Translate

dinsdag 23 juni 2026

Het jaar is bijna 2 dagen oud

2 januari 2013

Met kerst heb ik gewerkt en dus ben ik met oud en nieuw vrij. Binnen de politie is het ieder jaar opnieuw een strategisch steekspel van formaat. Collega's wringen zich in allerlei bochten om juist die feestdagen vrij te krijgen die thuis het meest gewenst zijn. Een terugkerend spanningsveld tussen krijgen en werken.

Persoonlijk heb ik weinig moeite met die verdeling.

Geef mij maar kerst vrij. Dan ontloop ik de loopgraven van kruitdampen, hossende menigten die naar alcohol en anarchie ruiken, en de jaarlijks terugkerende geweldsgolf tegen politie en hulpverleners. Het lijkt soms alsof tijdens de jaarwisseling tijdelijk andere natuurwetten gelden. Wat normaal niet mag, mag dan ineens een beetje. Wat verboden is, wordt gedoogd. En wat gevaarlijk is, wordt traditie genoemd.

De eenzamen, de zieken en de mensen die geen feestje hebben, laat ik daarbij nog buiten beschouwing.

Op 2 januari 2013 gaat om 05.00 uur de wekker. Dan is er koffie. Een boterham. Brood smeren voor onderweg.

Dan stap ik samen met mijn trouwste metgezel naar buiten: mijn Giant. Mijn stalen ros brengt mij door de koude ochtend naar het bureau.

De straten liggen er verlaten bij.

De rook van de afgelopen nacht hangt nergens meer zichtbaar in de lucht, maar op basis van ervaring weet ik beter. De jaarwisseling laat altijd haar sporen achter. Soms in de vorm van vernielingen. Soms in de vorm van letsel. Soms in de vorm van processen-verbaal. En soms in een vorm die veel definitiever is.

Om 06.30 uur sta ik in uniform op het bureau.

Nieuwjaarswensen vliegen over en weer tussen de afgaande nachtdienst en de opkomende ploeg.

"Rustige nacht gehad."

Dat heb ik in mijn loopbaan vaker gehoord. Meestal betekent het dat de ellende simpelweg is doorgeschoven naar de vroege dienst.

Onze eerste melding volgt niet veel later.

De thuiszorg heeft tijdens haar ronde een overleden bewoner aangetroffen. Gelukkig beschikt zij over een sleutel en is de woning reeds betreden. Zoals gebruikelijk volgen de noodzakelijke procedures. Een forensisch arts wordt ingeschakeld om een misdrijf uit te sluiten.

Dat blijkt gelukkig niet aan de orde.

Familie wordt geïnformeerd. De uitvaartondernemer wordt in kennis gesteld. Wij beantwoorden vragen en helpen waar mogelijk.

Een verdrietige melding, maar een melding die hoort bij het leven.

Nog voordat de afhandeling volledig is afgerond, komt een tweede melding binnen.

Een persoon zou van een flat willen springen.

Onze collega's van een andere surveillance zijn reeds ter plaatse.

De man staat boven aan de balustrade.

Hij is bekend binnen de hulpverlening. Een lange geschiedenis van psychische problemen gaat aan deze ochtend vooraf. Wat er zich precies in zijn hoofd afspeelt zullen wij nooit weten.

Wel weten we dat collega's alles doen wat binnen hun mogelijkheden ligt.

Ze praten. Ze proberen contact te maken. Ze proberen tijd te winnen.

Maar soms bereiken woorden iemand niet meer. Dan laat hij los.

Wanneer wij arriveren is het net gebeurd.

Ik ken die flats goed. Jaren eerder woonde ik in de buurt. Voor mij zijn het altijd herkenningspunten in het landschap. Die ochtend krijgen ze een andere betekenis. Zoals al zo vaak in het politiewerk."

Wat ik daar zie, staat nog steeds op mijn netvlies. Sommige beelden vervagen. Andere niet. Deze behoort tot die laatste categorie.

Daarna begint het werk. Onderzoek. Afzettingen. Registraties. Collega's. Hulpdiensten. Familie.

Iedere schakel moet zorgvuldig worden uitgevoerd. Zoals altijd. Zoals het hoort.

Wanneer alles uiteindelijk is afgerond, is het inmiddels middag geworden.

We krijgen een half uur om te eten. Een boterham smaakt dan niet anders dan normaal.

Dat blijft misschien wel een van de vreemdste eigenschappen van politiewerk.

De wereld kan in een paar uur volledig ontsporen, terwijl jij vervolgens gewoon je lunch opeet omdat de dienst nog niet voorbij is.

Wat er daarna nog gebeurd is die dag weet ik niet meer.

Deze twee meldingen hebben alle andere herinneringen overschreven.

Na afloop van de dienst stap ik weer op mijn Giant. De terugweg voert langs velden en paden die ik als een mentale TomTom instel.

Eindelijk rust. Geen portofoon. Geen meldkamer. Geen zwaailichten.

Alleen tijd om de gebeurtenissen nog eens langs te laten komen.

Thuis is het goed toeven.

De piketbedrijfsopvangfunctionaris sprak later met de betrokken collega's, waaronder wijzelf. Kijken. Luisteren. Peilen hoe iedereen erbij zat. Binnenkort zal nog een vervolggesprek volgen. 


Sommige nieuwjaarsdagen beginnen met vuurwerk.

Die van 2013 begon voor mij met de dood.

Mantelzorg met Kerst

 Inleiding

De laatste donkere dagen van het jaar heb ik dienst. Samen met collega's rij ik in de opvallende politieauto door de Westelijke Mijnstreek. Zoals altijd zijn er meldingen die niet kunnen wachten en mensen die hulp nodig hebben. De politie draait immers dag en nacht door, ook tijdens de feestdagen.

In het centrum is het druk. Winkelend publiek loopt af en aan, het verkeer staat vast en iedereen lijkt bezig met de voorbereidingen voor Kerstmis. Terwijl we door de binnenstad rijden, komen we langs een appartementencomplex waar ik eerder eens ben geweest.

Plots moet ik denken aan een melding van enkele maanden geleden. Een melding die mij altijd is bijgebleven. Juist in deze tijd van het jaar, waarin veel gesproken wordt over saamhorigheid, aandacht en omzien naar elkaar.

Dit is dat verhaal.

Casus

Op een warme zomerdag worden mijn collega en ik naar een adres in het centrum gestuurd. De thuiszorg heeft aangebeld bij een bejaarde mevrouw, maar krijgt geen gehoor. Volgens de zorgmedewerkster moet zij thuis zijn. Toch blijft de deur gesloten.

Voor politiemensen is dat vaak geen geruststellend teken.

Niet veel later staan wij voor een modern appartementencomplex. Alles oogt nieuw. De gangen zijn ruim, de verf ruikt nog fris en de vloerbedekking heeft nauwelijks slijtage gezien. Achter één van die nette voordeuren woont de vrouw die niet opendoet.

Bellen helpt niet.

Kloppen helpt niet.

Roepen helpt niet.

Dan blijft er nog maar één optie over.

Ik pak mijn breekijzer.

Dat klinkt spectaculairder dan het is. In de praktijk betekent het vooral dat je probeert binnen te komen voordat kostbare tijd verloren gaat. Met beleid zet ik het gereedschap tussen deur en kozijn. De deur biedt stevig weerstand. Slot, beslag en driepuntsvergrendeling doen precies waarvoor ze ontworpen zijn.

Uiteindelijk wint de hefboom.

Met een harde knal schiet de deur open.

Mijn collega en ik gaan direct naar binnen.

Tijdens de doorzoeking van de woning valt mij direct een drooggekookte fluitketel op. De bodem is zwartgeblakerd en het laatste beetje water is allang verdampt. Ik draai het gas dicht en loop verder.

Dan treffen we de bewoonster aan.

Ze zit op het toilet.

Of beter gezegd: ze hangt er half overheen.

Al meer dan zestien uur.

De vrouw verkeert in een erbarmelijke toestand. Ze is niet meer in staat om op te staan of hulp te vragen. Later zal blijken dat zij getroffen is door een hersenbloeding. In haar nood heeft zij de alarmknop niet meer kunnen bedienen.

Zestien uur lang heeft niemand haar kunnen helpen.

Niet omdat niemand dat wilde.

Maar omdat niemand wist dat zij daar zat.

De inmiddels gearriveerde ambulancecollega's en de medewerkster van de thuiszorg doen eerst iets wat minstens zo belangrijk is als medische zorg. Zij geven de vrouw haar waardigheid terug. Ze wordt aangekleed, verzorgd en gerustgesteld.

Pas daarna volgt de rit naar het ziekenhuis.

Wanneer alles achter de rug is, kijk ik nog even naar de beschadigde voordeur.

