren?

Vanaf vandaag of binnenkort hebben we er weer twee wetten bij: de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Mooie namen, belangrijke onderwerpen en eerlijk is eerlijk: niemand zal ontkennen dat cyberaanvallen, sabotage en het uitvallen van vitale voorzieningen serieuze risico’s zijn.

Maar toch bekruipt mij een andere gedachte.

Alweer twee nieuwe wetten. Wat moeten we daar allemaal mee?

Want een wet maken is één ding. Er in de praktijk mee kunnen werken is iets heel anders.

Misschien moeten we daarom wat vaker kijken of bestaande wetten kunnen worden uitgebreid en aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. De samenleving verandert nu eenmaal voortdurend. Een rechtsstaat moet kunnen meebewegen met die werkelijkheid, zonder dat voor iedere nieuwe ontwikkeling meteen een nieuwe wet uit de Haagse wetgevingsfabriek komt rollen.

En daar zit voor mij ook een beetje de George Orwell van deze tijd.

Niet omdat Nederland ineens 1984 is geworden, maar omdat de digitale wereld ons steeds meer mogelijkheden geeft om mensen, organisaties en systemen te volgen, te registreren, te controleren en met elkaar te verbinden. Technologie kan ons enorm helpen, maar dezelfde technologie kan ook worden misbruikt.

En ondertussen groeit er een leger van digitale belagers dat met een laptop, wat kennis en kennelijk vooral veel vrije tijd complete systemen kan proberen te ontregelen. Een ziekenhuis, gemeente, bedrijf, politieorganisatie of vitale voorziening kan digitaal worden aangevallen zonder dat de dader ooit fysiek in de buurt is geweest.

Dat is een nieuwe werkelijkheid.

Maar daar staat wel een andere werkelijkheid tegenover.

Nederland vergrijst. De politie vergrijst. En niet iedere burger is opgegroeid met een toetsenbord onder zijn neus.

We hebben nog steeds mensen die prima met een telefoon kunnen bellen, maar bij het woord app eerst denken dat het om appelmoes gaat. Digibeten, ouderen en mensen die simpelweg niet kunnen of willen meegaan in de digitale snelheid van deze tijd, verdwijnen niet omdat Den Haag een nieuwe digitale wet heeft gemaakt.

Ook binnen de politie hebben we te maken met vergrijzing. Er gaat kennis en ervaring met pensioen en tegelijkertijd wordt de digitale werkelijkheid steeds ingewikkelder. Dat betekent dat je niet alleen nieuwe regels nodig hebt, maar ook mensen, kennis, opleiding en capaciteit om die regels daadwerkelijk uit te voeren.

En daar wringt het.

De politie kan nu al niet alles bijbenen wat vanuit de politiek wordt doorgejast. Nieuwe taken, nieuwe regels, nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe verwachtingen komen erbij, terwijl de bestaande problemen niet netjes verdwijnen.

Ik breng maar even geweld tegen politie (waaronder de vuurwerkmalaise) en PTSS in herinnering.

Er wordt aan gewerkt, dat dan weer wel.

Maar ondertussen gaan we vrolijk verder.

Daarom zou ik minister David van Weel ook graag wat meer willen zien als minister van de politie en de rechtsstaat en wat minder als de praat-trekpop van het kabinet die bij ieder nieuw probleem voor de camera mag uitleggen waarom er weer iets nieuws noodzakelijk is.

Laat hem dan vooral vertellen hoe het er in de praktijk uit moet gaan zien.

Wie gaat toezicht houden? Wie gaat handhaven? Welke bevoegdheden zijn daarvoor nodig? Wie stelt een overtreding vast? Welke procedure volgt daarna? En vooral: hebben we daarvoor ook daadwerkelijk de mensen, kennis en middelen?

Want dat zijn geen Haagse details.

Dat is de werkelijkheid op straat.

En misschien moeten we in Den Haag ook eens wat minder bezig zijn met het politieke handjeklap, het onderlinge wantrouwen en het elkaar vliegen afvangen. Een rechtsstaat is geen voetbalwedstrijd waarin iedere partij vooral probeert te voorkomen dat de ander scoort.

Een wet is geen doel op zich. Een wet is een instrument.

Een instrument dat moet passen bij de werkelijkheid.

En die werkelijkheid bestaat niet alleen uit jonge digitale specialisten die binnen een paar seconden een systeem kunnen doorgronden. Die bestaat ook uit een vergrijzende bevolking, politiemensen die hun kennis en ervaring meenemen richting pensioen en burgers voor wie de digitale samenleving soms eerder een hindernisbaan dan een vooruitgang is.

Daar moeten we rekening mee houden.

Want anders krijgen we een merkwaardige paradox: we maken steeds meer digitale wetten om ons tegen digitale dreigingen te beschermen, terwijl de mensen die ze moeten uitvoeren steeds minder tijd, capaciteit en soms zelfs kennis hebben om het geheel bij te houden.

Dus prima, minister Van Weel.

Maak Nederland weerbaar. Bescherm onze vitale voorzieningen. Pak cybercriminaliteit aan. Zorg dat de overheid niet met één druk op de verkeerde knop plat komt te liggen.

Maar vergeet ondertussen de gewone werkelijkheid niet.

Wie nieuwe wetten doorjast, moet ook zorgen dat er morgen iemand is om ze uit te voeren.

Anders hebben we straks een prachtig digitaal weerbaar Nederland op papier.

En misschien is dat wel de meest Orwelliaanse gedachte van allemaal:

een samenleving die alles digitaal geregeld heeft, maar niemand meer heeft die weet hoe het werkt wanneer het digitale licht uitgaat.

Gisteren stond ik bij de Lidl in een filiaal in Sittard. De medewerker vroeg of ik mijn boodschappen zelf met de app wilde scannen. Zonder nadenken zei ik nee. Ik bleef gewoon in de rij voor de kassa staan. Niet omdat ik niet kan scannen, maar omdat ik soms nog gewoon klant wil zijn ...

Verder, een bekende plofkraker loopt tegen de lamp bij een politieactie. Bij de aanhouding worden vuurwapens en drugs aangetroffen. In de auto jerrycan met brandstof en een Blu Eye-systeem waarmee je kunt zien of er hulpdiensten in de buurt rijden, ook als deze onopvallend onderweg zijn. Saillant detail, Blu Eye is geen verboden systeem. Dat zou toch anders moeten kunnen op basis van bestaande wetgeving, toch ...

zaterdag 15 augustus 2026

🚜 als de overheid grenzen oprekt, moet ze niet verbaasd zijn als anderen dat ook doen

 en nu is het ineens huilie huilie ...

Premier Jetten spreekt zijn afschuw uit over het dodelijke ongeval na de boerenprotesten en noemt de situatie bloedlink. Begrijpelijk, want dat is het ook. Maar ondertussen wordt het woord Extinction Rebellion zorgvuldig uit de politieke watten gehouden, alsof het een vies woord is dat niet op tafel mag komen. Want ja, dan wordt het ineens lastig om uit te leggen waarom bij de ene demonstratie de juridische grenzen heel scherp worden getrokken en bij de andere de grenzen ineens wat elastischer lijken.

Politiewetenschapper Jaap Timmer is daar een stuk duidelijker over. Demonstreren is een grondrecht, maar dat betekent niet dat je vervolgens de verkeersveiligheid, gezondheid en openbare orde aan de kant kunt schuiven. Volgens hem hadden de autoriteiten harder moeten optreden.

En daar zit precies mijn probleem.

De politie moet handhaven.

Maar de politie maakt de wet niet. De politie maakt ook geen politieke keuzes over welke risico's maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De politie werkt binnen de wetgeving, de aanwijzingen van het bevoegd gezag en de politieke werkelijkheid die daarboven hangt.

Als vervolgens vooraf wordt besloten om tractoren niet tegen te houden zolang ze de snelweg niet blokkeren, ontstaat er een merkwaardige situatie. (Dus dan mag het wel) Een trekker hoort niet op de snelweg, maar kennelijk mag hij daar onder bepaalde omstandigheden toch rustig rondtoeren zolang het verkeersinfarct nog niet officieel is begonnen.

