Translate

maandag 17 augustus 2026

😵‍💫 Mike Foppen toch! Sterkte jongen👍👊💙

Het spijkerbed van de topsport

Soms voelt topsport aan als spitsroeden lopen. Op het eerste moment snap ik Mike Foppen niet. Je loopt vierde op een EK, je bent nog volop in de wedstrijd en dan stap je uit. Mijn eerste gedachte is dan ook niet bepaald mild: ga ervoor, man. Je bent toch niet voor niets daar.

Maar achteraf denk ik er anders over.

Want iedere sporter die ooit serieus een wedstrijd heeft gedaan, weet dat een wedstrijd niet alleen wordt uitgevochten tegen een tegenstander, de klok of de afstand. Soms wordt de zwaarste wedstrijd gevoerd tussen je hoofd en je lichaam. Je hoofd wil door, maar je lichaam zegt dat het genoeg is. Of andersom. En soms werken ze allebei tegen je.

Fight, fright, flight. Vechten, verstarren of vluchten. Drie eenvoudige woorden voor een mechanisme dat helemaal niet zo eenvoudig is wanneer je er middenin zit.

Wanneer je als bokser de ring instapt, ben je voor mij al een winnaar. Niet omdat je de wedstrijd zeker gaat winnen, maar omdat je bereid bent het gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de judoka die de mat opstapt, de atleet die aan de start staat, de wielrenner die aan een klim begint of iedere andere sporter die zichzelf aan de wedstrijd uitlevert.

Want ga er maar aan staan.

Je voorbereiding moet goed zijn geweest. Je moet overtuigd zijn van jezelf, maar misschien heb je van nature al wat faalangst. En die faalangst is niet altijd negatief. Soms maakt spanning je juist scherper, alerter en gedrevener. Soms tilt diezelfde spanning je naar een niveau waarvan je vooraf niet wist dat je het bezat. Een zweem van bijna-verstandsverbijstering waarin ratio even naar de achtergrond verdwijnt en het lichaam het overneemt.

Soms legt het lichaam de stekker eruit.

Soms zet het de turbo aan.

De trainer staat langs de kant, de verwachtingen groeien, sociale media maken van iedere prestatie een oordeel en journalisten blijven aan je plakken. En als je helemaal pech hebt, zit de koning met zijn aanhang ook nog op de tribune. 😅

En dan moet jij presteren.

Niet één keer, maar steeds opnieuw. Want wanneer je eenmaal de status van topsporter hebt bereikt, moet je die status ook blijven waarmaken. Kwalificeren, presteren, opnieuw kwalificeren. Een maatschappelijke carrière staat misschien op een laag pitje, een gewone baan past niet meer in het schema en privé wordt er ook het nodige ingeleverd. Niet presteren voelt dan al snel als falen.

En juist daar wordt topsport keihard.

Wanneer je nog niets te verliezen hebt, kun je soms onbevangen lopen, slaan, fietsen of judoën. Maar zodra je iets hebt bereikt, ontstaat er ook iets anders: de angst om het weer kwijt te raken. Je loopt dan niet alleen vóór een medaille. Je loopt misschien ook tégen de gedachte dat je die medaille niet meer waard bent.

De baan blijft ondertussen gewoon dezelfde baan.

Maar voor de sporter kan die sintelbaan op een bepaald moment veranderen in een spijkerbed.

Dat weet iedere sporter. Misschien niet op hetzelfde niveau, maar wel uit eigen ervaring. Dat ene moment waarop je lichaam nog wel kan, maar je hoofd niet meer wil. Of je hoofd schreeuwt dat je door moet, terwijl je lichaam daar anders over denkt. En ondertussen kijkt de wereld toe.

Daarom begreep ik Foppen op het eerste moment niet.

Achteraf misschien wel iets beter.

Dat betekent niet dat ik weet wat er werkelijk in zijn hoofd of lichaam gebeurde. Dat weet alleen hij. Maar wij moeten misschien ook niet te snel oordelen over iemand die op een bepaald moment midden op dat spijkerbed staat.

