Translate

vrijdag 4 september 2026

Bewijs dat u geen robot bent

Ergens moet het allemaal begonnen zijn met een mens die dacht: dat moet gemakkelijker kunnen. Een nieuwsgierige uitvinder die niet tevreden was met hoe de wereld werkte en zich afvroeg of elektriciteit, beweging, licht of een andere natuurkracht niet zo kon worden gebruikt dat de mens er iets aan had. Gelukkig maar, want zonder die nieuwsgierigheid zaten we nu waarschijnlijk nog met een kaars naast de krant en mochten we zelf de koffiebonen fijnstampen. Alhoewel, sommige mensen zouden dat tegenwoordig waarschijnlijk weer duurzaam noemen.

Daar komt Magnus (comic strip) om de hoek kijken.

Magnus, de Robot Fighter, verscheen in 1963 en leefde in een toekomst waarin robots een groot deel van het menselijke leven hadden overgenomen. Werken, vervoeren, bewaken en allerlei andere taken werden door machines uitgevoerd. Magnus zag daarin niet alleen een leger metalen tegenstanders, maar vooral een mens die zijn eigen kracht en zelfstandigheid dreigde kwijt te raken.

En dus vocht Magnus.

Niet omdat iedere robot slecht was, maar omdat hij vond dat de mens mens moest blijven. Sterk, zelfstandig en in staat om zichzelf te redden wanneer de machine het een keer liet afweten.

Als je daar vandaag naar kijkt, wordt die oude strip ineens verdacht actueel. Wij hebben inmiddels geen robot nodig die ons letterlijk komt vertellen wat we moeten doen. We hebben een smartphone die onthoudt waar we zijn, een navigatiesysteem dat vertelt waar we heen moeten, een algoritme dat bepaalt wat we op internet te zien krijgen en kunstmatige intelligentie die inmiddels kan schrijven, rekenen, analyseren, adviseren en gezellig met ons kan kletsen.

Over robotmaaiers gesproken.

Daar hebben we misschien wel de meest onschuldige robotveroveraar van allemaal rondrijden. Vanuit zijn eigen kleine cave komt hij tevoorschijn zodra hij vindt dat het gazon weer aandacht nodig heeft. Geen koffie, geen pauze, geen vakantie, geen cao en vooral geen discussie over arbeidsomstandigheden. Hij rijdt zijn rondjes en maait alles wat boven de door de mens ingestelde grens uitkomt.

Een grasspriet van vier centimeter? Overtreding. Een paardenbloem die het waagt zijn kop boven het maaiveld uit te steken? Geen pardon.

Een stukje gras dat zich niets aantrekt van de menselijke behoefte aan een strak gazon? Binnen de kortste keren verdwenen. De robotmaaier heeft geen hekel aan de natuur. Hij heeft alleen een opdracht. En daar zit misschien precies de clou.

De mens heeft machines gemaakt die geen eigen mening nodig hebben om hun werk uitstekend te doen.

Dat geldt inmiddels ook voor drones. Die vliegen boven bosbranden om hulpdiensten te helpen zien waar het vuur zich verspreidt, worden ingezet bij zoekacties en politiewerk en kunnen plaatsen bereiken waar een mens moeilijk of gevaarlijk kan komen. Tegelijkertijd zien we in oorlogen hoe dezelfde technologie verandert in een instrument voor verkenning en vernietiging. Eén technisch wonder, verschillende toepassingen, afhankelijk van de mens die aan de knoppen zit.

Want hier komt George Orwell weer binnenlopen.

Orwell waarschuwde in zijn boek met de titel 1984 gepubliceerd in 1949 niet voor een robotmaaier die zijn gazon te kort knipt, maar voor een samenleving waarin macht, informatie, toezicht en taal gebruikt kunnen worden om mensen te beïnvloeden en te controleren. Dat is een ander soort robotisering. 

Niet de machine die het lichaam overneemt, maar de mens die langzaam zijn eigen oordeel uit handen geeft.

En dat is misschien wel de interessantste robot van allemaal. De mens die zelf gaat functioneren als een robot.