Soms krijgt de politie achteraf de vraag wie voor zulke schade opdraait.

Eerlijk gezegd interesseert mij dat op zo'n moment weinig.

Een deur is maar een deur.

Een mensenleven is iets anders.

Kerstgedachte

Terwijl ik dit schrijf, hoor ik buiten alweer het geknal van vuurwerk. Mensen bellen de politie omdat zij zich ergeren aan overlast, schrikken van harde knallen of zich zorgen maken over gevaarlijke situaties.

Dat hoort allemaal bij deze tijd van het jaar.

Maar die oude mevrouw schiet mij opnieuw te binnen.

Niet omdat haar verhaal uitzonderlijk was.

Juist omdat het zo gewoon was.

Ouderdom komt vaak ongemerkt. Eerst een beetje langzamer lopen. Daarna wat meer hulp nodig hebben. Uiteindelijk wordt een mens afhankelijk van anderen.

Van familie.

Van buren.

Van thuiszorg.

Van hulpverleners.

Van mensen die opletten.

Soms bestaat mantelzorg uit een zoon, dochter of partner. En soms uit een thuiszorgmedewerkster die aan de bel trekt, ambulancepersoneel dat klaarstaat en twee politiemensen die een deur openbreken.

Ik wens u fijne kerstdagen, een goede gezondheid en vooral mensen om u heen die naar u omkijken.

Want uiteindelijk is dat het enige dat werkelijk telt.

Met de kousenvoeten door het bloed

Tijdens onze werkzaamheden komen collega's en ik regelmatig terecht op plaatsen waar de samenleving haar meest trieste en weerzinwekkende gezicht laat zien. Daar kiezen wij niet voor. We gaan waar de meldingen ons brengen.

Vaak sta je er niet alleen voor. Als de ruimte er is, rijden collega's mee. Kruisbestuiving noemen we dat. Een voor allen, allen voor een. Een mooie ongeschreven regel die binnen het politiewerk nog altijd leeft.

Sommige locaties vergeet je daarna weer snel.

Andere niet.

Soms passeer ik jaren later een woning en gaat er ergens achter in mijn hoofd een klein belletje af. Dan weet ik weer precies wat zich daar ooit heeft afgespeeld.

Zo ook bij een groot, rustiek huis in een rustige woonomgeving.

Jaren geleden kregen ambulance en politie daar een melding van een gewonde man. Ter plaatse bleek hij samen met zijn moeder te wonen. Het huis zag er verzorgd uit. De sfeer van vervlogen tijden hing er nog nadrukkelijk. Jaren dertig. Degelijke meubels. De geur van oud hout en geschiedenis.

Boven troffen we de man aan.

Hij zat op een stoel in de badkamer, gekleed in niets meer dan een onderbroek. Zodra hij ons zag, veerde hij overeind. In zijn hand hield hij een groot mes.

Een indrukwekkend mes om te zien.

Alleen was het zo bot als een hark.

In een hoek van de badkamer stond zijn moeder.

Een klein, gebogen vrouwtje. Getekend door leeftijd, maar misschien nog wel meer door een leven lang zorgen. Het soort omaatje dat je direct sympathiek vindt.

Zij vertelde dat haar zoon zichzelf had verwond.

Dat bleek een understatement.

De man had zichzelf meerdere diepe en minder diepe snijwonden toegebracht. Het bloed zat overal. Op de muren, op de meubels, op de vloer. Vrijwel geen enkele plek in de badkamer was eraan ontsnapt.

Toch was het niet de zoon die mijn aandacht vasthield.

Het was zijn moeder.

Terwijl haar zoon luidruchtig alle aandacht opeiste, stond zij er stilletjes bij. Uitgeput. Machteloos. Alsof de laatste druppel de spreekwoordelijke emmer al jaren eerder had doen overlopen.

Ze zei zachtjes dat haar zoon nu toch echt geholpen moest worden.

Het klonk niet als een verzoek.

Het klonk als een smeekbede.

Misschien wel de zoveelste in een heel leven.

Het beeld dat me echter altijd is bijgebleven kwam pas daarna.

De moeder droeg geen schoenen. Geen sloffen. Zelfs geen pantoffels. Alleen dunne kousen.

Toen ze zich door de badkamer bewoog, liep ze ongemerkt door het bloed van haar zoon. Bij iedere stap bleven rode afdrukken achter op de vloer. Kleine bloedige voetsporen van een moeder die allang niet meer zag waar ze liep.

Dat beeld vond ik aangrijpender dan alle verwondingen van haar zoon bij elkaar.

Hij werd uiteindelijk verzorgd, gefixeerd op een brancard en door de ambulance meegenomen. Zoals zo vaak draaide alle aandacht weer om hem.

Zijn moeder bleef achter.

Collega's hebben nog een tijd bij haar gezeten voor opvang en nazorg. Of iemand zich daarna echt over haar heeft ontfermd, weet ik niet.

Ik heb het nooit meer gevolgd.

Toch denk ik er soms aan wanneer ik langs dat huis rijd. Zou zij nog leven? Zou haar zoon eindelijk rust hebben gevonden?

Of bleef zij nog jarenlang de mantelzorger van iemand die zelf al lang niet meer in staat was voor een ander te zorgen?

Ik weet het niet.

Wat ik wel weet, is dat er achter iedere zorgstatistiek, iedere beleidsnota en iedere bezuiniging mensen schuilgaan zoals deze moeder.

Mensen die niet klagen.

Mensen die niet op de voorgrond treden.

Mensen die op kousenvoeten door het bloed van hun eigen verdriet lopen.

En juist daar zijn vaak de meeste handen nodig.

Als iemand in dat verhaal een Oscar verdient, dan is zij het.Niet voor een rol die ze speelde, maar voor een rol die het leven haar heeft opgelegd.

Die ene rechtbank uitspraak

Rechtbankuitspraak

Lange tijd geleden las ik een rechtbankuitspraak die mij altijd is bijgebleven. Een zaak waarbij een vrouwelijke politiecollega zwaar gewond raakte door extreem geweld. Een uitspraak waarbij de haren recht overeind gaan staan.

De vele berichten over PTSS, de discussies rondom opvang van politiemensen en de dossiers van collega's die ik in de loop der jaren voorbij heb zien komen, brengen mij telkens terug naar die ene zaak.

Politiemensen worden geacht hulp te verlenen aan hen die dat nodig hebben. Dag en nacht. Ze stappen situaties binnen waar anderen instinctief een stap achteruit doen. Niet omdat zij geen angst kennen, maar omdat hun taak van hen vraagt om naar voren te gaan wanneer anderen wegvluchten.

Wanneer dat misgaat, blijven de fysieke en mentale littekens vaak een leven lang zichtbaar. Voor de collega zelf, maar ook voor het gezin dat noodgedwongen meedraagt wat er tijdens een dienst gebeurde. Daarom verdienen collega's die tijdens hun werk zwaar letsel oplopen meer dan applaus alleen. Zij verdienen steun, begrip en professionele hulp wanneer de gevolgen hen blijven achtervolgen.

De zaak waar ik aan terugdenk ging over een man met een achtergrond in de vechtsport. Buiten de ring gebruikte hij zijn vaardigheden niet voor sportieve doeleinden, maar tegen een politieagente die haar werk deed.

Tijdens een geweldsincident kreeg zij een harde vuistslag in het gezicht. De klap was zo hevig dat zij achterover viel en met haar hoofd op het wegdek terechtkwam. Wat volgde was een langdurig traject van herstel, met zware fysieke en emotionele gevolgen.

De verdachte was geen onbekende van justitie. Volgens het dossier had hij eerder geweld gebruikt en tijdens dit incident werd bovendien een politievoertuig vernield. De officier van justitie achtte het geweld zo ernstig dat een forse straf op zijn plaats werd geacht.

Toch kwam de rechtbank uiteindelijk tot een aanzienlijk lichtere uitkomst. Juridisch gezien zal daar ongetwijfeld een onderbouwde redenering achter hebben gezeten. Dat is de taak van de rechter in onze rechtsstaat.

Maar soms schuurt dat.

Soms lees je een uitspraak en vraag je je af hoe dit voor het slachtoffer moet voelen. Voor de collega die de klap heeft ontvangen. Voor haar gezin. Voor haar collega's die de gevolgen van dichtbij hebben gezien.

Want achter ieder dossiernummer schuilt een mens.

De vraag wat zij anders had moeten doen, blijft onbeantwoord. Weglopen? Wachten op ondersteuning? Nog langer proberen te de-escaleren? Achteraf is iedere situatie eenvoudiger te beoordelen dan op het moment zelf.

De werkelijkheid is dat geweld zich vaak onverwacht aandient. Soms als een plotselinge storm. Soms als een explosie van agressie waar nauwelijks op te anticiperen valt.