Hij stapte uit. Hij had vrijwel meteen spijt.

En misschien was juist dat laatste wel het bewijs dat de wedstrijd voor hem nog lang niet voorbij was. De wedstrijd op de baan wel. Die in zijn hoofd duidelijk niet.

Maar topsport gaat uiteindelijk niet alleen over de top van de sport. Misschien begint de echte topsport wel daarbuiten, in het gewone leven. Ook daar kennen we spanning, faalangst, twijfel en momenten waarop hoofd en lichaam elkaar niet meer begrijpen. Ook daar vallen mensen. Soms hard.

Vallen, falen, opstaan en doorgaan. De baan, de ring en de judomat zijn slechts de zichtbare versie. De echte wedstrijd wordt vaak gespeeld waar niemand kijkt.

Door falen worden mensen gevormd. Niet omdat falen prettig is, maar omdat je er soms meer van leert dan van een overwinning. Het gaat niet om hoe vaak je valt. Het gaat erom dat je minstens één keer vaker opstaat dan dat je valt.

Die mensen noem ik helden.

De echte helden staan namelijk niet altijd in de spotlights. Vaak zijn ze onherkenbaar en ploeteren ze gewoon voort in hun bestaan, ten dienste van anderen. Een waar leger van grijze muizen die je pas echt mist wanneer ze er niet meer zijn, of wanneer je geen beroep meer op hen kunt doen.

De hulpverlener die komt wanneer iedereen weggaat. De politieman en brandweerman die doorgaan wanneer een ander stopt. De verpleegkundige die een nachtdienst draait terwijl de rest van Nederland slaapt. En de militair die niet alleen praat over onze vrijheid, maar bereid is haar daadwerkelijk te verdedigen.

Geen podium. Geen medaille. Geen miljoenenpubliek.

Maar wel iedere dag opnieuw aan de start.

Ook dat is topsport.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van topsport.

Na al dat denken, twijfelen, analyseren en presteren blijft er uiteindelijk misschien maar één opdracht over:

Just do it.

Maar eerst koffie. 😅☕️

zondag 16 augustus 2026

🖥 Alweer twee nieuwe wetten… en wie gaat ze uitvoeren?

Vanaf vandaag of binnenkort hebben we er weer twee wetten bij: de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Mooie namen, belangrijke onderwerpen en eerlijk is eerlijk: niemand zal ontkennen dat cyberaanvallen, sabotage en het uitvallen van vitale voorzieningen serieuze risico’s zijn.

Maar toch bekruipt mij een andere gedachte.

Alweer twee nieuwe wetten. Wat moeten we daar allemaal mee?

Want een wet maken is één ding. Er in de praktijk mee kunnen werken is iets heel anders.

Misschien moeten we daarom wat vaker kijken of bestaande wetten kunnen worden uitgebreid en aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. De samenleving verandert nu eenmaal voortdurend. Een rechtsstaat moet kunnen meebewegen met die werkelijkheid, zonder dat voor iedere nieuwe ontwikkeling meteen een nieuwe wet uit de Haagse wetgevingsfabriek komt rollen.

En daar zit voor mij ook een beetje de George Orwell van deze tijd.

Niet omdat Nederland ineens 1984 is geworden, maar omdat de digitale wereld ons steeds meer mogelijkheden geeft om mensen, organisaties en systemen te volgen, te registreren, te controleren en met elkaar te verbinden. Technologie kan ons enorm helpen, maar dezelfde technologie kan ook worden misbruikt.

En ondertussen groeit er een leger van digitale belagers dat met een laptop, wat kennis en kennelijk vooral veel vrije tijd complete systemen kan proberen te ontregelen. Een ziekenhuis, gemeente, bedrijf, politieorganisatie of vitale voorziening kan digitaal worden aangevallen zonder dat de dader ooit fysiek in de buurt is geweest.

Dat is een nieuwe werkelijkheid.

Maar daar staat wel een andere werkelijkheid tegenover.