Niet omdat hij van staal is gemaakt, maar omdat hij alleen nog maar doet wat hem wordt verteld. Niet meer nadenkt, niet meer twijfelt en vooral niet meer vraagt waarom. Gewoon de opdracht uitvoeren, de juiste knop indrukken en vervolgens tevreden vaststellen dat iedereen hetzelfde heeft gedaan.

Magnus zou daar waarschijnlijk behoorlijk zenuwachtig van worden.

Hij vocht immers tegen robots om de mens vrij en zelfstandig te houden, terwijl wij tegenwoordig vrijwillig allerlei systemen binnenhalen die voor ons denken, onthouden, zoeken, rijden, maaien, communiceren en zelfs onze koffie zetten.

Ja, zelfs de koffie.

Mijn eerste bak wordt tegenwoordig door een machine gezet. Ik hoef alleen nog maar op een knop te drukken en even later staat daar het zwarte levenselixer klaar. Als Magnus dat had gezien, had hij waarschijnlijk niet eens zijn vuisten gebald. Hij had eerst gewoon een kop koffie genomen.

En daar komt nog een wonderlijke uitvinding bij: de elektrische step en zijn forse evenknie, de fatbike.

De mens heeft miljoenen jaren benen ontwikkeld om zich voort te bewegen en heeft daarna een elektromotor bedacht om die benen vooral zo weinig mogelijk te hoeven gebruiken. De elektrische step brengt ons zonder noemenswaardige inspanning naar de overkant van de straat en de fatbike ziet eruit alsof hij rechtstreeks uit een poolexpeditie komt, terwijl hij in de praktijk ook uitstekend geschikt is om met elektrische ondersteuning een stukje verderop een broodje te halen.

Magnus zou waarschijnlijk vragen waar onze benen gebleven zijn.

We zouden hem uitleggen dat ze er nog wel zitten, maar dat ze tegenwoordig vooral handig zijn om op de step te blijven staan.

En zo wordt de wereld langzaam een merkwaardige combinatie van gemak, techniek en afhankelijkheid. Tesla gaf ons mogelijkheden die zijn tijd ver vooruit waren, Magnus waarschuwde voor een mens die door machines afhankelijk zou worden, Orwell waarschuwde voor controle over informatie en het menselijk denken, The Terminator maakte er in 1984 een nachtmerrie van waarin machines uiteindelijk hun eigen oorlog tegen de mens voeren en wij zitten in 2026 rustig tussen de koffie, drones, AI, smartphones, elektrische fietsen en robotmaaiers.

Daarbij hoeven we helemaal niet bang te zijn voor iedere nieuwe uitvinding. Integendeel. Technologie kan levens redden, mensen helpen, gevaarlijk werk overnemen en ons mogelijkheden geven waarvan vorige generaties alleen maar konden dromen.

Maar misschien moeten we af en toe wel even stoppen met vragen wat de machine allemaal voor ons kan doen en ons afvragen wat wij zelf nog willen blijven doen.

Want als een machine voor ons rijdt, vliegt, rekent, schrijft, zoekt, maait, koffiezet en denkt, blijft er uiteindelijk één belangrijke taak over.

Zelf nadenken.

En zelfs dat kunnen we tegenwoordig uitbesteden.









Als de werkelijkheid sneller gaat dan de wetgeving

Het incident in Overasselt roept terecht vragen op over de verharding binnen de criminele wereld. Maar bij mij roept het ook een andere vraag op: hoe ver durven wij als overheid nog te denken wanneer de werkelijkheid sneller verandert dan onze wetgeving?

Als iets niet letterlijk bij wet is geregeld, lijkt tegenwoordig al snel de conclusie te zijn dat er dus niets kan of mag. Daar ben ik het niet mee eens. Niet omdat de politie buiten de wet moet gaan opereren, integendeel. Juist niet. Maar omdat er binnen bestaande bevoegdheden, wetmatigheden en rechtsbeginselen vaak meer ruimte zit dan we denken.