Wat mij vooral is bijgebleven, is niet de naam van de verdachte of de exacte strafmaat. Het is het beeld van een collega die haar werk deed en daarvoor een hoge prijs betaalde.

Ik hoop oprecht dat politiemensen dergelijke ervaringen bespaard blijven. En wanneer de gevolgen zich toch aandienen, in de vorm van lichamelijk letsel, trauma of PTSS, dat zij niet hoeven te vechten voor begrip of hulp.

Dat de hand die zij jarenlang naar anderen uitstaken, op zo'n moment ook naar hen wordt uitgestoken.


Dood op de autosnelweg A2


Tragisch en persoonlijk wanneer je de mensen kent

Een heldere, ijskoude januarinacht in 2012. Mijn collega Nicky en ik waren aan het surveilleren toen de meldkamer een ernstige aanrijding met zwaargewonden op de A2 doorgaf. Een andere surveillance-eenheid was al onderweg, maar we hoefden elkaar slechts aan te kijken. Zonder een woord te wisselen reden we mee.

De meldkamer sprak over een zware crash. Achteraf bleek dat nog een voorzichtige omschrijving.

Ter hoogte van Guttecoven troffen we een tafereel aan dat je liever nooit ziet. Auto's op de vluchtstrook. Geschrokken getuigen. Een voertuig op zijn kop in de berm. Een andere wagen tientallen meters verder in een weiland. Overal zwaailichten die de donkere nacht uiteen scheurden.

Brandweer, ambulance, Rijkswaterstaat en politie deden wat hulpverleners altijd doen wanneer seconden tellen: ieder pakte zijn taak op zonder aarzeling. De brandweer zette het gebied in fel licht en begon onmiddellijk aan de bevrijding van de slachtoffers. Ambulancepersoneel verleende medische hulp. Verkeersongevallenanalisten startten hun onderzoek. Wij probeerden orde te brengen in de chaos.

De auto lag ondersteboven. Eén inzittende bleek zwaar gewond. Voor de bijrijder mocht alle hulp niet meer baten.

Terwijl collega's zich bezighielden met de slachtoffers en de vermoedelijke veroorzaker, sprak ik met getuigen op de vluchtstrook. Door de spanning praatten velen door elkaar. Met een eenvoudige schets kreeg ik uiteindelijk de verklaringen helder. Midden tussen de voertuigen, aggregaten en hulpverleners noteerde ik de eerste bevindingen. Op zulke momenten ontstaat soms een vreemde rust. Alsof de wereld zich vernauwt tot slechts één taak.

Pas later die nacht kwam de klap.

We zaten in de politieauto om de identiteit van de betrokkenen vast te stellen. Nicky gaf het kenteken door aan de nachtcoördinator. Even bleef het stil aan de andere kant van de lijn.

Toen kwam het antwoord.

Het slachtoffer bleek een goede vriend en neef van de coördinator te zijn.

Dat nieuws sloeg in als een bom.

En vrijwel direct daarna besefte ook ik wie daar zojuist onder een wit laken was verdwenen.

Ik kende hem.

Niet oppervlakkig, maar als iemand met wie ik vaker had gesproken. Iemand uit mijn eigen leefwereld. Tijdens de hulpverlening had ik hem gezien, maar door de omstandigheden niet herkend. Nu vielen alle puzzelstukken ineens op hun plaats.

Op dat moment wordt een dossier weer een mens.

De rest van de nacht werkten we door. De gewonde bestuurster werd naar het ziekenhuis gebracht. Het slachtoffer naar het mortuarium in Maastricht. De vermoedelijke veroorzaker werd eveneens overgebracht voor medische behandeling, waar later een bloedonderzoek volgde.

Aan het einde van de dienst reden we naar Maastricht voor de wettelijke aanherkenning.

Dat blijft een bijzonder woord: aanherkenning.

Zakelijk van aard, maar emotioneel vaak allesbehalve.

Ik keek nog één keer naar iemand die enkele uren eerder nog onderweg was geweest naar huis.

Bijna thuis.

Dat bleek later misschien wel het meest wrange detail van alles. De afstand tussen de plaats van het ongeval en zijn woning bedroeg nog geen twee kilometer. Een paar minuten later was hij veilig thuis geweest.

Maar het lot besloot anders.

Uit onderzoek bleek dat de veroorzaker met hoge snelheid had ingehaald en vervolgens gevaarlijk naar rechts was gestuurd. Alcohol speelde daarbij een rol. Eén moment van onverantwoord gedrag bleek voldoende om meerdere levens voorgoed te veranderen.

Tijdens de rechtszaak kwamen argumenten, verklaringen en verzachtende omstandigheden voorbij. Dat hoort bij onze rechtsstaat. Toch bleef er bij mij één gedachte hangen.

Geen enkele straf brengt iemand terug.

Geen enkele uitspraak herstelt het verlies.

Jaren later herinner ik me niet meer alle technische details van het onderzoek. Wel herinner ik me de koude nacht, de felle verlichting van de brandweer en het moment waarop ik besefte dat het slachtoffer iemand was die ik kende.

Sommige incidenten verdwijnen na verloop van tijd uit het geheugen.

Andere blijven.

Niet omdat ze spectaculair waren.

Maar omdat ze persoonlijk werden.

Het leed eindigt niet op de plaats van het ongeval. Het reist mee naar huis, naar families, vrienden, collega's en nabestaanden.

En soms ook naar de hulpverleners die erbij waren. 

Opiniestuk: Schieten of niet schieten

Wel of niet schieten. Dat is de vraag.

Een vraag die achteraf door velen wordt beantwoord, maar op het beslissende moment door geen enkele diender met volledige zekerheid kan worden beantwoord.

Wanneer een mens plotseling wordt geconfronteerd met ernstig gevaar, nemen oeroude mechanismen het gedeeltelijk over. Het lichaam maakt zich op om te overleven. Hartslag stijgt, waarnemingen veranderen en het denken vernauwt zich tot datgene wat op dat moment van levensbelang lijkt. Fight, flight of freeze. Geen theorie, maar natuur.

Juist daarom bestaat in onze wetgeving het begrip noodweer. De wet erkent dat mensen onder extreme omstandigheden beslissingen moeten nemen in een fractie van een seconde. Toch worden aan die beslissingen strenge eisen gesteld. Terecht ook, want het gebruik van een vuurwapen behoort tot de meest ingrijpende bevoegdheden die een politieambtenaar bezit.

Onderzoekers van onder meer de Politieacademie en de VU Amsterdam hebben jarenlang gekeken naar de invloed van stress op politieoptreden. Hun bevindingen zijn interessant. Stress kan ervoor zorgen dat dreiging sneller wordt waargenomen en ernstiger wordt ingeschat. Ook blijkt dat goed getrainde dienders vaak beter schieten, maar dat training niet automatisch bepaalt of iemand besluit de trekker wel of niet over te halen.

Dat laatste is misschien wel de meest ongemakkelijke conclusie.

De beslissing om te schieten ontstaat niet in een laboratorium, niet in een leslokaal en niet achter een bureau. Zij ontstaat op straat. In omstandigheden die nooit volledig zijn na te bootsen. Omringd door onzekerheid, tijdsdruk, gevaar en de wetenschap dat een verkeerde beslissing levens kan kosten.

Dat brengt mij bij de schietpartij op Hollands spoor perron 4. Deze schietpartij staat los van de onderzoekers en hun bevindingen.

Een melding van een mogelijk gewapende man. Een verdachte die een beweging maakt richting zijn broeksriem. Een diender die die beweging interpreteert als een directe bedreiging en schiet. Achteraf blijkt dat er geen vuurwapen aanwezig was.

Een jonge man verliest zijn leven.

Een politieagent moet verder leven met de gevolgen van zijn beslissing.

Vanaf dat moment begint het onderzoek. Deskundigen analyseren verklaringen, camerabeelden, procedures en feiten. Dat moet ook gebeuren. Zo hoort het in een rechtsstaat.

Maar hoe zorgvuldig een onderzoek ook is, één element laat zich nooit volledig reconstrueren: het exacte gevoel, de spanning en de waarneming van dat ene moment waarop de beslissing werd genomen.

Dat moment bestaat slechts één keer.

Achteraf weten we dat er geen vuurwapen was.

Achteraf weten we wie iemand werkelijk was.

Achteraf kennen we alle verklaringen.

Achteraf hebben we de camerabeelden.

Achteraf hebben we de reconstructie.

Achteraf hebben we de luxe van tijd.

Maar de diender op straat heeft geen achteraf.

Die heeft alleen nu.

Dat ene moment. Die ene waarneming. Die ene beslissing.

Een beslissing die achteraf door velen wordt beoordeeld, maar die op dat moment door slechts één persoon moest worden genomen.