Nederland vergrijst. De politie vergrijst. En niet iedere burger is opgegroeid met een toetsenbord onder zijn neus.

We hebben nog steeds mensen die prima met een telefoon kunnen bellen, maar bij het woord app eerst denken dat het om appelmoes gaat. Digibeten, ouderen en mensen die simpelweg niet kunnen of willen meegaan in de digitale snelheid van deze tijd, verdwijnen niet omdat Den Haag een nieuwe digitale wet heeft gemaakt.

Ook binnen de politie hebben we te maken met vergrijzing. Er gaat kennis en ervaring met pensioen en tegelijkertijd wordt de digitale werkelijkheid steeds ingewikkelder. Dat betekent dat je niet alleen nieuwe regels nodig hebt, maar ook mensen, kennis, opleiding en capaciteit om die regels daadwerkelijk uit te voeren.

En daar wringt het.

De politie kan nu al niet alles bijbenen wat vanuit de politiek wordt doorgejast. Nieuwe taken, nieuwe regels, nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe verwachtingen komen erbij, terwijl de bestaande problemen niet netjes verdwijnen.

Ik breng maar even geweld tegen politie (waaronder de vuurwerkmalaise) en PTSS in herinnering.

Er wordt aan gewerkt, dat dan weer wel.

Maar ondertussen gaan we vrolijk verder.

Daarom zou ik minister David van Weel ook graag wat meer willen zien als minister van de politie en de rechtsstaat en wat minder als de praat-trekpop van het kabinet die bij ieder nieuw probleem voor de camera mag uitleggen waarom er weer iets nieuws noodzakelijk is.

Laat hem dan vooral vertellen hoe het er in de praktijk uit moet gaan zien.

Wie gaat toezicht houden? Wie gaat handhaven? Welke bevoegdheden zijn daarvoor nodig? Wie stelt een overtreding vast? Welke procedure volgt daarna? En vooral: hebben we daarvoor ook daadwerkelijk de mensen, kennis en middelen?

Want dat zijn geen Haagse details.

Dat is de werkelijkheid op straat.

En misschien moeten we in Den Haag ook eens wat minder bezig zijn met het politieke handjeklap, het onderlinge wantrouwen en het elkaar vliegen afvangen. Een rechtsstaat is geen voetbalwedstrijd waarin iedere partij vooral probeert te voorkomen dat de ander scoort.

Een wet is geen doel op zich. Een wet is een instrument.

Een instrument dat moet passen bij de werkelijkheid.

En die werkelijkheid bestaat niet alleen uit jonge digitale specialisten die binnen een paar seconden een systeem kunnen doorgronden. Die bestaat ook uit een vergrijzende bevolking, politiemensen die hun kennis en ervaring meenemen richting pensioen en burgers voor wie de digitale samenleving soms eerder een hindernisbaan dan een vooruitgang is.

Daar moeten we rekening mee houden.

Want anders krijgen we een merkwaardige paradox: we maken steeds meer digitale wetten om ons tegen digitale dreigingen te beschermen, terwijl de mensen die ze moeten uitvoeren steeds minder tijd, capaciteit en soms zelfs kennis hebben om het geheel bij te houden.

Dus prima, minister Van Weel.

Maak Nederland weerbaar. Bescherm onze vitale voorzieningen. Pak cybercriminaliteit aan. Zorg dat de overheid niet met één druk op de verkeerde knop plat komt te liggen.

Maar vergeet ondertussen de gewone werkelijkheid niet.

Wie nieuwe wetten doorjast, moet ook zorgen dat er morgen iemand is om ze uit te voeren.

Anders hebben we straks een prachtig digitaal weerbaar Nederland op papier.

En misschien is dat wel de meest Orwelliaanse gedachte van allemaal:

een samenleving die alles digitaal geregeld heeft, maar niemand meer heeft die weet hoe het werkt wanneer het digitale licht uitgaat.