Dat is geen handhaving meer volgens het principe gelijke monniken, gelijke kappen, maar handhaving met een gebruiksaanwijzing.

En dan komen achteraf de bestuurders met ernstige gezichten vertellen dat dit natuurlijk nooit de bedoeling was.

Tja.

In het oude Rome hadden ze daar een mooie methode voor. Brood en spelen. Geef het volk wat vertier en wat brood, dan kijkt het misschien even niet naar de politieke problemen, de kosten en de moeilijke besluiten.

Tegenwoordig hebben we geen Colosseum meer nodig. Wij hebben talkshows, demonstraties, subsidies, compensatieregelingen en een eindeloze stroom politieke verklaringen waarin vooral heel zorgvuldig wordt uitgelegd waarom iets eigenlijk niet kan, maar voorlopig toch maar even gebeurt.

En zodra het misgaat, volgt het bekende ritueel.

“Dit had nooit mogen gebeuren.”

Nee, natuurlijk niet.

Maar als je jarenlang grenzen laat opschuiven, moet je niet verbaasd zijn wanneer iemand uiteindelijk denkt dat er helemaal geen grens meer staat.

De overheid neemt risico's met haar keuzes. De politie mag vervolgens niet het politieke vangnet worden voor besluiten die boven haar pet zijn genomen.

De wet is geen menukaart.

Je kunt er niet vandaag de ene regel afhalen omdat die politiek even beter uitkomt en morgen dezelfde regel weer aanwijzen omdat het ineens gevaarlijk is geworden.

Want dan krijg je precies wat we nu zien.

Eerst ruimte geven. Dan tolereren. Dan waarschuwen. Dan huilie huilie.

En uiteindelijk vragen waarom de politie niet eerder heeft ingegrepen.

Misschien moeten we daarom niet alleen naar de politie kijken.

Misschien moeten we eindelijk eens kijken naar degene die bepaalt waar de grens ligt.

Want een politieagent kan alleen handhaven binnen de grenzen die de politiek hem geeft.

En als die grens van rubber is gemaakt, moet je achteraf niet boos worden op degene die ermee moet werken.

vrijdag 14 augustus 2026

🏛️ Tijd voor een nieuw artikel in de Grondwet ivm K.R.A.K.E.N.

Misschien wordt het zo langzamerhand tijd om de Grondwet maar eens aan te passen. Niet omdat de rechtsstaat niet meer functioneert, maar omdat we hem kennelijk steeds creatiever zijn gaan uitleggen. Ik stel daarom een nieuw grondwetsartikel voor: “Illegaliteit en illegalen genieten de hoogste bescherming, zeker wanneer zij zich eerst eigenhandig toegang hebben verschaft tot een plaats waar zij helemaal niet horen te zijn.”

Want het begint inmiddels een beetje een merkwaardige vorm aan te nemen. Wie zich aan de regels houdt, krijgt te maken met vergunningen, bestemmingsplannen, eigendomsrechten, huurcontracten, termijnen, formulieren en uiteindelijk misschien nog een ambtenaar die vraagt of het formulier wel met de juiste kleur pen is ingevuld. Wie daarentegen besluit de regels aan zijn laars te lappen, lijkt soms rechtstreeks toegang te krijgen tot een juridisch beschermingspakket waarvan de gewone burger alleen maar kan dromen.

Neem het kraken van woningen en gebouwen. Je verschaft jezelf zonder toestemming toegang tot andermans eigendom, maakt jezelf vervolgens bewoner en zodra iemand daar iets van vindt, wordt het woonrecht ineens een zwaarwegend juridisch begrip. De geschiedenis van de krakersrellen in Amsterdam en andere steden staat nog altijd op ons netvlies: barricades, stenen, verf en een Mobiele Eenheid die vooral mocht proberen uit te leggen dat openbare orde ook daadwerkelijk iets met orde te maken heeft.

En nu lijkt er in Limburg een nieuwe aflevering van deze juridische komedie te zijn verschenen.

Bij het Landbouwbelang ontstaat een situatie rond een bootje en een caravan. De politie wordt erbij gehaald omdat er sprake zou zijn van een onveilige situatie en kennelijk vinden mensen die zich daar bevinden dat anderen zich niet aan de regels houden. Op zichzelf niets bijzonders, totdat je beseft dat we hier te maken hebben met een omgeving waar mensen zich niet bepaald via de reguliere voordeur van het huurcontract hebben gemeld.

Het wordt dan toch een merkwaardige situatie wanneer iemand die zich toegang en verblijf heeft verschaft in een gekraakte omgeving, vervolgens de overheid inschakelt omdat een andere partij daar volgens hem illegaal een standplaats heeft ingenomen.

De kraker belt dus de politie over een illegale standplaats van een andere kraker.

Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer een inbreker 112 belt omdat hij tijdens zijn werkzaamheden een andere inbreker aantreft die volgens hem niet helemaal volgens de huisregels opereert.

En dan komt de politie.

Want de politie heeft geen vrijbrief om bij dit soort situaties de schouders op te halen en te zeggen: “Zoek het lekker zelf uit, jullie zijn allemaal illegaal bezig.” De politie moet handhaven in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en bovendien in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Dat is nu eenmaal de rechtsstaat, ook wanneer de situatie inmiddels zo absurd is geworden dat je als politieman bijna behoefte krijgt aan een juridisch woordenboek én een kop koffie.

Misschien moeten we daarom maar eerlijk zijn en het nieuwe grondwetsartikel meteen goed formuleren:

Artikel 1a — Het hoogste recht

“Eenieder die zich niet aan de wet houdt, heeft recht op maximale rechtsbescherming, mits hij zijn overtreding maar lang genoeg voortzet en zich vervolgens op zijn rechten beroept.”

Lid 2 kan dan bepalen dat degene die wél netjes een woning huurt, belasting betaalt, vergunningen aanvraagt en zich aan de regels houdt, vooral veel geduld moet hebben.

Lid 3 lijkt mij ook belangrijk: “Degene die illegaal een ruimte gebruikt, behoudt dit gebruik zolang overheid en rechter er nog niet definitief iets anders van hebben gevonden.”

En voor de zekerheid voegen we nog een overgangsbepaling toe voor caravans, bootjes en andere mobiele woonvormen.

Want voordat je het weet, ontstaat er een geheel nieuwe rechtsorde waarin niet langer wordt gevraagd of iets legaal is, maar vooral wie als eerste illegaal was en daardoor de oudste rechten heeft opgebouwd.

Daarmee zijn we dan eigenlijk terug bij het recht van de sterkste, maar dan met een advocaat, een bezwaarprocedure en een keurige brief van de gemeente.

Het bijzondere is dat dit niet alleen iets zegt over de mensen die de grenzen van de wet opzoeken. Het zegt ook iets over de overheid en misschien zelfs over de rechtspraak wanneer een situatie zover kan komen dat iemand die zich illegaal toegang heeft verschaft tot een pand uiteindelijk een beroep kan doen op bescherming van zijn verblijf, terwijl de gewone eigenaar eerst een juridisch parcours met hindernissen moet afleggen.

De rechtsstaat is er natuurlijk juist om iedereen tegen willekeur te beschermen. Maar daar zit wel een grens aan die we niet uit het oog mogen verliezen: rechtsbescherming zou nooit mogen verworden tot een beloning voor het negeren van de regels.

Want dan leren we de burger uiteindelijk een merkwaardige les.

💥Doe het netjes en je krijgt een formulier.

💥Doe het fout en je krijgt rechtsbescherming.

💥Doe het vervolgens lang genoeg fout en misschien krijg je uiteindelijk zelfs een recht.

En wanneer dat recht eenmaal bestaat, bellen we de politie omdat iemand anders zich niet aan de regels houdt.

Het moet niet nog gekker worre. 😏

woensdag 12 augustus 2026

☔️ De paraplu van 75 cm ☔️

 

☔️De paraplu van 75 centimeter☔️

We rijden in de grrepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.

Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.

Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.

Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.

Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.

Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.

“Tot uw beschikking.”

De andere roepnummers melden zich eveneens.

De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.

Op straat is nagenoeg niemand te zien.

Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.

Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.

Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.

Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.

Hij stuurt de GSA ernaast.

“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”

Ik kijk hem aan.

Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.

Maar dienst is dienst.

Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.

Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.

Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.

Lekker droog en hoog.

Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.

Maar één ding weet ik nog wel.

De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.

Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed.

En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.

Ik denk er het mijne van.

Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.

Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.

Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.

Op dat moment is er niemand anders op de weg.

Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.

Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.

In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.

Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.

We hebben het er niet meer over.

Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:

een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.

Soms uit een wetboek.

Soms van een collega.

En soms van een paraplu.


zondag 9 augustus 2026

Gestolen in 1984, terug in 2026: wie zegt dat aangifte geen zin heeft?

Aangifte doen heeft altijd nut

Sommige mensen vragen zich af wat het nut eigenlijk nog is van aangifte doen. Je doet aangifte van een gestolen fiets, bromfiets, auto of wat dan ook en vervolgens gebeurt er ogenschijnlijk helemaal niets. Het dossier verdwijnt ergens in de digitale krochten van de politiecomputer en daarmee lijkt de zaak voor de eigenaar afgesloten. 

Zeker wanneer je weet dat in Nederland duizenden aangiften niet of nauwelijks aan rechercheonderzoek toekomen, simpelweg omdat er meer werk ligt dan er rechercheurs beschikbaar zijn.

Toch heeft aangifte doen wel degelijk nut.

Dat bewijst een prachtig Italiaans verhaal waarin de politie maar liefst 41 jaar nodig heeft om haar geheugen te laten werken.

In 1984 wordt in Italië de bromfiets van de toen 17-jarige Antonio Smiglio gestolen. Geen Ferrari, geen Lamborghini en zelfs geen elektrische fatbike, maar een keurige Garelli VIP 50. Voor een zeventienjarige in die tijd echter een bezit van onschatbare waarde. Je spaart ervoor, poetst hem alsof het een gouden kalf is en vervolgens rijdt iemand ermee weg die blijkbaar andere plannen met jouw eigendom heeft.

Antonio doet aangifte en zal ongetwijfeld met de gedachte hebben rondgelopen dat hij zijn bromfiets nooit meer terugziet.

En daar kun je hem ook nauwelijks ongelijk in geven.

Jaar na jaar verstrijkt, terwijl de Garelli waarschijnlijk een heel ander leven leidt dan zijn rechtmatige eigenaar. Nieuwe berijders, andere wegen en waarschijnlijk een paar generaties benzine en olie verder verdwijnt de bromfiets steeds verder uit het geheugen van Antonio. Totdat in 2026 ergens in Italië een agent een bromfiets controleert die zonder kenteken rondrijdt.

En dan komt het moment waarop een oud politiedossier plotseling weer tot leven komt.

Chassisnummer controleren, gegevens erbij en jawel hoor: daar staat hij. Gestolen in 1984.

Eindelijk beet.

Na ruim 41 jaar wordt Antonio opgespoord en krijgt hij zijn bromfiets terug. Inmiddels is de eigenaar 58 jaar oud en de Garelli natuurlijk ook een behoorlijk stukje ouder geworden. Maar na wat reparaties blijkt het ding nog steeds te rijden als vanouds.

Daar kun je als politieman toch alleen maar bewondering voor hebben.

Voor die Garelli bromfiets dan.

Want die heeft het rechercheonderzoek in ieder geval ruimschoots overleefd.

Het verhaal laat tegelijkertijd zien waarom aangifte doen altijd verstandig is, ook wanneer je op dat moment denkt dat je eigendom voorgoed verdwenen is. Een aangifte zorgt ervoor dat het gestolen goed geregistreerd staat en dat er bij een latere controle, een vondst of een ander onderzoek een lijntje naar de rechtmatige eigenaar kan worden gelegd.

Natuurlijk moeten we daar in Nederland ook eerlijk over zijn. Duizenden aangiften worden niet onderzocht omdat de capaciteit ontbreekt, de prioriteiten elders liggen of de opsporingskansen te gering worden geacht. Dat is voor slachtoffers vaak moeilijk uit te leggen en soms nog moeilijker te accepteren. Je bent bestolen en vervolgens krijg je te horen dat er onvoldoende capaciteit is om de dader te zoeken.

Maar juist daarom moet je aangifte doen. Want wie weet.

Misschien wordt jouw gestolen fiets morgen gevonden, misschien duikt jouw auto over vijf jaar ergens op en misschien staat er over 41 jaar ergens een agent met een oud chassisnummer in zijn hand te kijken alsof hij zojuist de hoofdprijs van de rechercheloterij heeft gewonnen.

En dan blijkt dat die ene aangifte die ooit ergens in een computersysteem werd vastgelegd toch ineens goud waard is.

Dus tegen iedereen die zegt: “Aangifte doen heeft toch geen zin, ze doen er toch niets mee”, zou ik willen zeggen: doe het toch maar.

Want deze Italiaan heeft 41 jaar moeten wachten.

Zijn bromfiets heeft het al die tijd volgehouden.

Dan moet die aangifte dat toch ook kunnen.

🔊🎶Een ander geluid🔉🎙🔊Flower Beat Power

Groove Garden: Flower Beat Power

Zaterdag, na mijn ochtenddienst, rij ik op de fiets dwars door Euverhaove, via de Kasteelweg richting Sportcentrumlaan. Op de wegen die naar het evenemententerrein van Groove Garden leiden, zie ik hordes jongelui in hun bolides en sommigen te voet dezelfde richting opgaan.

Alsof de rattenvanger van Hamelen zijn lonkende werking heeft ingezet. Dit keer niet met speelse fluittonen, maar met helse elektronische bastunes. Het is feest en dat zal iedereen weten. En vooral: horen.

Op de Schwienswei rij ik achterlangs het evenemententerrein naar huis. Mijn trommelvliezen krijgen het nu al zwaar te verduren door het indringende boem-boem-boem. Bij de waterplas zie ik nog ganzen met hun jongen. Die hebben kennelijk nog nooit zoiets meegemaakt.

De schapen in de wei kunnen geen kant op. Ze kunnen alleen maar ondergaan wat hen wordt voorgeschoteld. Ze blaten vrolijk of misschien wel klaagzangerig mee met het onmenselijke audiobeuken.

De bastonen begeleiden mij nog kilometers ver op mijn weg over de rustige paden in het veld.

De volgende zondagochtend, heel vroeg, kom ik weer aangefietst langs de plek van Groove Garden.

Normaal gesproken hoor ik hier de vogels de dag begroeten. Buizerds doorklieven langzaam de ochtendlucht en ganzen met hun jongen spetteren vrolijk in het water. Nu niet.

Het is er doodstil.

Het water van de plas ligt spiegelglad, zonder rimpeltje of oneffenheid. De schapen liggen nog steeds in hun weiland. Ze kunnen immers niet weglopen. Maar ook zij hebben dit keer niets te melden.

Het is zeventien graden en buitengewoon aangenaam.

Toch lijkt het alsof er geen ander dier, vogel of natuurlijk wezen meer aanwezig is. Alsof de hele natuur het hazenpad heeft gekozen en ergens kilometers verderop zit te wachten tot de rust is teruggekeerd.

Weggevlucht voor een spervuur van oorverdovende basdeunen, dat urenlang onophoudelijk door het landschap heeft gedreund.

Dat houdt kennelijk geen enkel dier uit.

Behalve één rechtoplopende soort dan.

Op parkeerplaatsen en in de bermen langs de weg staan nog enkele bolides van feestgangers. Achteloos achtergelaten, gelukkig niet verkeersgevaarlijk.

Op de parkeerplaatsen hebben velen blijkbaar de afvalbak niet kunnen vinden. Afval ligt her en der verspreid over het terrein.

Een heuse sportbeurt voor de mensen die het maandagochtend mogen oprapen.