Er zijn daarom in deze zaak alleen maar verliezers.

De familie verliest een zoon.

De betrokken diender verliest een deel van zijn onbevangenheid.

Collega's worden geconfronteerd met de kwetsbaarheid van hun beroep.

En de samenleving blijft achter met vragen waarop geen eenvoudig antwoord bestaat.


Epiloog


Misschien ligt de belangrijkste vraag niet bij de diender die schoot.

Misschien ligt die vraag bij ons allemaal.

Wat zouden wij zelf hebben gedaan?

Op hetzelfde perron.

Met dezelfde melding.

Met dezelfde spanning.

En precies dezelfde fractie van een seconde om te beslissen.

Het eerlijke antwoord is waarschijnlijk dat niemand het werkelijk weet.


Opiniestuk het nieuwe wijksecretariaat 13 jaar later

Het nieuwe wijksecretariaat – dertien jaar later

Een maand geleden was ik voor het eerst in vijf jaar en vijf maanden terug op mijn oude basiseenheid.

Bewust koos ik voor een zaterdag. Wat minder hectiek, wat meer gelegenheid om rustig rond te kijken. Aan de buitenkant oogde het bureau vrijwel hetzelfde als vroeger. Een vertrouwd gebouw waar voor mij duizenden herinneringen liggen opgeslagen.
Eenmaal binnen bleek echter weer eens alles veranderd.

Of het beter is geworden? Dat zou best kunnen. Maar daar heb ik eigenlijk geen recht van spreken meer over. Ik werk er immers niet meer. De mensen die er vandaag de dag hun werk doen, zijn degenen die daar een oordeel over mogen vellen.
Toch vielen mij enkele zaken direct op.

Ik zag iets terug wat mij vroeger ook regelmatig overkwam. Een collega krijgt een bepaald label van verantwoordelijkheid opgeplakt en voor hij het weet staat het water hem tot aan de nek. Niet zelden op een terrein waar eigenlijk een partnerorganisatie primair verantwoordelijk voor zou moeten zijn.
U kent het wel.

De politie die eerste opvang verzorgt, noodverbanden aanlegt zonder verpleegopleiding, maatschappelijke problemen opvangt zonder hulpverleningsbudget en gaten dichtloopt die elders zijn ontstaan. Simpelweg omdat de politie er altijd is.
In dat opzicht heeft de tijd opmerkelijk weinig veranderd.

De wijkagent, de rechercheur, de noodhulpcollega en tal van ondersteunende disciplines dragen nog steeds een enorme hoeveelheid verantwoordelijkheden op hun schouders. Vaak veel meer dan redelijkerwijs van hen verwacht mag worden.

Daardoor ontstaat een steeds grotere cirkel van taken, verwachtingen, registraties en verantwoordelijkheden.

En ergens in het midden van die cirkel staat de politiemedewerker.
Soms onverstoorbaar.
Soms bewonderenswaardig veerkrachtig.

Maar soms ook als een ondergaande eend aan het einde van zijn Latijn: boven water nog ogenschijnlijk rustig, terwijl onder de oppervlakte met man en macht wordt getrappeld om het hoofd boven water te houden.

Toen ik jaren geleden meedacht over de inrichting van de Nationale Politie en de rol van het wijksecretariaat, ging het uiteindelijk om dezelfde vraag als vandaag:
Hoe organiseren wij ons werk zó, dat de mensen op straat kunnen doen waarvoor zij ooit politieagent zijn geworden?

Dertien jaar geleden dacht ik mee over de inrichting van de Nationale Politie. Een van de onderwerpen was het wijksecretariaat. Hoe konden wij, onder gelijke lastenverdeling, effectief en efficiënt recht doen aan het politiewerk? Welke rol moest het wijksecretariaat krijgen? Wie zouden daarin moeten deelnemen? En welke taken hoorden daarbij?

Nu, jaren later, kijk ik met belangstelling terug op die discussies.
De Nationale Politie staat inmiddels stevig op de kaart. Veel processen zijn geprofessionaliseerd, informatie is beter beschikbaar en samenwerking tussen disciplines is op onderdelen verbeterd. Toch herken ik ook vandaag nog dezelfde dilemma's als toen.

De diender in de voorste linie krijgt nog altijd alles voor zijn kiezen.
Meldingen van binnenuit, aandachtvestigingen, VVC-opdrachten, administratieve verplichtingen, maatschappelijke problematiek, zorgmeldingen en steeds meer taken die ooit elders waren belegd. De politie blijkt nog altijd de organisatie waar anderen terechtkunnen wanneer niemand anders meer thuis geeft.

Daar zit volgens mij nog steeds de grootste uitdaging.
We zeggen al jaren dat het basisteam het fundament van de politieorganisatie vormt en dat de wijkagent de spil in het netwerk is. Op papier klopt dat volledig. In de praktijk zie ik echter dat de afstand tussen beleid, processen en uitvoering soms nog steeds groter is dan wenselijk.

Niet uit onwil.

Wel omdat organisaties de natuurlijke neiging hebben om steeds nieuwe lagen, controles, registraties en overlegstructuren toe te voegen.
Iedere laag ontstaat ooit met een goede bedoeling. Maar wanneer niemand meer kritisch kijkt naar het totaalplaatje, ontstaat het risico dat de uitvoerende collega steeds meer tijd kwijt is aan het systeem en steeds minder aan het politiewerk zelf.

Dat is precies waar een goed wijksecretariaat het verschil zou moeten maken.
Niet als extra loket.
Niet als nieuwe schakel in de keten.
Maar als operationeel knooppunt.

Een plaats waar informatie samenkomt, wordt beoordeeld, geprioriteerd en vertaald naar concrete opdrachten. Een plek waar wijksecretariaat, operationele aansturing, informatiecoördinatie, screening en opsporing niet naast elkaar werken, maar mét elkaar.

Voorkom doublures.
Voorkom dat dezelfde zaak door meerdere disciplines afzonderlijk wordt bekeken.
Voorkom dat informatie telkens opnieuw wordt uitgezet, terugkomt, opnieuw wordt beoordeeld en weer wordt uitgezet.

De vraag zou steeds moeten zijn:
Wat draagt daadwerkelijk bij aan veiligheid, opsporing of hulpverlening?

Niet: wat kunnen we nog meer registreren?
Ik heb tijdens mijn loopbaan vaak gezien hoe goede collega's vastliepen in procedures die ooit bedoeld waren om het werk gemakkelijker te maken. Dan ontstaat het gevoel dat het systeem zichzelf in stand houdt.

Dat is zonde.

Want politiewerk blijft uiteindelijk mensenwerk.
De burger verwacht geen perfect registratiesysteem.
De burger verwacht een politieagent die komt als het nodig is, luistert, handelt en verantwoordelijkheid neemt.

Daarom geloof ik nog steeds in een sterke lokale basis.
Samenwerken met gemeenten, zorginstanties, woningcorporaties en andere partners blijft noodzakelijk. Maar daarbij hoort ook het lef om verantwoordelijkheden terug te leggen waar ze thuishoren. Niet elk maatschappelijk probleem is automatisch een politieprobleem.

Soms is het beste politieadvies simpelweg: dit ligt niet bij ons.
Dat is geen zwakte.
Dat is professioneel handelen.

Wat ik destijds schreef over de vele heilige huisjes binnen organisaties, herken ik nog steeds. Iedere discipline heeft haar eigen expertise, haar eigen werkwijze en haar eigen belangen. Dat is begrijpelijk. Maar succesvolle samenwerking begint pas wanneer het gezamenlijke doel belangrijker wordt dan het eigen domein.

De belangrijkste les die ik ooit meenam tijdens een bezoek aan Scotland Yard is mij altijd bijgebleven:

De hoeveelheid informatie doet er niet toe.
Wat je ermee doet wel.
Misschien is dat vandaag nog relevanter dan ooit.

Want informatie hebben we inmiddels meer dan genoeg.
De kunst blijft om er verstandig, doelgericht en met gezond verstand naar te handelen.
Daar ligt volgens mij nog steeds de sleutel tot goed politiewerk.
Narede

Wie vandaag de dag door een politiebureau loopt, ziet nog steeds dezelfde betrokkenheid, hetzelfde vakmanschap en dezelfde bereidheid om een stap extra te zetten voor de burger.

Maar er schuilt ook een risico.

Burn-out, mentale overbelasting en fysieke uitputting liggen nog altijd vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week op de loer.

Niet omdat politiemensen zwak zijn.
Integendeel.
Juist omdat zij sterk zijn.

Omdat zij telkens weer verantwoordelijkheid nemen wanneer anderen een stap terugzetten. Omdat zij problemen oppakken die niet altijd van hen zijn. Omdat zij blijven rennen wanneer het systeem daarom vraagt. Omdat zij vaak eerst aan de ander denken en pas daarna aan zichzelf.