Gisteren stond ik bij de Lidl in een filiaal in Sittard. De medewerker vroeg of ik mijn boodschappen zelf met de app wilde scannen. Zonder nadenken zei ik nee. Ik bleef gewoon in de rij voor de kassa staan. Niet omdat ik niet kan scannen, maar omdat ik soms nog gewoon klant wil zijn ...

Verder, een bekende plofkraker loopt tegen de lamp bij een politieactie. Bij de aanhouding worden vuurwapens en drugs aangetroffen. In de auto jerrycan met brandstof en een Blu Eye-systeem waarmee je kunt zien of er hulpdiensten in de buurt rijden, ook als deze onopvallend onderweg zijn. Saillant detail, Blu Eye is geen verboden systeem. Dat zou toch anders moeten kunnen op basis van bestaande wetgeving, toch ...

zaterdag 15 augustus 2026

🚜 als de overheid grenzen oprekt, moet ze niet verbaasd zijn als anderen dat ook doen

 en nu is het ineens huilie huilie ...

Premier Jetten spreekt zijn afschuw uit over het dodelijke ongeval na de boerenprotesten en noemt de situatie bloedlink. Begrijpelijk, want dat is het ook. Maar ondertussen wordt het woord Extinction Rebellion zorgvuldig uit de politieke watten gehouden, alsof het een vies woord is dat niet op tafel mag komen. Want ja, dan wordt het ineens lastig om uit te leggen waarom bij de ene demonstratie de juridische grenzen heel scherp worden getrokken en bij de andere de grenzen ineens wat elastischer lijken.

Politiewetenschapper Jaap Timmer is daar een stuk duidelijker over. Demonstreren is een grondrecht, maar dat betekent niet dat je vervolgens de verkeersveiligheid, gezondheid en openbare orde aan de kant kunt schuiven. Volgens hem hadden de autoriteiten harder moeten optreden.

En daar zit precies mijn probleem.

De politie moet handhaven.

Maar de politie maakt de wet niet. De politie maakt ook geen politieke keuzes over welke risico's maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De politie werkt binnen de wetgeving, de aanwijzingen van het bevoegd gezag en de politieke werkelijkheid die daarboven hangt.

Als vervolgens vooraf wordt besloten om tractoren niet tegen te houden zolang ze de snelweg niet blokkeren, ontstaat er een merkwaardige situatie. (Dus dan mag het wel) Een trekker hoort niet op de snelweg, maar kennelijk mag hij daar onder bepaalde omstandigheden toch rustig rondtoeren zolang het verkeersinfarct nog niet officieel is begonnen.

Dat is geen handhaving meer volgens het principe gelijke monniken, gelijke kappen, maar handhaving met een gebruiksaanwijzing.

En dan komen achteraf de bestuurders met ernstige gezichten vertellen dat dit natuurlijk nooit de bedoeling was.

Tja.

In het oude Rome hadden ze daar een mooie methode voor. Brood en spelen. Geef het volk wat vertier en wat brood, dan kijkt het misschien even niet naar de politieke problemen, de kosten en de moeilijke besluiten.

Tegenwoordig hebben we geen Colosseum meer nodig. Wij hebben talkshows, demonstraties, subsidies, compensatieregelingen en een eindeloze stroom politieke verklaringen waarin vooral heel zorgvuldig wordt uitgelegd waarom iets eigenlijk niet kan, maar voorlopig toch maar even gebeurt.

En zodra het misgaat, volgt het bekende ritueel.

“Dit had nooit mogen gebeuren.”

Nee, natuurlijk niet.

Maar als je jarenlang grenzen laat opschuiven, moet je niet verbaasd zijn wanneer iemand uiteindelijk denkt dat er helemaal geen grens meer staat.

De overheid neemt risico's met haar keuzes. De politie mag vervolgens niet het politieke vangnet worden voor besluiten die boven haar pet zijn genomen.

De wet is geen menukaart.

Je kunt er niet vandaag de ene regel afhalen omdat die politiek even beter uitkomt en morgen dezelfde regel weer aanwijzen omdat het ineens gevaarlijk is geworden.

Want dan krijg je precies wat we nu zien.