Nog steeds is het windstil en doodstil. Sittard ligt nog in een diepe zondagochtendslaap.

Bij de rotonde aan de Sportcentrumlaan zie ik in de berm een koppeltje eendjes. Ver weg van hun eigenlijke habitat, het water.

Kennelijk zijn ook zij ruw uit hun rust en dagelijkse patroon weggeblazen.

Het is bewezen: alleen betalende mensen kunnen blijkbaar tegen de decibellen. Die variëren ergens tussen de 80 en 102 dB. Op het evenemententerrein zijn tegen betaling oordoppen verkrijgbaar.

Dat is meestal niet aan dovemansoren gericht.

Moet kunnen natuurlijk. Totdat je op te jonge leeftijd toe bent aan een hoortoestel.

En eerlijk is eerlijk: het evenement is tegelijkertijd een geweldige opsteker voor de stad. Duizenden bezoekers hebben genoten van het audiovisuele spektakel. En wat de openbare orde betreft, hebben zich nagenoeg geen noemenswaardige ongeregeldheden voorgedaan.

Mooi zo.

Flower Beat Power anno 2016.

De mens heeft gefeest, gedanst en genoten. De natuur heeft een nachtje ergens anders geslapen.

En dan vraag ik mij toch af:

Zou het op andere evenemententerreinen ook zo stil worden nadat de laatste beat is uitgestorven?

Dus geniet ervan zolang het kan.

Enjoy the music… zolang je oren, de ganzen, de eendjes en de schapen het nog kunnen verdragen.


zaterdag 8 augustus 2026

5 gieters verdwijnen, een mens blijft geven ...

 

Wat is een begraafplaats eigenlijk?

Is het een plek van bezinning, waar mensen even ontsnappen aan de drukte van alledag?

Een plaats van respect, waar we stilstaan bij degenen die ons zijn ontvallen?

Een plek van herinneringen, waar een naam op een steen soms meer zegt dan duizend woorden?

Voor de één is het een plaats van verdriet en trauma. Voor een ander een morele verplichting: “Ik moet toch even naar het graf.” En misschien is het voor sommigen zelfs een plek van opluchting, omdat een lang ziektebed of een moeilijke periode eindelijk ten einde is gekomen.

Iedere bezoeker draagt zijn eigen verhaal met zich mee.

Maar één ding zouden we met elkaar gemeen moeten hebben: respect voor de plek én voor de mensen die er komen.

Op de begraafplaats in Sittard staan waterkraanpunten waar bezoekers de gieters kunnen vullen. Geen luxe, maar een eenvoudige voorziening om bloemen en planten bij een graf te verzorgen. Toch verdwenen er steeds opnieuw vijf gieters.

Inmiddels zijn er zeven keer vijf nieuwe gieters geleverd. Vijfendertig in totaal.

Dat betekent ook dat er steeds opnieuw iemand is geweest die de gieters van de begraafplaats heeft meegenomen.

Waarom iemand een gieter van een begraafplaats nodig heeft, blijft de vraag. Misschien verdwijnt hij in een eigen tuin. Misschien wordt hij ergens anders gebruikt. Verkocht?

Wie het weet die mag het zeggen 🧐

Maar tegenover degene die de gieters meeneemt, staat een particulier met een 💙 op de juiste plaats die ze steeds opnieuw aanvult.

Niet omdat het moet. Niet omdat hij daarvoor wordt betaald.

Maar omdat hij vindt dat bezoekers van de begraafplaats gebruik moeten kunnen maken van een gieter om een graf te verzorgen.

Wanneer er vijf verdwijnen, zet hij er opnieuw vijf neer.

En als die ook weer weg zijn, begint hij opnieuw.

Misschien denkt hij: de aanhouder wint.


Of misschien is zijn gedachte nog eenvoudiger: “Ik laat mij niet ontmoedigen. Zolang ik iets kan betekenen voor de bezoekers van de begraafplaats, blijf ik de gieters aanvullen.”

Dat verdient respect.

Het is gemakkelijk om iets mee te nemen. Maar het vraagt betrokkenheid om steeds opnieuw iets terug te zetten.

Een begraafplaats is geen gewone plek. Het is een plaats waar herinneringen leven, waar verdriet soms nog tastbaar is en waar mensen in stilte verbonden blijven met iemand die er niet meer is.

Misschien zouden we juist daar wat vaker moeten nadenken over wat we achterlaten.

Of wat we meenemen.

De waarheid ligt, zoals altijd, op het kerkhof.

En nee… daarmee bedoel ik niet dat de dader daar ligt. 

woensdag 29 juli 2026

Margraten 1978

 

Toen geluk nog heel gewoon was,


Ik draag het uniform van de Rijkspolitie. Een werkweek van veertig uur. Tien dagen werken, vier dagen vrij. Een ritme waar je naar uitkijkt. Niet omdat het werk licht is, maar omdat die vier vrije dagen voelen als een klein avontuur.

We wonen in een oude boerderij in Margraten. Geen luxe, geen overvloed. Wel ruimte, rust en het Zuid-Limburgse Mergelland als onze achtertuin. In Margraten is nagenoeg alles te krijgen waarvan we denken het nodig te hebben. Behalve een treinstation. Maastricht, Heerlen en Valkenburg liggen spreekwoordelijk om de hoek.

En natuurlijk onze twee Cocker Spaniels. Vader en zoon.



Geen gewone honden, maar twee wervelwinden avant la lettre. Zodra ergens een wandelschoen wordt aangetrokken, begint het feest. Staarten zwiepen door de keuken alsof er een storm opsteekt.

Stilzitten? Dat woord komt niet in hun woordenboek voor. Dus trekken we eropuit. Iedere dag heel veel  kilometers vreten. 

Het hele dorp kent ons in deze samenstelling.

Margraten, Groot Welsden, Klein Welsden, 't Rooth, Scheulder, Gulpen... over holle wegen, langs akkers met wuivend graan, over mergelpaden en tussen hoogstamboomgaarden. Soms uren achter elkaar zonder iemand tegen te komen. Alleen de vogels, de wind en het ritmische geluid van onze voetstappen.

Geen mobiele telefoon. Geen sociale media. Die monsters bestaan nog niet. Niemand die je onderweg stoort.

Alleen de natuur en wij.

De Cockers rennen alsof ze nooit moe worden. De ene duikt een berm in, de andere jaagt achter een fazant aan die allang gevlogen is.

Wat hebben we van die twee honden genoten. Ze maakten iedere wandeling tot een avontuur en iedere vrije dag nét een beetje mooier.

Ook wij hebben energie voor tien. Jong, gezond en nieuwsgierig naar alles wat het leven nog brengt.

Die wandelingen betekenen veel meer dan zomaar een ommetje. Daar dromen we over later, zonder te beseffen dat we misschien wel midden in de mooiste jaren van ons leven lopen.

In onze vrije dagen stappen we in de auto om familie te bezoeken. De afstanden zijn fors en de vrije tijd is schaars, zeker in combinatie met de onregelmatige diensten en de bokssport. We rijden via Valkenburg naar Nuth, gaan daar de autosnelweg op richting Geleen en vervolgen onze weg via de Rijksweg langs het oude ziekenhuis naar Sittard.
Het voelt nooit als een verplichting. Familie maakt gewoon deel uit van ons leven. Daar maak je tijd voor, juist in die vier vrije dagen.

Als we tegenwoordig weer door Gulpen en Slenaken wandelen, herkennen we nog altijd dezelfde holle wegen, dezelfde heuvels en dezelfde vergezichten.

Alleen wij zijn wat ouder geworden. Maar niet minder sportief.

Soms zie ik in gedachten twee dolenthousiaste Cockers weer voor ons uit rennen over die holle wegen in het Mergelland, waar de tijd heel even lijkt stil te staan. Ik hoor het grind knarsen onder onze schoenen. Ik voel de zon op mijn gezicht en adem de frisse Limburgse lucht in. Dan kijk ik naar rechts en zie ik Carla en Lauren naast mij meewandelen,

Onze twee Cocker Spaniels vroegen nooit iets bijzonders. Geen rijkdom, geen luxe. Alleen een wandeling, een aai over hun kop en de zekerheid dat we samen op pad gingen.
In ruil daarvoor gaven ze ons onvoorwaardelijke trouw, eindeloos enthousiasme en ontelbaar veel mooie herinneringen.