Dat gaat jarenlang goed.
Tot het ergens begint te schuren.
Een mens is geen onuitputtelijke bron van energie. Ook de meest bevlogen wijkagent, rechercheur, noodhulpcollega of ondersteuner heeft grenzen.

Daarom blijft mijn overtuiging dezelfde als dertien jaar geleden.
Een goede politieorganisatie wordt niet alleen gemeten aan cijfers, registraties, processen of prestaties. Zij wordt vooral gemeten aan de wijze waarop zij haar mensen in staat stelt hun vak uit te oefenen.

Niet het systeem moet centraal staan. Niet de protocollen. Niet de heilige huisjes.
Maar de mensen die dagelijks op straat, achter een bureau, in een verhoorkamer of tijdens een nachtdienst het verschil maken.

Want uiteindelijk blijft de politiemedewerker het kloppend hart van de organisatie.
En met een overbelast hart kun je geen gezonde organisatie bouwen.

Dit is mijn terugblik als een oud-wijkagent die dertien jaar later constateert dat veel veranderd is, maar dat de essentie van het vraagstuk nog altijd hetzelfde is gebleven: hoe houd je de mensen die het werk doen overeind, terwijl de organisatie steeds meer van hen vraagt? Dat is de rode draad.

zondag 21 juni 2026

Baywatch in the flesh

Hulpverlening aan hen die dit behoeven

De vrachtvliegtuigen trekken een witte streep tegen de blauwe achtergrond van de hemel. Wij noemen die bandbreedte de hemel, maar eigenlijk zijn stratosfeer en andere wetenschappelijke benamingen wellicht juister. Als een heraut plant zo'n ijzeren vogel zijn bestemming aan de horizon en doorklieft hij de hete, zoetwarme lucht boven ons aardse paradijs.

Ik loop buiten. Tuincorvee doe ik regelmatig, zo niet dagelijks, effekes. Zo houd ik de tuin enigszins in het gareel. Tegen onkruid is echter niets opgewassen, behalve handmatig ingrijpen en hun aanwezigheid met wortel en al tenietdoen.

Ik zie de gebruikelijke oneffenheden: afgevallen eikenbladeren, stof, zand, vuil en andere eikenboomellende. Hier en daar steken alweer groene stengels van invasieve soorten of andere ongewenste aanwezigen de kop op.

Het buitenbad houd ik schoon en afgedekt tegen al die ongein. Toch zie ik een donkere vlek aan de binnenkant van het badje. Is het een blad? Heeft een vogel een krijtstreep achtergelaten? Nee, het is een hommel.

Hij is in mijn domein terechtgekomen. Hoe? Joost mag het weten.

Wat doet hij?

Niets.

Bewegingloos drijft hij rond. Is hij aan het verdrinken of juist aan het genieten van wat verkoeling? Is hij gevallen, gedoken of gewoon ongelukkig te water geraakt? Wil hij met rust gelaten worden of geholpen?

Wie het weet, mag het zeggen.

Ik ben de hommeltaal niet machtig, maar in dit geval ga ik af op mijn gevoel. Ik weet dat hommels nuttig zijn, vriendelijk ogen en doorgaans niet tot de stekelige probleemgevallen behoren.

Dus schuif ik mijn hand onder zijn lichaam, dat nog steeds roer- en stuurloos dobbert. Zijn ledematen hangen levenloos langs zijn lijfje. Terwijl het water tussen mijn vingers wegloopt tijdens de reddingsoperatie, grijpt hij plots met handen en voeten mijn huid vast.

Stevig.

Onlosmakelijk.

Ik loop met hem naar de stenen border om hem daar op adem te laten komen. Zijn reactie is opmerkelijk: in plaats van af te stappen, kruipt hij verder omhoog mijn handpalm in.

Wil hij bij me blijven?

Of is hij simpelweg onderkoeld van zijn onverwachte duik?

Met mijn wijsvinger help ik hem voorzichtig verder, alsof ik een stukje Limburgse vlaai op een bordje presenteer. Daar blijft hij rustig zitten wachten.

Even later kiest hij alsnog het luchtruim. Zoals het vrachtvliegtuig eerder, verdwijnt ook hij richting verre oorden. Niet met het lawaai van straalmotoren, maar met dat bekende, aandoenlijke gezoem waar ik telkens weer blij van word.

Ik denk dat hij weer boven Jan is.

Dat lukte eerder niet met zijn natte engelenvleugels.

Toch weer een leven gered. Al weet ik niet hoever hij gevorderd was in zijn levenscyclus van ongeveer een maand.

Voor hem maakte het op dat moment waarschijnlijk weinig verschil.

Voor mij eigenlijk ook niet.

De geredde was een hommel. In een komische hersenschim voelde de redder zich even de evenknie van Mitch Buchannon aka David Hasselhof (hahaHan). Zij het zonder strand, reddingsboei en rode zwembroek. 


Epiloog


Boven mij trok een vrachtvliegtuig zijn witte streep door het luchtruim. Beneden dobberde een hommel die datzelfde luchtruim even kwijt was. Uiteindelijk vervolgden ze allebei hun eigen bestemming. De een met straalmotoren, de ander met een aandoenlijk gezoem.

💙👍🐝

vrijdag 12 juni 2026

Notitie over Noodhulp

We schrijven het jaar 2012. Ik word gevraagd om mijn gedachten en ervaringen te delen over het Beleidsstuk Noodhulp,  in een notitie, ik ben wijkagent en draai volledig mee in de Noodhulp


Noodhulp District Westelijke Mijnstreek

Inleiding

In de noodhulp leer je al snel dat beschikbare capaciteit en daadwerkelijke capaciteit twee verschillende dingen zijn. Op papier lijkt er vaak voldoende personeel aanwezig. Op straat blijkt de werkelijkheid soms weerbarstiger.

De burger die de politie belt, heeft doorgaans weinig belangstelling voor onze organisatiestructuur, dienstroosters of interne processen. Hij wil weten of er politie komt wanneer het nodig is. Daar wordt ons werk uiteindelijk op beoordeeld.

Binnen het district Sittard, en het toekomstige basisteam Westelijke Mijnstreek, wordt de noodhulp verzorgd door medewerkers uit de basiseenheden Sittard, Geleen en SBS. Prioriteit 1- en 2-meldingen worden uitgegeven via de meldkamer. Prioriteit 3- en 4-meldingen worden veelal lokaal uitgegeven en afgehandeld.

De vraag die centraal staat in dit document is eenvoudig:

Hoeveel politiecapaciteit bereikt uiteindelijk daadwerkelijk de straat?

Huidige situatie

De noodhulp is binnen de organisatie geborgd volgens de uitgangspunten van het gebiedsgebonden werken. Daarbij zijn afspraken gemaakt over gebiedsdekking, bereikbaarheid en maximale aanrijtijden.

Het uitgangspunt is dat er geen vaste noodhulpteams zijn. De noodhulp wordt geleverd door medewerkers uit de basiseenheden. De operationele verantwoordelijkheid ligt tijdens de dienst bij de lokale leiding, ondersteund door de operationele lijn.

Binnen de basiseenheid Sittard-Born wordt momenteel gewerkt met een 24-uurs noodhulpinzet. Gedurende de dag-, avond- en nachtdienst staat een noodhulpsurveillance gepland. Daarnaast worden incidentenafhandelingsdiensten ingezet voor de afhandeling van minder spoedeisende meldingen.

Voor prioriteiten 3 en 4 worden, waar mogelijk, ook politiesurveillanten niveau 2 ingezet.

De dagelijkse praktijk

Op papier lijkt de beschikbare capaciteit overzichtelijk. In de praktijk wordt dezelfde capaciteit aangesproken voor een groot aantal verschillende taken.

Een politiemedewerker kan echter maar één keer worden ingezet.

Een collega die bezig is met intake, evenementenzorg, overleg, opleiding, protocolwerk of een administratieve verplichting is op dat moment niet beschikbaar voor noodhulp op straat.

Dat is geen verwijt aan die werkzaamheden. Veel van deze taken zijn noodzakelijk. Het probleem ontstaat wanneer de optelsom ervan ertoe leidt dat de noodhulpcapaciteit onder druk komt te staan.

Factoren die capaciteit beïnvloeden

Naast de reguliere noodhulpverlening heeft de politie dagelijks te maken met:

ziekteverzuim;

re-integratietrajecten;

detacheringen;

opleidingen en e-learning;

intake en publieksvoorziening;

evenementen;

wijkgebonden werkzaamheden;

overlegstructuren;

wettelijke verplichtingen;

protocollen en samenwerkingsafspraken;

verlof en vakantieperiodes;

leeftijdsgebonden inzetbaarheid;

districtelijke en regionale projecten.