Eerst ruimte geven. Dan tolereren. Dan waarschuwen. Dan huilie huilie.

En uiteindelijk vragen waarom de politie niet eerder heeft ingegrepen.

Misschien moeten we daarom niet alleen naar de politie kijken.

Misschien moeten we eindelijk eens kijken naar degene die bepaalt waar de grens ligt.

Want een politieagent kan alleen handhaven binnen de grenzen die de politiek hem geeft.

En als die grens van rubber is gemaakt, moet je achteraf niet boos worden op degene die ermee moet werken.

vrijdag 14 augustus 2026

🏛️ Tijd voor een nieuw artikel in de Grondwet ivm K.R.A.K.E.N.

Misschien wordt het zo langzamerhand tijd om de Grondwet maar eens aan te passen. Niet omdat de rechtsstaat niet meer functioneert, maar omdat we hem kennelijk steeds creatiever zijn gaan uitleggen. Ik stel daarom een nieuw grondwetsartikel voor: “Illegaliteit en illegalen genieten de hoogste bescherming, zeker wanneer zij zich eerst eigenhandig toegang hebben verschaft tot een plaats waar zij helemaal niet horen te zijn.”

Want het begint inmiddels een beetje een merkwaardige vorm aan te nemen. Wie zich aan de regels houdt, krijgt te maken met vergunningen, bestemmingsplannen, eigendomsrechten, huurcontracten, termijnen, formulieren en uiteindelijk misschien nog een ambtenaar die vraagt of het formulier wel met de juiste kleur pen is ingevuld. Wie daarentegen besluit de regels aan zijn laars te lappen, lijkt soms rechtstreeks toegang te krijgen tot een juridisch beschermingspakket waarvan de gewone burger alleen maar kan dromen.

Neem het kraken van woningen en gebouwen. Je verschaft jezelf zonder toestemming toegang tot andermans eigendom, maakt jezelf vervolgens bewoner en zodra iemand daar iets van vindt, wordt het woonrecht ineens een zwaarwegend juridisch begrip. De geschiedenis van de krakersrellen in Amsterdam en andere steden staat nog altijd op ons netvlies: barricades, stenen, verf en een Mobiele Eenheid die vooral mocht proberen uit te leggen dat openbare orde ook daadwerkelijk iets met orde te maken heeft.

En nu lijkt er in Limburg een nieuwe aflevering van deze juridische komedie te zijn verschenen.

Bij het Landbouwbelang ontstaat een situatie rond een bootje en een caravan. De politie wordt erbij gehaald omdat er sprake zou zijn van een onveilige situatie en kennelijk vinden mensen die zich daar bevinden dat anderen zich niet aan de regels houden. Op zichzelf niets bijzonders, totdat je beseft dat we hier te maken hebben met een omgeving waar mensen zich niet bepaald via de reguliere voordeur van het huurcontract hebben gemeld.

Het wordt dan toch een merkwaardige situatie wanneer iemand die zich toegang en verblijf heeft verschaft in een gekraakte omgeving, vervolgens de overheid inschakelt omdat een andere partij daar volgens hem illegaal een standplaats heeft ingenomen.

De kraker belt dus de politie over een illegale standplaats van een andere kraker.

Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer een inbreker 112 belt omdat hij tijdens zijn werkzaamheden een andere inbreker aantreft die volgens hem niet helemaal volgens de huisregels opereert.

En dan komt de politie.

Want de politie heeft geen vrijbrief om bij dit soort situaties de schouders op te halen en te zeggen: “Zoek het lekker zelf uit, jullie zijn allemaal illegaal bezig.” De politie moet handhaven in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en bovendien in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Dat is nu eenmaal de rechtsstaat, ook wanneer de situatie inmiddels zo absurd is geworden dat je als politieman bijna behoefte krijgt aan een juridisch woordenboek én een kop koffie.

Misschien moeten we daarom maar eerlijk zijn en het nieuwe grondwetsartikel meteen goed formuleren:

Artikel 1a — Het hoogste recht

“Eenieder die zich niet aan de wet houdt, heeft recht op maximale rechtsbescherming, mits hij zijn overtreding maar lang genoeg voortzet en zich vervolgens op zijn rechten beroept.”