Angels without wings...

Ik denk aan de collega's. Aan de sportvrienden. Aan de familiebezoeken die zo vanzelfsprekend waren. Aan de mensen die ieder hun eigen weg zijn gegaan.
De meeste contacten zijn langzaam vervaagd. Zo gaat het nu eenmaal. De tand des tijds spaart niemand.

That's our life.

Maar de herinneringen blijven, zij wonen in een oude boerderij in Margraten, in een wandeling door het Mergelland, in bokshandschoenen die aan een haak hangen, in het gelach met collega's na een drukke dienst en in twee onvermoeibare Cocker Spaniels die altijd als eerste klaarstonden voor een nieuw avontuur.

Misschien is dát wel de grootste rijkdom.

Niet wat we bezaten, maar hoe we leefden.

En eerlijk gezegd...

Ik zou voor geen goud één bladzijde uit dat prachtige hoofdstuk van ons leven willen missen.


Naschrift


Gemeentehuis van Margraten, Hoenderstraat 2. Mooi en nostalgische uitstraling 

In 1978 was Albert Kuijpers (A.A.J. Kuijpers) burgemeester van de zelfstandige gemeente Margraten

Dit pand diende als gemeentehuis van de gemeente Margraten tussen 1954 en 1985.  




De oude gemeente Margraten van voor de gemeentelijke herindeling in 1982 bestond uit het kerkdorp Margraten en de buurtschappen Groot Welsden, Klein Welsden, 't Rooth en Termaar. Na de gemeentelijke herindeling van 1982 kwamen daar de voormalige gemeenten Cadier en Keer, Noorbeek, Mheer en Sint Geertruid bij. Ook werd het kerkdorp Scheulder aan de gemeente Margraten toegevoegd, dat tot 1982 onderdeel was van de gemeente Wijlre.

zondag 26 juli 2026

Lieve medeweggebruikers toch

 


Weer een fietstocht van Carla en  Han ...

Afgelopen zaterdag, gisteren dus. De zon straalt al vroeg en de temperatuur loopt gestaag op.

"Wat gaan we vandaag doen?" vraag ik aan Carla.

"Broodjes halen en via onze vertrouwde landelijke route naar het park."

Een beter plan is nauwelijks denkbaar. Die route staat inmiddels gegrift in de pedalen van onze stalen rossen.

Al vroeg laat de zon zich voelen, maar de zachte tegenwind zorgt gelukkig voor een aangenaam contrast. Met onze vers ingeslagen proviand peddelen we rustig richting het Sittardse stadspark. Vanaf huis gaat het via Tüddern eerst licht omhoog. Daarna volgen de prachtige holle wegen, waar de bomen een groen dak boven ons vormen. Via de Lahrweg slingert de route op en neer. Het blijft iedere keer weer genieten.

Maar dan dient zich de eerste hindernis aan.

Voor ons lopen twee wandelaars, breed naast elkaar. De man heeft zijn smartphone in de hand. De telefoon praat en hij gehoorzaamt. Van de vogels, de bomen en de mensen om hem heen krijgt hij niets mee. Samen nemen ze ruim de halve weg in beslag en wijken geen centimeter. Volledig opgeslokt door het scherm.

We kunnen hen nog net ontwijken.

Maar achter dit duo dient zich meteen een groter gevaar aan.

Dan denderen ons twee e-bikers tegemoet. Stoere fietshelmen op, donkere zonnebrillen voor en breed over het midden van het fietspad. Alsof zij de enige weggebruikers zijn en de rest vanzelf wel aan de kant gaat.

Ik fiets voorop. Achter mij mijn sportieve blonde eega. Mijn felgroene shirt zou zelfs op afstand nauwelijks te missen moeten zijn.

De afstand wordt razendsnel kleiner.

Nog altijd geen enkele reactie.

Pas op het allerlaatste moment volgt een verschrikte kreet: "Oef!"

Een wilde stuurcorrectie volgt. Rakelings suist de man langs mij heen. Carla moet vol in de remmen. Heel even lijkt het alsof hij, aangetrokken door de Lorelei achter mij, recht op haar af stuurt.

Gelukkig blijft een botsing uit.

Meer uit ongeloof dan uit boosheid foeteren we elkaar nog wat na.

Even later bereiken we de brede fiets- en wandelroute door het park. Ruim opgezet, rustig en breed genoeg voor wandelaars, honden, kinderwagens én fietsers. Je zou denken dat hier werkelijk iedereen ontspannen van de omgeving kan genieten.

Mis gedacht.

In de verte doemt een echtpaar op gevorderde leeftijd op. Op hun e-bikes denderen ze ons tegemoet. Stoere fietshelmen op, donkere zonnebrillen voor en breed over het midden van het fietspad. Alsof het complete fietspad uitsluitend voor hen is aangelegd.

Carla rijdt achter mij. Ik voorop, nog steeds in mijn felgroene shirt.

Geen millimeter wijken ze uit.

Waarom toch? Waren ze gisteren iets te diep in de armen van Bacchus gevallen? Of maakt zo'n donkere wielerbril je blind voor alles wat tegemoetkomt? Misschien wanen sommigen zich op de laatste etappe van de Tour de France.

Wie het weet, mag het zeggen.

De afstand wordt kleiner. Tien meter... vijf meter... drie meter...

Nog altijd geen reactie.

Op het allerlaatste moment volgt een schrikreactie. Te laat.

Met een harde tik knallen onze fietsspiegels tegen elkaar. De dame slaakt een verschrikte "oef", terwijl wij elkaar rakelings passeren. Nog een fractie dichterbij en het was geen tik tegen een spiegel geweest, maar een frontale aanrijding.

Gelukkig blijft mijn spiegel heel. Dat is mooi meegenomen, maar daar ging het mij niet om. Het had heel anders kunnen aflopen.

Ik hoop oprecht dat de schrik groot genoeg is geweest om de rest van hun fietstocht wat alerter te zijn.

Verderop zien we dat de bomen onlangs van onderen zijn opgesnoeid. Waarschijnlijk een zomersnoei. Jammer. In november had dat waarschijnlijk wat meer schaduw opgeleverd. Nu brandt de zon ongenadig op onze ruggen en hoofden. Nog altijd prachtig, maar wel een stuk warmer.

Na een heerlijke picknick, opgeladen door de rust, de natuur en elkaars gezelschap, stappen we weer op de fiets.

De terugweg verloopt aanvankelijk zonder noemenswaardige obstakels.

Saillant detail.

Op het brede, verplichte fietspad richting de Gamma, bijna thuis, komt vanuit een uitrit ineens een Audi met een duivels tempo aanzetten. Achter het stuur een jongeman met een petje, in een auto die misschien net een maatje te groot voor hem is.

Pas op het allerlaatste moment duikt hij vol in de remmen. Carla en ik grijpen tegelijk stevig in onze eigen, ouderwetse fietsremmen.

Hij komt tot stilstand.

Wij fietsen door.

Nog geen vijftig meter verder staat dezelfde Audi braaf voor een rood verkeerslicht te wachten.

Carla en ik kijken elkaar aan.

Al die haast... om vervolgens een halve minuut later alsnog stil te staan.

Ik mompel iets over verkeersinzicht en voorrangsregels. Carla schiet in de lach.

Ach... het zal de warmte wel zijn geweest. Net als bij enkele hoofdrolspelers eerder op onze tocht.

Onderweg schiet mij nog een gedachte te binnen.

Wat zou het mooi zijn als iedere fiets een extra knop had. Geen turbo, geen sportstand en ook geen extra ondersteuning.

Gewoon een knop met daarop: 'Geniet.'

Na één druk op die knop schakelt niet de motor in, maar het gezonde verstand. Je kijkt weer om je heen. Je ziet de schoonheid van de natuur, groet een wandelaar, mindert even vaart en gunt een ander net zoveel plezier als jezelf.