Daarnaast leggen maatschappelijke ontwikkelingen steeds meer beslag op de beschikbare capaciteit. Denk aan GGZ-problematiek, complexe zorgmeldingen, veranderende wetgeving en toenemende verwachtingen vanuit de samenleving.

Knelpunten

De noodhulp vormt het fundament van de operationele politiezorg. Juist daarom moet kritisch worden gekeken naar werkzaamheden die niet rechtstreeks bijdragen aan de afhandeling van prioriteit 1- en 2-meldingen.

De vraag is niet of deze werkzaamheden belangrijk zijn. De vraag is of zij uitgevoerd moeten worden door dezelfde capaciteit die ook verantwoordelijk is voor de noodhulp.

Bij ernstige incidenten wordt deze kwetsbaarheid direct zichtbaar.

Een schietincident, een dodelijk geweldsdelict of een grootschalige calamiteit kan ertoe leiden dat meerdere surveillances langdurig worden vastgelegd. De beschikbare capaciteit voor de reguliere noodhulp neemt daardoor direct af, terwijl de vraag vanuit de samenleving onverminderd doorgaat.

Mogelijke oplossingen

Om de operationele slagkracht van de noodhulp te vergroten kunnen verschillende maatregelen worden overwogen.

Centrale uitgifte prioriteit 3 en 4

Door prioriteit 3- en 4-meldingen via de meldkamer uit te geven, kan lokaal capaciteit worden vrijgemaakt die vervolgens beschikbaar komt voor operationele inzet op straat.

Herziening incidentenafhandeling

De huidige dag- en late incidentenafhandelingsdiensten kunnen mogelijk parallel worden gepland aan de noodhulpinzet of gedeeltelijk worden gelabeld als noodhulpcapaciteit.

Benutten restcapaciteit

Binnen bestaande functies kan worden onderzocht welke capaciteit tijdens bepaalde uren beschikbaar is voor ondersteuning van de noodhulp.

Nachtelijke openstelling bureaus

Indien intake- en publieksfuncties gedurende de nacht worden aangepast of gecentraliseerd, ontstaat aanvullende inzetbaarheid voor operationeel politiewerk. Een dergelijke keuze vraagt vanzelfsprekend bestuurlijke besluitvorming.

Voorkeursrichting

De voorkeur gaat uit naar een model waarbij de beschikbare capaciteit zoveel mogelijk wordt ingezet voor de primaire taak van de noodhulp.

Uitgangspunt daarbij is:

maximale inzetbaarheid op straat;

behoud van gebiedsdekking;

behoud van aanrijtijden;

voldoende back-up capaciteit;

flexibiliteit bij calamiteiten en grootschalige incidenten.

Een dagelijkse reserve- of back-upfunctie blijft daarbij noodzakelijk.

Gezien de uitbreiding van de horeca-uren en de toenemende belasting van de nachtelijke uren verdient een dubbele nachtinzet nadrukkelijk aandacht.

Resultaten

Met een sterker op de noodhulp gerichte organisatie kunnen de volgende resultaten worden bereikt:

een effectievere noodhulpfunctie;

betere beschikbaarheid van surveillances;

grotere operationele slagkracht;

betere opvang van calamiteiten en crises;

meer zichtbare politie-inzet.

Beoogde effecten

Voor de burger moet uiteindelijk zichtbaar zijn dat de politie aanwezig is wanneer het ertoe doet.

De beoogde effecten zijn:

meer vertrouwen in de beschikbaarheid van de politie;

meer vertrouwen in de opvolging van meldingen;

een grotere meldingsbereidheid;

meer zichtbare politie op straat;

meer mogelijkheden voor heterdaadoptreden.

Slotbeschouwing

We kunnen blijven schuiven met roosters, functies en organisatiestructuren. Uiteindelijk blijft één vraag bepalend:

Komt er politie wanneer de burger haar nodig heeft?

De noodhulp is en blijft het visitekaartje van de politieorganisatie. Iedere keuze die wordt gemaakt ten aanzien van capaciteit zou daarom eerst langs die eenvoudige toets gelegd moeten worden.

Wat niet bijdraagt aan de beschikbaarheid van de noodhulp vraagt om een bewuste afweging. Niet omdat andere taken onbelangrijk zijn, maar omdat de burger mag verwachten dat er iemand komt wanneer hij belt.


Immitatievuurwapens, het verschil tussen nep en echt blijkt pas achteraf

Imitatievuurwapens, een drieluik tussen realiteit, fictie en wrange werkelijkheid

Imitatievuurwapens. Films, series, computerspellen en sociale media staan er bol van. Ze worden getoond als spannend, stoer of zelfs aantrekkelijk. Wie er vaak genoeg naar kijkt, vergeet soms dat achter die plastic of metalen replica's een gevaarlijke werkelijkheid schuilgaat.

Want voor degene die in de loop kijkt, bestaat het verschil tussen echt en nep vaak pas achteraf.

De media smullen ervan. De held draagt een pistool, de schurk nog een groter exemplaar en de spanning stijgt met iedere trekker die wordt overgehaald. Wat op een beeldscherm entertainment is, kan in de echte wereld echter leiden tot angst, geweld, levenslange trauma's of zelfs dodelijke gevolgen.

De navolgende drie incidenten, casussen of verhalen zo u wilt, spelen zich af op dezelfde zondag ergens in augustus, vele jaren geleden. Realiteit, fictie en wrange werkelijkheid lopen daarbij opvallend door elkaar heen.

Incident 1

Soms heb je van die dagen waarop schijnbaar onbelangrijke zaken alle aandacht opeisen. Een rustige zondagochtend. Tot er een melding binnenkomt van een verontruste flatbewoner. Door zijn keukenplafond sijpelt water naar beneden. Zijn woning dreigt langzaam te veranderen in een natte moesson.

Uit veiligheidsoverwegingen ga ik samen met enkele collega's naar het adres. De bovenwoning blijkt bewoond te worden door iemand die al jarenlang bekend is binnen het hulpverleningscircuit. Onlangs heeft hij nog contact gehad met de politie nadat hij in overspannen toestand met een zwaard in het openbaar had rondgelopen. Gelukkig vallen daarbij geen gewonden.

Verleden gedrag biedt echter geen garantie voor de toekomst. Daarom laten wij gezond verstand en veiligheid voorgaan. Gelukkig kunnen wij daarbij putten uit eerdere situatierapportages.

Bij de benedenbuurman constateren we inderdaad een lekkage. Vervolgens gaan we naar de bovenwoning. De deur blijft gesloten. Op aanbellen wordt niet gereageerd. Mogelijk ligt de bewoner onwel binnen.

Onze vrienden van de brandweer openen uiteindelijk de woning. Een nieuwe alles-cutter doet in enkele ogenblikken wat de politiestormram niet voor elkaar krijgt. De weerbarstige, norse deur geeft zich uiteindelijk gewonnen. Het bijkomende voordeel is dat de halve galerij meteen wakker is.

Binnen treffen we gelukkig niemand aan. De lekkage blijkt veroorzaakt te worden door een kraan die nog openstaat.

Tijdens de zoektocht door de woning valt ons oog op een geopende sporttas in een slaapkamer. Daarin liggen vier vuurwapens en andere wapens die niet van echt te onderscheiden zijn.

Voor de gemiddelde burger lijken het echte wapens. Voor een politieagent eveneens. En juist daarin schuilt het gevaar.

Wordt een dergelijk voorwerp plotseling op een agent of burger gericht, dan moet in een fractie van een seconde een beslissing worden genomen. Niemand krijgt dan de tijd om eerst rustig te onderzoeken of een pistool echt of nep is.

De wapens worden in beslag genomen. Onderzoek en verhoor volgen later.

De druppende kraan wordt die ochtend snel gedicht. De juridische kraan tussen huurder en woningcorporatie zal vermoedelijk nog geruime tijd blijven nadruppelen.

Incident 2

Later die dag lees ik over een incident in Den Bosch.

Daar houdt de politie een verwarde man aan nadat hij twee vuurwapens op het hoofd van een agent richt en beide wapens afdrukt.

Achteraf blijken de wapens ongeladen of defect.

Achteraf.

Dat woord maakt echter weinig verschil voor de betrokken agent.

Want wanneer iemand twee vuurwapens op je hoofd richt en tweemaal de trekker overhaalt, denk je niet aan technische mankementen. Je denkt aan je partner, je kinderen, je ouders. Je denkt dat dit mogelijk de laatste minuut van je leven is.

Onwillekeurig komt de beruchte scène uit The Deer Hunter in gedachten, waarin Russische roulette wordt gespeeld. Een huiveringwekkend beeld.

Omstreeks vijf uur 's middags ontvangen agenten een melding van een burenruzie. Bij aankomst zien zij via een openstaande voordeur een man met twee kennelijke vuurwapens.