Lid 2 kan dan bepalen dat degene die wél netjes een woning huurt, belasting betaalt, vergunningen aanvraagt en zich aan de regels houdt, vooral veel geduld moet hebben.

Lid 3 lijkt mij ook belangrijk: “Degene die illegaal een ruimte gebruikt, behoudt dit gebruik zolang overheid en rechter er nog niet definitief iets anders van hebben gevonden.”

En voor de zekerheid voegen we nog een overgangsbepaling toe voor caravans, bootjes en andere mobiele woonvormen.

Want voordat je het weet, ontstaat er een geheel nieuwe rechtsorde waarin niet langer wordt gevraagd of iets legaal is, maar vooral wie als eerste illegaal was en daardoor de oudste rechten heeft opgebouwd.

Daarmee zijn we dan eigenlijk terug bij het recht van de sterkste, maar dan met een advocaat, een bezwaarprocedure en een keurige brief van de gemeente.

Het bijzondere is dat dit niet alleen iets zegt over de mensen die de grenzen van de wet opzoeken. Het zegt ook iets over de overheid en misschien zelfs over de rechtspraak wanneer een situatie zover kan komen dat iemand die zich illegaal toegang heeft verschaft tot een pand uiteindelijk een beroep kan doen op bescherming van zijn verblijf, terwijl de gewone eigenaar eerst een juridisch parcours met hindernissen moet afleggen.

De rechtsstaat is er natuurlijk juist om iedereen tegen willekeur te beschermen. Maar daar zit wel een grens aan die we niet uit het oog mogen verliezen: rechtsbescherming zou nooit mogen verworden tot een beloning voor het negeren van de regels.

Want dan leren we de burger uiteindelijk een merkwaardige les.

💥Doe het netjes en je krijgt een formulier.

💥Doe het fout en je krijgt rechtsbescherming.

💥Doe het vervolgens lang genoeg fout en misschien krijg je uiteindelijk zelfs een recht.

En wanneer dat recht eenmaal bestaat, bellen we de politie omdat iemand anders zich niet aan de regels houdt.

Het moet niet nog gekker worre. 😏

woensdag 12 augustus 2026

☔️ De paraplu van 75 cm ☔️

 

☔️De paraplu van 75 centimeter☔️

We rijden in de grrepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.

Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.

Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.

Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.

Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.

Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.

“Tot uw beschikking.”

De andere roepnummers melden zich eveneens.

De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.

Op straat is nagenoeg niemand te zien.

Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.

Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.

Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.

Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.

Hij stuurt de GSA ernaast.

“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”

Ik kijk hem aan.

Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.

Maar dienst is dienst.

Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.

Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.

Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.

Lekker droog en hoog.

Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.

Maar één ding weet ik nog wel.

De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.

Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed.

En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.

Ik denk er het mijne van.

Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.

Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.

Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.

Op dat moment is er niemand anders op de weg.

Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.

Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.

In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.

Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.

We hebben het er niet meer over.

Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:

een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.

Soms uit een wetboek.

Soms van een collega.

En soms van een paraplu.


zondag 9 augustus 2026

Gestolen in 1984, terug in 2026: wie zegt dat aangifte geen zin heeft?

Aangifte doen heeft altijd nut

Sommige mensen vragen zich af wat het nut eigenlijk nog is van aangifte doen. Je doet aangifte van een gestolen fiets, bromfiets, auto of wat dan ook en vervolgens gebeurt er ogenschijnlijk helemaal niets. Het dossier verdwijnt ergens in de digitale krochten van de politiecomputer en daarmee lijkt de zaak voor de eigenaar afgesloten. 

Zeker wanneer je weet dat in Nederland duizenden aangiften niet of nauwelijks aan rechercheonderzoek toekomen, simpelweg omdat er meer werk ligt dan er rechercheurs beschikbaar zijn.

Toch heeft aangifte doen wel degelijk nut.