En vooruit... vervang die trapondersteuning meteen maar door een ouderwetse Sturmey-Archer-naaf met drie versnellingen. Ik heb zomaar het vermoeden dat het dan ineens een stuk minder druk wordt op onze prachtige fietspaden.

Maar hoe dan ook...

Carla en ik blijven positief en trappen vol goede moed verder. We genieten van de natuur, van elkaar en soms ook van de capriolen van onze medeweggebruikers. De ene keer met een glimlach, de andere keer met een groot vraagteken boven ons hoofd.

En eerlijk is eerlijk...

Juist die onverwachte momenten maken achteraf vaak de mooiste verhalen.

HahaHan ..

woensdag 22 juli 2026

⏳️Opiniestuk: De publieke tribune spreekt nu al recht

De publieke tribune spreekt al recht

Er zijn van die krantenartikelen die je niet alleen leest, maar die je ook aan het denken zetten. Niet zozeer over de schuld of onschuld van een verdachte, maar over de manier waarop wij in Nederland met strafzaken omgaan.

Aanleiding voor deze overpeinzing is een artikel in De Limburger en L1 Nieuws over een politieagent die wordt verdacht van verkrachting. Wie zich in de zaak wil verdiepen, kan dat artikel zelf lezen. Mijn verhaal gaat echter niet over deze specifieke zaak. Het gaat over een principe dat mij na 44 jaar politiewerk nog altijd dierbaar is: laat het bewijs spreken.

Tijdens mijn loopbaan heb ik geleerd dat een verdenking nog geen veroordeling is. Gevoel is geen bewijs. Ervaring evenmin. Natuurlijk ontwikkel je als politieman een intuïtie. Soms denk je te weten hoe een zaak in elkaar zit. Maar uiteindelijk telt slechts één vraag: kan het wettig én overtuigend worden bewezen?

Dat geldt voor iedere verdachte. Dus ook voor een politieagent.

Wat mij in dit soort zaken steeds vaker opvalt, is dat de publieke tribune haar oordeel al klaar heeft voordat de rechter nog maar aan de beurt is. Een agent wordt in de publieke opinie soms al figuurlijk gevierendeeld voordat de rechter nog één woord aan het vonnis heeft gewijd. Zijn loopbaan ligt in scherven, zijn naam ligt op straat. Op sociale media vliegen de kwalificaties over en weer en onder nieuwsberichten wordt het vonnis vaak al uitgesproken.

Intussen liggen de meest intieme details breed uitgestald. Of die nu afkomstig zijn uit de openbare rechtszitting, uit processtukken of uit andere bronnen, weet ik niet. Dat doet voor mijn punt ook niet ter zake. Het effect is hetzelfde. De lezer krijgt flarden van een dossier voorgeschoteld zonder de volledige context te kennen. De media informeren terecht, maar de publieke verontwaardiging krijgt daardoor vaak vrij spel. Nog voordat de rechter uitspraak heeft gedaan, lijkt het oordeel voor velen al vast te staan.

Laat één ding duidelijk zijn. Als een politieagent strafbare feiten pleegt, moet hij zich daarvoor, net als ieder ander, voor de rechter verantwoorden. Niemand staat boven de wet. Maar niemand hoort ook onder de wet te staan. Dat is de kern van onze rechtsstaat.

Ik heb in mijn loopbaan veel processen-verbaal opgemaakt. Ik heb geleerd dat feiten belangrijker zijn dan vermoedens en dat bewijs zwaarder weegt dan emotie. Toch werden ook zaken waarvan ik dacht dat het bewijs als een huis stond, geseponeerd of liep een strafzaak anders af dan ik had verwacht. Dat voelde wrang. Niet alleen voor mij, maar vooral voor de slachtoffers die met die uitkomst moesten leren leven.

Dan zat ik tegenover mensen die mij aankeken en eigenlijk maar één vraag hadden: "Waarom?" Dat waren misschien wel de moeilijkste gesprekken uit mijn politieloopbaan. Ik moest uitleggen dat een sterk vermoeden, of zelfs mijn persoonlijke overtuiging, niet voldoende was. Dat het Openbaar Ministerie of de rechter tot een andere afweging was gekomen. Onwillekeurig voelde dat soms ook als een persoonlijk falen. Dat gevoel kon nog lang blijven knagen.

Juist daarom kijk ik ook nu met dezelfde beroepshouding naar dit soort zaken. Niet vanuit loyaliteit aan een collega, maar vanuit loyaliteit aan de rechtsstaat.

Laat het Openbaar Ministerie zijn bewijs presenteren. Laat de verdediging daarop reageren. Laat de rechter vervolgens oordelen op basis van het volledige dossier.

Niet de krant.

Niet de reacties op sociale media.

Niet de publieke verontwaardiging.

Dat betekent niet dat slachtoffers minder belangrijk zijn. Integendeel. Juist slachtoffers verdienen een zorgvuldig onderzoek, een eerlijk proces en – waar het bewijs daarvoor voldoende is – een rechtvaardige veroordeling. Maar dezelfde rechtsstaat beschermt ook de rechten van een verdachte. Dat is geen zwakte. Dat is de kracht van een samenleving die haar emoties niet boven haar rechtsbeginselen stelt.

Na 44 jaar politiewerk geloof ik nog altijd in hetzelfde eenvoudige uitgangspunt waarmee ik ooit begon.

Laat het bewijs spreken. Daarna pas het oordeel.

Naschrift: Dit opiniestuk is geschreven naar aanleiding van de berichtgeving in De Limburger en L1 Nieuws over een strafzaak tegen een politieagent. Wie zich verder wil verdiepen in de feitelijke berichtgeving, kan die artikelen raadplegen. Dit stuk gaat niet over de schuld of onschuld van de verdachte, maar over het belang van bewijs, zorgvuldigheid en de fundamenten van onze rechtsstaat.


dinsdag 21 juli 2026

Fietsen met Vincent


Vandaag is morgen gisteren 💙

Zojuist - gisteren dus - fietsten mijn Carla en ik, met de wind stevig tegen de neus, over de mooie paadjes in onze prachtige woonomgeving. 

Natuurlijk weer de langere route naar huis. Niet omdat het moest, maar omdat die simpelweg veel mooier is.

Het koren is inmiddels gedorst. De stekelige stroresten staan trots als duizenden kleine lansen op het akkerland. Miniatuur-slagvelden. 

Ik weet nog hoe pijnlijk dat vroeger als kind was. Korte broek, lage schoenen en dan dwars over zo'n stoppelveld. Dat voelde alsof je zonder oefening een cursus acupunctuur volgde.

Plots werden wij aangekeken. Door een complete menigte geelgouden hoofden. 

Duizenden tegelijk.

Geen boze blikken, geen achterdocht. Integendeel. Pure levensgenieters. Allemaal met hun gezicht naar de zon gedraaid, alsof ze de grote leverancier van het levenselixer persoonlijk wilden bedanken.

We stapten af en genoten zwijgend van dat prachtige tafereel. Een foto als stille getuige en bewijs van al dit moois.

Ineens moest ik aan onze Vincent denken. Zou hij hier, ergens op een Frans landweggetje, hetzelfde hebben gevoeld?

Vincent van Gogh schilderde zijn beroemde Zonnebloemen in 1888 en 1889 in Arles. Niet zomaar bloemen in een vaas, maar een ode aan het leven, het licht en de zon. 

Misschien zag hij wel precies wat wij vandaag zagen: duizenden zonnebloemen die geen enkele belangstelling hebben voor alles wat mensen bezighoudt. Ze doen maar één ding. Hun gezicht naar het licht keren.

Bij de foto die ik maakte kon ik de verleiding niet weerstaan. Met een beetje hulp van moderne techniek liet ik Vincent van Gogh terugkeren naar het zonnebloemenveld. Daar staat hij, anderhalve eeuw later, precies hetzelfde tafereel te schilderen dat wij die middag bewonderden. 