De verdachte weigert bevelen op te volgen, verdwijnt naar binnen en verschijnt later opnieuw. In een split second richt hij beide wapens op een agent en haalt de trekkers over. Klik. Klik. Geen schot. Geen kogel. Geen overlijdensbericht aan de familie.

De verdachte wordt direct overmeesterd.

De betrokken agenten worden later opgevangen door het Bedrijfsopvang Team. Een uitstekend protocol, want pas na afloop dringt vaak volledig door wat er had kunnen gebeuren.

Voor politiemensen behoort het gebruik van hun vuurwapen tot de zwaarste beslissingen die zij ooit moeten nemen. Wanneer iemand een vuurwapen trekt dat niet van echt te onderscheiden is, bestaat er op dat moment geen verschil tussen echt en nep.

Een imitatiewapen is pas nep wanneer achteraf blijkt dat het nep was.

Onderzoeken naar politiegeweld of schietincidenten kunnen bovendien een zware wissel trekken op de betrokken collega's en hun gezinnen. Verhoren, onderzoeken, het tijdelijk inleveren van het dienstwapen en langdurige onzekerheid zijn vaak onderdeel van het traject.

Incident 3

Alsof de dag nog niet genoeg vuurwapens had voortgebracht, zie ik diezelfde avond als klap op de vuurpijl ook nog een film op televisie."

Daarin ontvoert een overspannen vader zijn minderjarige dochter. De politie treft hem aan bij een beekje waar hij samen met haar bij een kampvuur zit.

Tijdens de confrontatie trekt hij een vuurwapen dat niet van echt te onderscheiden is. Eerst bergt hij het weer op. Even later haalt hij het opnieuw tevoorschijn.

Hij richt het op een politieman. De hamer wordt gespannen. Klik. Klik. Het is fictie. Maar de spanning voelt echt.

Plotseling begrijp ik nog beter wat er door het hoofd van die agent in Den Bosch moet zijn gegaan.

Moraal

De media smullen van vuurwapens. Films, series, videobeelden en sociale media maken ze spannend, stoer en aantrekkelijk. Onbedoeld raken mensen daardoor soms verleid om zelf ook zo'n voorwerp aan te schaffen.

Maar een imitatiewapen is geen speelgoed.

Het vuurt misschien geen kogels af, maar kan wel degelijk levens ontwrichten. Niet omdat het echt is, maar omdat niemand op het beslissende moment kan weten dat het nep is.


Wie een dergelijk wapen trekt, speelt Russische roulette met de angst van een ander. Soms ook met zijn eigen leven.

Daarom zijn dergelijke wapens in Nederland verboden, behoudens enkele wettelijk gereguleerde uitzonderingen zoals airsoft.

"Het was maar nep."

Dat is achteraf vaak een bijzonder schrale constatering.


donderdag 11 juni 2026

Kantelen in the Sky


Kantelen in the Sky

Intro: Dit verhaal is wellicht minder een klassiek politieverhaal en meer een beschouwende momentopname uit een roerige periode binnen de politieorganisatie. Geen achtervolging, melding of aanhouding als rode draad, maar een inkijk in de sfeer, vermoeidheid, loyaliteit en kameraadschap tijdens de jaren van reorganisaties, systemen, werkdruk en voortdurende veranderingen.

Achteraf voelt het bijna documentair aan. Niet geschreven vanuit verbittering of rancune, maar vanuit betrokkenheid bij het vak en de mensen die het dragen. Want ondanks alle bureaucratie, veranderingen en soms absurde processen, bleven politiemensen uiteindelijk gewoon doen wat zij altijd deden: er staan voor anderen én voor elkaar.

Misschien maakt dat achteraf dat deze periode bijzonder is. “Opvallend genoeg denk ik hier in 2026 nog exact hetzelfde over als toen in 2016"

Met een tekening ben je soms sneller klaar dan met duizend woorden. Een plaatje, een praatje, een daadje, iedereen kent het wel. Misschien lukt het mij daarom ook beter om de tekening van Jan the Artist+ te verbinden aan de politieorganisatie zoals wij die dagelijks proefondervindelijk voorgeschoteld krijgen. Een organisatie die soms stevig overeind staat als een oud kasteel met dikke muren en vier trotse kantelen, maar soms ook aandoet als een bouwpakket waar onderweg een handleiding, een schroef en hier en daar wat gezond verstand verloren zijn gegaan.

Ons kasteel heet B.T.W.M. (basis team westelijke mijnstreek)

Vier letters die jarenlang hebben gestaan voor betrokkenheid, kameraadschap, inzet en het bekende vermogen van politiemensen om onder druk gewoon dóór te blijven gaan. Niet met grote woorden of borstklopperij, maar met nachtdiensten, koude koffie, zwarte humor en collega’s die elkaar feilloos aanvoelen zonder daar eerst drie formulieren voor te hoeven invullen.

Of zoals we in Zitterd zeggen: Alles kump good.

Alleen voelt de tegenstander van tegenwoordig anders dan vroeger. Die draagt geen bivakmuts meer, loopt niet met opgeheven vuisten op ons af en kondigt zichzelf al helemaal niet netjes aan. Nee, de vijand van nu kruipt langzaam tussen roosters, regels, ATW-discussies, mailboxen en systemen die ooit bedacht zijn om het werk makkelijker te maken, maar er opvallend vaak in slagen politiemensen nog langer achter een beeldscherm vast te zetten. Soms moet je drie keer inloggen om uiteindelijk vast te stellen dat het systeem eruit ligt. Dat soort humor schrijft zichzelf inmiddels bijna.

Het vreemde is misschien nog wel dat een deel van die druk uit onze eigen organisatie voortkomt. Ooit begon alles waarschijnlijk met goede bedoelingen, structuur en overzicht, maar zoals dat vaker gaat binnen grote organisaties kwam er steeds weer een laag bovenop. Nog een protocol erbij, nog een overlegstructuur erbij, nog een registratiesysteem erbij, totdat niemand meer precies weet waar de fundering van het kasteel ophoudt en de bureaucratie begint.

Ondertussen dendert het echte werk buiten gewoon door. Meldingen, agressie, huiselijk geweld, verdriet, ongevallen en mensen die op de slechtste momenten van hun leven tegenover politiemensen komen te staan. En ergens tussendoor staat dan die collega die na een heftig incident schouderophalend zegt dat het “wel gaat”, terwijl eigenlijk iedereen ziet dat het helemaal niet goed gaat.

Niet alle verwondingen zijn zichtbaar. Een gebroken been zie je meteen, maar een overbelast hoofd vaak pas als iemand al maandenlang op zijn tandvlees loopt. Zelfs bedrijfsartsen zien het venijn van een burn-out niet altijd aankomen, mede omdat politiemensen kampioen zijn in doorgaan. Nog één dienst draaien. Nog één weekend werken. Nog één nachtrit. Tot ergens diep vanbinnen langzaam een lampje begint te knipperen.

En toch zie ik op de eerste verdieping van ós burooke ook iets moois ontstaan. Daar liggen de witte vellen papier waarop namen, keuzes, samenwerkingen en verschuivingen worden ingevuld. Op het eerste gezicht lijken het slechts papieren met wat zwarte kriebelletters, maar tussen die namen lees je veel meer dan alleen een rooster of clusterindeling. Je ziet betrokkenheid, loyaliteit en politiemensen die ondanks alles nog steeds bereid zijn gaten voor elkaar dicht te lopen. Communicerende vaten, niet omdat een beleidsstuk dat zo voorschrijft, maar omdat politiewerk uiteindelijk gewoon mensenwerk blijft.

Natuurlijk schuurt het geregeld stevig. Nieuwe korpschefs lossen oude af, terwijl de oude soms als adviseur blijven hangen met een salaris waarvan menig diender spontaan een extra nachtdienst zou moeten draaien. Bezuinigingen blijven als donkere wolken boven het kasteel hangen en sommige vergaderingen over efficiëntie worden gevoerd door mensen die vermoedelijk al jaren geen straat meer hebben gezien buiten het raam van hun leaseauto. Soms voelt bureaucratie daadwerkelijk alsof je door nat cement probeert te sprinten.

Maar ondanks alles blijft die thin blue line bestaan. Brothers and sisters die onderling best kunnen botsen, mopperen of elkaar voor gek verklaren, maar buiten zonder enige twijfel naast elkaar staan zodra het spannend wordt. Dat blijft misschien wel het mooiste en sterkste onderdeel van politiewerk.

Want onder alle reorganisaties, managementtaal, beleidsstukken en systemen blijft de politie uiteindelijk iets heel eenvoudigs: mensen die andere mensen proberen te helpen op momenten dat het leven volledig uit de bocht vliegt.