Dat bewijst een prachtig Italiaans verhaal waarin de politie maar liefst 41 jaar nodig heeft om haar geheugen te laten werken.

In 1984 wordt in Italië de bromfiets van de toen 17-jarige Antonio Smiglio gestolen. Geen Ferrari, geen Lamborghini en zelfs geen elektrische fatbike, maar een keurige Garelli VIP 50. Voor een zeventienjarige in die tijd echter een bezit van onschatbare waarde. Je spaart ervoor, poetst hem alsof het een gouden kalf is en vervolgens rijdt iemand ermee weg die blijkbaar andere plannen met jouw eigendom heeft.

Antonio doet aangifte en zal ongetwijfeld met de gedachte hebben rondgelopen dat hij zijn bromfiets nooit meer terugziet.

En daar kun je hem ook nauwelijks ongelijk in geven.

Jaar na jaar verstrijkt, terwijl de Garelli waarschijnlijk een heel ander leven leidt dan zijn rechtmatige eigenaar. Nieuwe berijders, andere wegen en waarschijnlijk een paar generaties benzine en olie verder verdwijnt de bromfiets steeds verder uit het geheugen van Antonio. Totdat in 2026 ergens in Italië een agent een bromfiets controleert die zonder kenteken rondrijdt.

En dan komt het moment waarop een oud politiedossier plotseling weer tot leven komt.

Chassisnummer controleren, gegevens erbij en jawel hoor: daar staat hij. Gestolen in 1984.

Eindelijk beet.

Na ruim 41 jaar wordt Antonio opgespoord en krijgt hij zijn bromfiets terug. Inmiddels is de eigenaar 58 jaar oud en de Garelli natuurlijk ook een behoorlijk stukje ouder geworden. Maar na wat reparaties blijkt het ding nog steeds te rijden als vanouds.

Daar kun je als politieman toch alleen maar bewondering voor hebben.

Voor die Garelli bromfiets dan.

Want die heeft het rechercheonderzoek in ieder geval ruimschoots overleefd.

Het verhaal laat tegelijkertijd zien waarom aangifte doen altijd verstandig is, ook wanneer je op dat moment denkt dat je eigendom voorgoed verdwenen is. Een aangifte zorgt ervoor dat het gestolen goed geregistreerd staat en dat er bij een latere controle, een vondst of een ander onderzoek een lijntje naar de rechtmatige eigenaar kan worden gelegd.

Natuurlijk moeten we daar in Nederland ook eerlijk over zijn. Duizenden aangiften worden niet onderzocht omdat de capaciteit ontbreekt, de prioriteiten elders liggen of de opsporingskansen te gering worden geacht. Dat is voor slachtoffers vaak moeilijk uit te leggen en soms nog moeilijker te accepteren. Je bent bestolen en vervolgens krijg je te horen dat er onvoldoende capaciteit is om de dader te zoeken.

Maar juist daarom moet je aangifte doen. Want wie weet.

Misschien wordt jouw gestolen fiets morgen gevonden, misschien duikt jouw auto over vijf jaar ergens op en misschien staat er over 41 jaar ergens een agent met een oud chassisnummer in zijn hand te kijken alsof hij zojuist de hoofdprijs van de rechercheloterij heeft gewonnen.

En dan blijkt dat die ene aangifte die ooit ergens in een computersysteem werd vastgelegd toch ineens goud waard is.

Dus tegen iedereen die zegt: “Aangifte doen heeft toch geen zin, ze doen er toch niets mee”, zou ik willen zeggen: doe het toch maar.

Want deze Italiaan heeft 41 jaar moeten wachten.

Zijn bromfiets heeft het al die tijd volgehouden.

Dan moet die aangifte dat toch ook kunnen.

🔊🎶Een ander geluid🔉🎙🔊Flower Beat Power

Groove Garden: Flower Beat Power

Zaterdag, na mijn ochtenddienst, rij ik op de fiets dwars door Euverhaove, via de Kasteelweg richting Sportcentrumlaan. Op de wegen die naar het evenemententerrein van Groove Garden leiden, zie ik hordes jongelui in hun bolides en sommigen te voet dezelfde richting opgaan.