Alsof onze foto en zijn penseel elkaar heel even ontmoetten.

Misschien kunnen wij daar soms nog iets van leren.

En eerlijk is eerlijk... met zoveel zonnebloemen om ons heen voelde zelfs de tegenwind ineens een stuk vriendelijker.

Vandaag is morgen alweer gisteren. Maar die zonnebloemen... die kijken morgen gewoon weer naar hetzelfde licht. 

En wij? Wij zoeken gewoon weer een mooie omweg. 🌻🚴

maandag 20 juli 2026

De electrische step en de natuurwetten

Ongeluk met een electrische step ...


Man zwaargewond na val met elektrische step: traumahelikopter opgeroepen https://www.l1nieuws.nl/112/3209830/man-zwaargewond-na-val-met-elektrische-step-traumahelikopter-opgeroepen?at_medium=sharing&at_campaign=sharedArticle #l1nieuws

Nav dit trieste krantenbericht gaat mijn aandacht uit naar het publieke domein; daar waar alles samenkomt in een smeltkroes van de samenleving én het verkeer.

Soms zie ik er weer eentje voorbij zoeven. Zo'n elektrische step. Twee wieltjes ter grootte van een beschuit, een stuur dat meer weg heeft van een paraplusteel en een bestuurder die kijkt alsof hij onderweg is naar een fotoshoot.

Dan denk ik altijd: de natuurwetten hebben vandaag weer overuren.

Eerlijk gezegd betrap ik mezelf nog op een tweede gedachte: kan dat ding dit eigenlijk wel aan? Het lichaamsgewicht, de snelheid en soms zelfs twee personen tegelijk. Dan krijg ik spontaan medelijden met de lagers, de banden en de constructeur die ooit zijn handtekening onder het ontwerp zette.

Want die kleine wieltjes hebben een hekel aan alles. Een stoeptegel die een millimeter scheef ligt. Een putdeksel. Een takje. Een kiezel. Een nat blaadje. Ze pikken feilloos de verkeerde uit.

De bestuurder vertrouwt ondertussen blind op de techniek. De techniek vertrouwt blind op de bestuurder. En juist daar gaat het regelmatig mis.

En dan zie je ze soms ook nog met z'n tweeën op één step. Ik moet dan altijd glimlachen. Dat is een beetje alsof je met z'n tweeën op een barkruk naar de supermarkt rijdt. Het kan... totdat de zwaartekracht besluit zich ermee te bemoeien.

Ik ben ouderwets. Geef mij maar een gewone fiets. Je beweegt, je blijft fit en krijgt onderweg gratis frisse lucht. Moet het elektrisch omdat het lichamelijk niet anders kan? Prima. Daar zijn elektrische fietsen een geweldige uitkomst voor.

Maar een step omdat trappen te vermoeiend is? Dan vraag ik me af of we straks ook een elektrische winkelwagen krijgen die zelfstandig naar het schap rijdt.

De crux zit niet alleen in de snelheid. Het is de combinatie. Gezien worden. Zelf goed uitkijken. Andere weggebruikers zien aankomen. Anticiperen. Op tijd remmen. En af en toe even naar de opticien voor een oogcontrole. Want ook de beste remmen helpen weinig als je het obstakel pas ziet wanneer je er al bovenop staat.

En dan volgt het bekende aha-moment. Dat komt alleen soms nét iets te laat.

Aha... die stoeprand was toch hoger dan ik dacht.

De zwaartekracht geeft daarna geen tweede waarschuwing. Die is meedogenloos, gratis en altijd op tijd.

En voor wie toch op zoek is naar snelheid, spanning en af en toe een spectaculaire val, heb ik nog een gratis tip.

Ga surfen.

Daar is vallen tenminste onderdeel van de sport.


— HahaHan


donderdag 16 juli 2026

Verwarde personen, nog steeds een File op de A2

File op de A2

Een politie die moet blijven rijden terwijl de file steeds langer wordt

Ik ben niet gefrustreerd. Dat gevoel past niet bij mij en zeker niet bij mijn kijk op het politiewerk. Na 44 jaar dienstbaarheid aan dit prachtige vak voel ik mij nog altijd loyaal aan de organisatie en vooral aan de mensen die iedere dag opnieuw klaarstaan. 

Juist vanuit die loyaliteit wil ik soms de helpende hand bieden en benoemen wat ik zie gebeuren. Niet om af te rekenen met het verleden of om te zeggen dat vroeger alles beter was, want ook toen waren er genoeg uitdagingen, maar omdat ik zie dat mooie stappen soms worden uitgegumd door ontwikkelingen die het politiewerk niet altijd sterker maken.

Mijn gevoel bij de reorganisaties binnen de politie laat zich misschien het beste omschrijven als een file op de A2. Iedereen wil vooruit, iedereen moet vooruit, maar ondertussen staat het verkeer grotendeels vast. Er worden nieuwe routes bedacht, nieuwe structuren gebouwd en nieuwe plannen gemaakt, terwijl de bestuurder op de weg vooral merkt dat de druk blijft toenemen.

Vaak voelde een reorganisatie als navelstaren. Een stoelendans met ogenschijnlijk blije gezichten, terwijl achter veel van die gezichten ook onzekerheid schuilging. Niet iedereen werd er beter van. Banen kwamen op de tocht te staan, functies veranderden en in de slipstream werden belangrijke werkzaamheden gekortwiekt. Het gevolg was een enorme hoeveelheid bezwaarschriften en procedures. Uiteindelijk kostte dat de organisatie niet alleen veel energie, maar ook honderden miljoenen euro's door langdurige trajecten en gevolgen van keuzes die achter bureaus werden gemaakt.

Geld en tijd die uiteindelijk niet op straat terechtkomen.

Daarmee kom ik bij de heterdaadkracht van de politie. Juist het vermogen om zichtbaar aanwezig te zijn, snel te reageren en op het juiste moment door te pakken, vormt de kracht van het politiewerk. Toch zag ik de afgelopen jaren steeds vaker dat politieblauw naar binnen werd getrokken. Soms om de intake te ondersteunen, soms om administratieve achterstanden weg te werken en soms zelfs doordat een surveillance werd geschrapt om ruimte te maken voor administratieve processen.
En daar wringt het.

Het politiewerk lijkt vaak op een rollercoaster. Je weet dat er iets staat te gebeuren, alleen weet je niet waar of op welk moment. Dat vraagt om flexibiliteit, ervaring en mensen die buiten aanwezig zijn. Bureaucratie ontstaat echter vaak niet vanuit slechte bedoelingen. 

Veel regels en processen komen voort uit goedbedoelde denkmachines, professioneel of soms amateuristisch bedacht, met als doel meer grip, meer kwaliteit en meer controle te creëren.

Maar iedere nieuwe stroomlijn, ieder nieuw proces en iedere extra verantwoordingslijn heeft ook een keerzijde.

Wat binnen overzichtelijk lijkt, kan buiten een extra belasting worden.
Volgens mij hoort ondersteunend werk het politiewerk buiten te versterken. Het buitenwerk moet niet steeds zwaarder worden belast omdat binnen nieuwe administratieve verplichtingen ontstaan. 

De politiek zou zich daarbij moeten realiseren dat iedere verplichte registratie, iedere ad-hoc opdracht en iedere extra verantwoordingslijn gevolgen heeft voor de capaciteit op straat.

Terugbellen. Acties zoals I281. Internetaangiften.

Allemaal noodzakelijk vanuit een bepaald perspectief, maar allemaal vragen ze tijd. Tijd die ergens vandaan moet komen.

Bij processen zoals screening, BOSZ en andere administratieve, technische of recherchematige werkzaamheden wordt niet altijd gekeken wanneer een politiemedewerker daadwerkelijk ruimte heeft om deze taken goed uit te voeren. Vaak gebeurt dit ten koste van blauw op straat.

Ik noemde dat vroeger weleens de binnenpolitie die de buitenpolitie naar binnen trekt met een administratieve lasso om de nek.