En ja, soms zijn wij als organisatie ook gewoon een smeuïge gatenkaas, maar wel eentje waarbij de gaten opvallend vaak worden dichtgelopen door mensen die officieel eigenlijk al overbelast zijn.

Misschien is dat wel onze grootste kracht.

Onder druk wordt veel vloeibaar en heel soms ontstaat er tussen alle ellende ineens een diamant.

Nederland krijgt uiteindelijk de politie die zij verdient.

En die politie, dat zijn wij.

Ook in Zitterd. 👊

maandag 1 juni 2026

Kattenkwaad










Een artikel in De Limburger over een woning vol katten triggert direct een herinnering. In gedachten rijd ik weer naast collega Jan tijdens een groepssurveillance bij de Plisse in Born, in een kerkdorp dichtbij de Grensmaas, met uitzicht op België.

Een melding doet ons stoppen bij een adres dat binnen het korps genoegzaam bekend is. De reden van de melding is eenvoudig: een penetrante ammoniaklucht die opnieuw voor klachten uit de buurt zorgt.

Wij zijn niet de eersten die hier komen en zullen waarschijnlijk ook niet de laatsten zijn. Het verhaal speelt zich af in de beginjaren tachtig, een tijd waarin de politie vaak als eerste én soms bijna als enige overheidsinstantie op dit soort problematiek afkwam. Niet omdat wij daarvoor waren opgeleid, maar omdat wij nu eenmaal dag en nacht bereikbaar waren.

De geschiedenis van dit adres staat al uitgebreid beschreven in onze systemen. De daadwerkelijke regie ligt eigenlijk bij zorginstanties en woningcorporatie als het gaat om vervuiling, dierenwelzijn en woonoverlast. Toch bellen wij opnieuw aan.

De deur wordt geopend door een grote man op leeftijd. Forse handen, een verweerd gezicht en een uiterlijk dat doet denken aan een cowboy die al jaren geen badkamer van binnen heeft gezien. Hij roept bij mij onmiddellijk een scène op uit een oude film van Terence Hill. Na een zeldzaam bad trekt hij daar doodleuk weer dezelfde smerige, stoffige kleren aan.

Zijn gebit lijkt op dat van een bokser die een zware aframmeling heeft gehad en daarbij de halve inhoud van zijn mond in de ring heeft achtergelaten. Zijn spraak is moeilijk verstaanbaar. Een kunstgebit zou hier waarschijnlijk meer op zijn plaats zijn dan een woordenboek. Maar achter dat uiterlijk schuilt vooral een man die al jarenlang wordt ingehaald door psychische en lichamelijke problemen.

Binnen slaat de lucht direct op de ademhaling. De woning is vochtig, tochtig, nattig en benauwend. Onze ogen beginnen vrijwel meteen te tranen. Het lijkt alsof de katten de gehele woning als kattenbak gebruiken. Kattenbakken zelf zijn nergens te bekennen.

Overal lopen katten. Op kasten, stoelen, tafels, vensterbanken en aanrechtbladen. Het zijn er zoveel dat tellen nauwelijks zin heeft. Een voordeel heeft het kennelijk wel: van muizen- of rattenoverlast lijkt geen sprake. Met zoveel dakhazen in dienst waagt geen enkele knager zich vrijwillig aan een carrière op dit adres.

Collega Jan neemt geduldig een verklaring op. Woord voor woord noteert hij wat de bewoner vertelt. Voor mij klinkt het als een onsamenhangende stroom van gedachten waarin werkelijkheid, herinnering en fantasie moeiteloos door elkaar lopen. Achter ieder antwoord hoor ik eigenlijk maar één boodschap: een stille schreeuw om hulp.

Ik herinner me nog goed dat op tafel een sprei lag die net zo vochtig aanvoelde als de stoel waarop Jan plaatsnam. Alles in huis leek klam. Alsof de woning langzaam oploste in haar eigen vocht en verval.

Na afloop doen wij wat we al zo vaak hebben gedaan. We adviseren, rapporteren en geven de situatie door aan de instanties die tijdens kantooruren verantwoordelijk zijn voor verdere zorg en begeleiding.

Daarna verlaten we de tussenwoning.

Met het onbevredigende gevoel dat we opnieuw getuige zijn geweest van menselijk verval zonder werkelijk iets te kunnen veranderen. Soms is de politie niet meer dan een doorgeefluik tussen nood en hulp. En soms voelt dat als veel te weinig.

Epiloog

Terug in de dienstauto draaien we de ramen handmatig open. Elektrische ramen zijn in die tijd blijkbaar nog toekomstmuziek binnen de politieorganisatie. De frisse buitenlucht stroomt gul naar binnen, maar de kattengeuren, ammoniakdampen en overige biologisch actieve bestanddelen laten zich niet zomaar verjagen.

Die zitten inmiddels diep genesteld in onze neusvleugels. Waarschijnlijk met een huurcontract voor onbepaalde tijd.

Onze uniformen zijn toe aan een wasbeurt van olympisch niveau.

Collega Jan begint onderweg plotseling driftig aan zijn rechteronderarm te krabben. Hij rolt zijn hemdsmouw omhoog. De huid is vuurrood en geïrriteerd. Waarschijnlijk een souvenir van de vochtige tafelsprei waarop hij tijdens het opnemen van de verklaring zijn arm had laten rusten. Dezelfde sprei die door de katten kennelijk was aangewezen als officiële uitlaatlocatie.

Ik kijk naar mijn eigen handen, net uit in mijn broekzakken gehaal. Schoon en reukloos. Soms is alertheid gewoon een onderschatte vorm van risicobeheersing.

De woningcorporatie en hulpverlenende instanties pakken de casus uiteindelijk op. Zoals zo vaak volgen gesprekken, plannen, evaluaties en goede bedoelingen. Even lijkt er verbetering te ontstaan.

Maar helaas.

Sommige dossiers hebben meer levens dan de katten die erin voorkomen.

Vele jaren later komen er opnieuw meldingen vanaf hetzelfde adres. De oorspronkelijke grijze cowboy woonr er niet meer. Nieuwe hoofdrolspelers hebben er hun intrek genomen.

De problemen zijn echter opmerkelijk trouw gebleven.

Deze keer geen twintig katten, maar vijf honden. Geen gemiauw, maar onafgebroken geblaf. Geen kattenpis, maar een betegelde achterplaats die eruitziet als een mijnenveld van hondendrollen gemaskeerd met een reukgordijn.

De stank is gebleven. De overlast ook. De geschiedenis herhaalt zich. Zij het met een andere cast.

En zoals gebruikelijk wijst iedereen naar dezelfde verdachten

De politie en de zon.

Want zonder die ontembare zonnestralen zou de geur natuurlijk nooit de kans krijgen zich met zoveel enthousiasme door de wijk te verspreiden.

Soms denk ik dat de zon meer processen-verbaal verdient dan menig veelpleger.

Toch is er in al die jaren ook iets veranderd.

Waar de politie begin jaren tachtig vaak noodgedwongen het eerste en belangrijkste vangnet vormde voor dit soort maatschappelijke problematiek, hebben zorginstanties, woningcorporaties en hulpverleners tegenwoordig gelukkig een veel grotere rol gekregen. Zoals het hoort.

Maar één ding blijft onveranderd.

Als eerste wordt nog altijd de politie gebeld.

En dus rijden agenten ook vandaag de dag nog naar meldingen waar achter stankoverlast, vervuiling, geluidshinder of verwaarlozing vaak een veel groter menselijk probleem schuilgaat.

Terugkijkend heb ik in dit soort zaken zelden iets zelf opgelost.

De politie beschikt immers niet over de middelen, bevoegdheden of deskundigheid om eenzaamheid, vervuiling, psychische problemen of maatschappelijke teloorgang te genezen.

Wat wij wel deden, was blijven signaleren. Blijven rapporteren. Blijven bellen. Blijven aandringen. Blijven aanklampen.

Net zolang totdat de instanties die daarvoor waren uitgerust hun verantwoordelijkheid konden nemen.

Soms voelde dat als dweilen met de kraan open. Soms leek het alsof dossiers eindeloos in kringetjes rondliepen.

Maar achteraf besef ik dat ook dát politiewerk was. Niet alles zelf oplossen.

Maar ervoor zorgen dat een probleem niet langer genegeerd kon worden.

De hoofdrolspelers wisselen. De honden vervangen de katten. De jaren verstrijken. Maar sommige verhalen weigeren simpelweg het toneel te verlaten.

En wij? Wij rijden weer verder naar de volgende melding. Met open ramen.

En een gezonde dosis wantrouwen jegens tafelspreien.

Ps: Kamer bezorgd over stijgend aantal verwarde mensen en uitblijven van oplossingen - https://nos.nl/l/2609767