Alsof de rattenvanger van Hamelen zijn lonkende werking heeft ingezet. Dit keer niet met speelse fluittonen, maar met helse elektronische bastunes. Het is feest en dat zal iedereen weten. En vooral: horen.

Op de Schwienswei rij ik achterlangs het evenemententerrein naar huis. Mijn trommelvliezen krijgen het nu al zwaar te verduren door het indringende boem-boem-boem. Bij de waterplas zie ik nog ganzen met hun jongen. Die hebben kennelijk nog nooit zoiets meegemaakt.

De schapen in de wei kunnen geen kant op. Ze kunnen alleen maar ondergaan wat hen wordt voorgeschoteld. Ze blaten vrolijk of misschien wel klaagzangerig mee met het onmenselijke audiobeuken.

De bastonen begeleiden mij nog kilometers ver op mijn weg over de rustige paden in het veld.

De volgende zondagochtend, heel vroeg, kom ik weer aangefietst langs de plek van Groove Garden.

Normaal gesproken hoor ik hier de vogels de dag begroeten. Buizerds doorklieven langzaam de ochtendlucht en ganzen met hun jongen spetteren vrolijk in het water. Nu niet.

Het is er doodstil.

Het water van de plas ligt spiegelglad, zonder rimpeltje of oneffenheid. De schapen liggen nog steeds in hun weiland. Ze kunnen immers niet weglopen. Maar ook zij hebben dit keer niets te melden.

Het is zeventien graden en buitengewoon aangenaam.

Toch lijkt het alsof er geen ander dier, vogel of natuurlijk wezen meer aanwezig is. Alsof de hele natuur het hazenpad heeft gekozen en ergens kilometers verderop zit te wachten tot de rust is teruggekeerd.

Weggevlucht voor een spervuur van oorverdovende basdeunen, dat urenlang onophoudelijk door het landschap heeft gedreund.

Dat houdt kennelijk geen enkel dier uit.

Behalve één rechtoplopende soort dan.

Op parkeerplaatsen en in de bermen langs de weg staan nog enkele bolides van feestgangers. Achteloos achtergelaten, gelukkig niet verkeersgevaarlijk.

Op de parkeerplaatsen hebben velen blijkbaar de afvalbak niet kunnen vinden. Afval ligt her en der verspreid over het terrein.

Een heuse sportbeurt voor de mensen die het maandagochtend mogen oprapen.

Nog steeds is het windstil en doodstil. Sittard ligt nog in een diepe zondagochtendslaap.

Bij de rotonde aan de Sportcentrumlaan zie ik in de berm een koppeltje eendjes. Ver weg van hun eigenlijke habitat, het water.

Kennelijk zijn ook zij ruw uit hun rust en dagelijkse patroon weggeblazen.

Het is bewezen: alleen betalende mensen kunnen blijkbaar tegen de decibellen. Die variëren ergens tussen de 80 en 102 dB. Op het evenemententerrein zijn tegen betaling oordoppen verkrijgbaar.

Dat is meestal niet aan dovemansoren gericht.

Moet kunnen natuurlijk. Totdat je op te jonge leeftijd toe bent aan een hoortoestel.

En eerlijk is eerlijk: het evenement is tegelijkertijd een geweldige opsteker voor de stad. Duizenden bezoekers hebben genoten van het audiovisuele spektakel. En wat de openbare orde betreft, hebben zich nagenoeg geen noemenswaardige ongeregeldheden voorgedaan.

Mooi zo.

Flower Beat Power anno 2016.

De mens heeft gefeest, gedanst en genoten. De natuur heeft een nachtje ergens anders geslapen.

En dan vraag ik mij toch af:

Zou het op andere evenemententerreinen ook zo stil worden nadat de laatste beat is uitgestorven?

Dus geniet ervan zolang het kan.

Enjoy the music… zolang je oren, de ganzen, de eendjes en de schapen het nog kunnen verdragen.