De politie hoeft niet bij ieder nieuw maatschappelijk probleem te wachten totdat Den Haag er een nieuw wetsartikel voor heeft geschreven. De werkelijkheid houdt zich daar immers ook niet aan. Criminelen vragen geen toestemming aan de wetgever voordat zij nieuwe methoden, technieken of samenwerkingsverbanden bedenken.

Blijf dus vooral kleuren binnen én op de randen van het bestaande juridische kader. Niet om de wet te omzeilen, maar om de bedoeling ervan serieus te nemen. Menselijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en maatschappelijke veiligheid zijn óók onderdelen van onze rechtsstaat.

Daarbij kunnen politie en OM juist door nieuwe werkwijzen, zorgvuldig gemotiveerd optreden en toetsing door de rechter nieuwe jurisprudentie laten ontstaan. Niet iedere nieuwe situatie hoeft onmiddellijk in een apart wetsartikel te worden dichtgetimmerd. We hebben wetten genoeg; het probleem is soms eerder dat we ze te letterlijk en te voorzichtig gebruiken.

En als blijkt dat bestaande wetgeving werkelijk tekortschiet, dan moet de wetgever bijstellen. Niet omdat de werkelijkheid zich aan de wet moet aanpassen, maar omdat goede wetgeving de werkelijkheid moet kunnen blijven volgen.

Zelfs het EVRM is geen museumstuk. Ook daar hoort een voortdurende zoektocht bij naar de juiste balans tussen individuele rechten en de veiligheid van de samenleving. Rechtsontwikkeling hoort immers bij een levende rechtsstaat.

Misschien komt mijn gedachte hierover ook ergens anders vandaan.

Jaren geleden tijdens mijn RID periode, woonde ik in hartje Londen een lezing bij van Scotland Yard. Een van de onderwerpen was het toen steeds radicaler wordende Animal Liberation Front. Activisme dat inmiddels ver over de grens van demonstreren en protesteren heen was gegaan. Ondergronds werden zelfs mensen vastgeketend aan zware machines, met het doel dat zij bij het verplaatsen ervan zouden worden meegesleurd of verpletterd. Fanatisme kent blijkbaar ook een ondergrens waar je vervolgens gewoon doorheen kunt zakken.

Maar wat mij van die lezing vooral is bijgebleven, was iets anders. De spreker was bepaald geen liefhebber van bibliotheken die uitpuilden van de wetboeken. Hij zei, vrij vertaald:

Het gaat niet alleen om welke wetten je hebt, maar vooral om wat je ermee doet en hoe je ze inzet.

Die zin is mij nooit meer ontschoten.

Misschien is dat precies waar we vandaag opnieuw naar moeten kijken. We hoeven niet voor ieder nieuw maatschappelijk of crimineel verschijnsel een nieuwe wet te bouwen. We hebben inmiddels genoeg wetboeken om menig boekenkast door zijn hoeven te laten zakken.

Wat we nodig hebben, is het vermogen om bestaande wetgeving mee te laten bewegen met een veranderende werkelijkheid. Soms door anders te kijken, soms door grenzen opnieuw te verkennen en soms door een wettelijke bepaling zorgvuldig te finetunen.

Want wetgeving hoort geen mausoleum te zijn waarin oude bedoelingen keurig geconserveerd liggen. Het is gereedschap. En gereedschap is pas waardevol als je weet wanneer je welke sleutel, hamer of schroevendraaier moet pakken.

Daarbij blijft voor mij één ding overeind: niet buiten de rechtsstaat treden, maar binnen de rechtsstaat blijven zoeken naar ruimte om haar doel te bereiken.

De samenleving verandert. Criminaliteit verandert. Technologie verandert. Dan mag onze manier van kijken naar wetgeving dat ook doen.

Niet méér wetten om onze onzekerheid te bedekken.

Wel beter gebruikmaken van de wetten die we al hebben. En waar het echt nodig is: een kleine aanpassing aan de werkelijkheid van vandaag.

Want uiteindelijk gaat het inderdaad niet om hoeveel wetboeken er in de kast staan.

Het gaat erom wat je ermee doet.