De burger begrijpt dat steeds minder. Voor de burger is er één politie. Hij ziet niet alle interne processen, systemen en verplichtingen. Hij ziet alleen dat hij hulp nodig heeft en verwacht dat de politie er staat.

Uiteindelijk bepalen burgers via de gekozen politiek welke taken de politie krijgt. Dat is terecht. Maar burgers zouden zich ook moeten afvragen welke politie zij willen. 

Willen we een politie die steeds meer maatschappelijke problemen opvangt omdat andere voorzieningen geen oplossing bieden, of willen we een politie die voldoende ruimte houdt voor veiligheid, hulpverlening en opsporing?

Want boeven vangen komt steeds meer onder druk te staan.

De politie moet in alle geledingen meer doen met minder mensen en minder middelen. Vanuit krimp wordt geprobeerd het onderste uit de kan te halen. Alle opdrachten zijn ons even lief, maar sommige opdrachten zijn in de basis niet bedoeld voor de politie.
Toch komen ze op ons pad.

Niet omdat de politie dat zoekt, maar omdat er vaak geen andere uitweg is.

Vechtscheidingen, civielrechtelijke conflicten, omgangsregelingen en maatschappelijke problemen komen uiteindelijk toch bij de politie terecht. De politie wordt steeds vaker het vangnet van de samenleving.

Maar terwijl daar veel tijd en energie naartoe gaat, kunnen zaken die wel degelijk politiewerk zijn onder druk komen te staan. Zaken waarbij veiligheid direct een rol speelt en waarbij juist snel en doortastend handelen noodzakelijk is.

Daarom blijft het zo mooi om te zien wanneer burgers en politie samen resultaten boeken. Een buurtbewoner die alert is, een verdachte situatie meldt en daarmee helpt een dader te pakken. Dat is de kracht van de samenleving. De politie doet het niet alleen.

Ook verdienen de mensen van de intake een groot compliment. Vaak werken zij in relatieve anonimiteit, terwijl zij het eerste contact hebben met slachtoffers, melders en mensen die hulp zoeken. Zij krijgen emoties, frustraties en verdriet als eerste binnen. Hun werk vormt het fundament waarop veel politieoptreden verder bouwt.

Chapeau.

Het zou mooi zijn als processen en werkwijzen zich steeds meer zouden richten op bronaanpak. Aan de voorkant problemen voorkomen en criminaliteit aanpakken, in plaats van achteraf steeds meer bureaucratische vinkjes zetten omdat dat nu eenmaal vanuit beleid wordt gevraagd.

Een voorbeeld dat mij altijd is bijgebleven, is de straatroof van een dertienjarige jongen.

Hij komt samen met zijn moeder naar het bureau. Eén van de vele slachtoffers die bij de politie aankloppen. Ik neem de aangifte op, er volgen acties met betrekking tot getuigenverklaringen en informatie. Voor mijn gevoel moet zo'n zaak met de hoogste prioriteit worden opgepakt.

Want het gaat niet alleen om een aangifte.
Het gaat om veiligheid.
Het gaat om vertrouwen.
Het gaat om een kind dat weer veilig over straat moet kunnen.

Maar vervolgens staat het incident op de agenda en weet je niet altijd wie ermee bezig is of wanneer de volgende stap wordt gezet. Dan komt het moment dat je contact moet opnemen met de aangever. Dat wil je ook graag, want betrokkenheid hoort bij het vak.

Maar wat vertel je die moeder?
Dat het systeem nog bezig is?
Dat het dossier wacht?
Dat er capaciteit gezocht wordt?

Voor haar telt maar één ding: wordt haar kind beschermd en wordt de dader gevonden?

Politiewerk is soms rekverbanden aanleggen en eendaagse pleisters plakken. Om de krimp op te vangen worden steeds meer konijnen uit de hoed van de Magiër getoverd, verpakt in een beschermende folie van grafieken, cijfers en mooie woorden.

Maar de werkelijkheid op straat laat zich niet altijd vangen in een grafiek.

Ook binnen het wijkwerk bestaan grote verschillen. In sommige gebieden wordt ruimte gevonden om echt met de wijk bezig te zijn, terwijl elders iedere extra minuut voor wijkwerk bijna de planning lijkt te frustreren. Iedere wijkagent die tijd vraagt om daadwerkelijk aanwezig te zijn, lijkt soms een probleem te veroorzaken in plaats van een oplossing te bieden.

En dan kom ik terug bij de rollercoaster.

We staan stil in een lange file en moeten ondertussen met 120 kilometer per uur vooruit blijven manoeuvreren. Terwijl de politieauto's in die file proberen door te rijden, worden ze vanaf de kant bekogeld met allerlei opdrachten door de betere stuurlui en aandachttrekkers aan wal.

Ook opdrachten die geen echte politietaken zijn. Maar reageren is geboden. Doe je niets, dan is het fout. Doe je wel iets, dan ontstaat er weer een ander probleem.

Over een spagaat of perpetuum mobile gesproken.

Ook de aanpak van verwarde personen past helaas in dit beeld. Mijn respect voor de professionals in de GGZ is groot. Ook zij werken onder hoge druk en met moeilijke problematiek. Mijn kritiek richt zich niet op de individuele medewerkers, maar op systemen waarin verantwoordelijkheden soms botsen.

Ik heb regelmatig gezien dat verwarde personen in een fuik van protocollen terechtkwamen voordat een screening plaatsvond. Zorgvuldigheid is belangrijk, maar soms leek het alsof het proces belangrijker werd dan het oplossen van de situatie.
En ondertussen wachtte de politie.

Mijn geduld werd danig op de proef gesteld. Ik ben altijd iemand geweest die houdt van proactief en doelmatig handelen. Problemen signaleren is één ding, maar proberen ze daadwerkelijk op te lossen is waar mijn motivatie lag.

Tijdens het wachten leek het soms alsof er buiten juist meer dringende meldingen kwamen dan normaal. Je zat letterlijk op je handen, terwijl je wist dat er elders mensen waren die ook hulp nodig hadden.

Daarna bleef de vraag of iemand werd opgenomen of opnieuw terugkeerde in de maatschappij. Wanneer de oorzaak niet voldoende werd aangepakt, zag je dezelfde problemen vaak terugkomen.

Niet oplossen, maar beheersen.

Dat zorgt uiteindelijk voor een overvolle agenda bij alle betrokken partners.


Epiloog


Jaren geleden schreef ik dit verhaal al. Niet vanuit frustratie, maar vanuit betrokkenheid bij een vak waaraan ik een groot deel van mijn leven heb gegeven.

Een paar maanden geleden liep ik na ruim vijf jaar weer eens binnen op mijn oude werkplek. Het was bijzonder om daar opnieuw rond te lopen. Vertrouwde plekken, nieuwe gezichten en vooral veel herkenbare verhalen.

Ik sprak met verschillende collega's en ook met een wijkagent. Wat mij raakte, was dat veel van de zorgen die ik jaren geleden beschreef niet waren verdwenen.

Ze waren groter geworden.
Nog meer taken.
Nog meer verantwoordelijkheden.
Nog meer verantwoording.

Ook het probleem rond verwarde personen bleek niet kleiner geworden. Mijn ervaringen uit het verleden waren geen afgesloten hoofdstuk. De werkelijkheid van vandaag liet zien dat de druk verder was toegenomen.

Toch zag ik ook iets positiefs. De mensen. De betrokkenheid. De wil om te helpen. Die is er nog steeds.

De zorg zit niet bij de politiemensen die iedere dag hun best doen. De zorg zit in een systeem dat steeds meer vraagt, terwijl de ruimte om het echte politiewerk te doen steeds verder onder druk komt te staan.

Een sterke politieorganisatie wordt uiteindelijk niet gebouwd door alleen protocollen, cijfers en systemen.

Een sterke politieorganisatie wordt gebouwd door mensen die de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen.

Want uiteindelijk blijft de vraag:

Hebben we een politie die vooral bezig is met het registreren van problemen, of een politie die voldoende ruimte krijgt om ze daadwerkelijk op te lossen?

Wie het weet, mag het zeggen ...