Translate

maandag 6 juli 2026

Weerbaarheidstraining bij de politie

Opleiding in Baexem 1977
In het politievak is training bedoeld om je sterker te maken voor de straat — niet om je daar al op te breken.

De discussie over weerbaarheidstraining binnen de politie is niet nieuw. In 2013 kwamen politiestudenten in het nieuws nadat zij tijdens een weerbaarheidsoefening gewond raakten, met onder meer gekneusde ribben en een gebroken kaak als gemelde letsels. Het ging om een situatie binnen de Politieacademie waarbij realistische geweldssimulaties werden toegepast. Naar aanleiding hiervan werd onderzoek ingesteld en volgden later aanpassingen in het betreffende trainingsonderdeel.

Wat dit destijds al duidelijk maakte, is dat de balans tussen realisme en veiligheid in training een blijvend spanningsveld vormt. En dat gesprek is vandaag de dag niet minder actueel geworden.


TRAINING

Bij de politie is weerbaarheidstraining al jaren onderwerp van discussie. Het vak vraagt om realistische voorbereiding op geweldssituaties, maar die realiteit kent altijd duidelijke grenzen.

Sport en fysieke training vormen een belangrijk fundament, maar nooit het enige ingrediënt in het politievak. Naast training, motivatie, herstel en voeding zijn er cruciale elementen zoals samenwerken, specificiteit, veiligheid, communicatie, werken binnen bevoegdheden en het behalen van het operationele doel.

Al deze factoren bepalen of training daadwerkelijk overdraagbaar is naar de praktijk.

Wat in dit soort casuïstiek telkens terugkomt, is het belang van duidelijke kaders vooraf. Ongeacht de trainingsvorm moet helder zijn wat het doel is, welke risico’s acceptabel zijn en waar de grenzen liggen.

Realistisch trainen mag nooit betekenen dat veiligheid en controle verdwijnen.


WEERBAARHEID

Krachttraining en fitness zijn belangrijk, maar vormen vooral de basis van grove motoriek binnen een breder geheel.

Weerbaarheid in het politievak is een samenspel van kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid en coördinatie. Minstens zo belangrijk zijn mentale weerbaarheid, besluitvorming onder stress en het vermogen om te blijven handelen binnen de wet en je bevoegdheden.

De praktijk op straat is onvoorspelbaar. Incidenten ontstaan vaak onverwacht en vragen directe keuzes. In die momenten moet je kunnen vertrouwen op training, ervaring en samenwerking, maar altijd binnen de grenzen van proportionaliteit en professionaliteit.


PRAKTIJK

Een top-prestatie in het politievak ontstaat alleen als lichaam en geest als één geheel functioneren.

Dat is een samensmelting van ervaring, fysieke conditie, psychische belasting, technische vaardigheden, tactisch inzicht en sociale samenwerking.

Samenwerken blijft daarin cruciaal. Politiewerk is zelden individueel werk. Vertrouwen in je collega, duidelijke communicatie en wederzijds waarnemen maken vaak het verschil tussen controle en chaos.

Daarom moet training niet alleen individueel gericht zijn, maar juist ook op teamfunctioneren onder druk.

Herhaling blijft daarbij het sleutelwoord. Wat niet wordt herhaald, komt niet automatisch beschikbaar op het moment dat het nodig is.

Misschien is één belangrijk ingrediënt nog niet genoemd: geluk.

Want hoe goed je ook traint en voorbereidt, elke geweldsituatie blijft afhankelijk van factoren die je nooit volledig kunt controleren.

Daarom is de vraag niet alleen hoe realistisch we trainen, maar vooral hoe we zorgen dat we mensen voorbereiden op de werkelijkheid, zonder ze onderweg onnodig te beschadigen.

Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek. Niet om te oordelen, maar om te leren. Want goede politietraining moet politiemensen beter maken voor de straat — niet slechter voordat ze daar überhaupt komen.


NAREDE

In de nasleep van dit soort casuïstiek is destijds binnen de Politieacademie gekeken naar de inrichting van de training, de veiligheidsborging en de mate waarin realisme en controle in balans waren. Dat heeft geleid tot evaluaties en aanscherping van de kaders rond weerbaarheidstraining.

De kern die daarbij overeind blijft, is dat realisme in training waardevol is, maar nooit los kan staan van strakke regie, duidelijke leerdoelen en een onbetwiste borging van veiligheid.

Want zodra die balans verschuift, verliest training haar waarde: het voorbereiden van professionals op de praktijk, niet het blootstellen van studenten aan risico's die juist in opleiding beheerst moeten worden.

Tegelijkertijd is de praktijk op straat de afgelopen jaren niet milder geworden. Geweld en agressie tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel en andere hulpverleners lijken steeds vaker onderdeel van het dagelijkse werk. Dat is een ontwikkeling die niemand normaal zou mogen vinden.

De overheid reageert daarop regelmatig met nieuwe onderzoeken, beleidsmaatregelen of aanvullende wetgeving. Dat kan zinvol zijn, maar naar mijn overtuiging ligt de grootste winst niet altijd in méér regels. Nederland beschikt al over een uitgebreid wettelijk instrumentarium en de politie over ruime bevoegdheden. Waar het vooral om gaat, is een consequente toepassing daarvan, ondersteund door duidelijke rugdekking vanuit de overheid, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak.

Wie van politiemensen verwacht dat zij daadkrachtig optreden, zal hen ook de ruimte en het vertrouwen moeten geven om dat professionele optreden waar te maken. Dáár begint echte weerbaarheid. 

Mijn opinie over operationeel leiderschap,

Inleiding

Soms kom je een oud stuk tegen waarvan je hoopt dat het inmiddels door de tijd is ingehaald. En soms ontdek je dat het vooral een blauwdruk bleek... of misschien wel een vriendelijke waarschuwing vooraf.

Onderstaande reactie schreef ik in 2013, naar aanleiding van het Ontwerpplan Nationale Politie en de toen aangekondigde rol van de operationeel leidinggevende. Destijds was het niet meer dan een visie op papier. De vraag was of die ook de weerbarstige praktijk zou overleven.

Hoe kijk ik tegen operationeel leiderschap aan?

Het is een interessante omslag in denken. En hopelijk straks ook in handelen. Toch lees ik met een gezonde dosis scepsis dat het vooralsnog een ontwerp is. Een mooie luchtballon blijft immers een luchtballon totdat we daadwerkelijk geproefd hebben van de nieuwe operationele leidinggevende.

Voor sommigen zal deze toekomstgedachte wellicht enige gewenning vragen. Operationeel leiderschap laat zich namelijk niet vangen in een functiebeschrijving alleen. Wie werkelijk tussen de mensen en de operatie staat, kan zich niet verschuilen achter processen of systemen. Zichtbaarheid brengt verantwoordelijkheid met zich mee. En misschien is dat wel precies zoals leiderschap bedoeld is.

Misschien zit daarin ook wel de grootste misvatting. Operationeel leiderschap hangt wat mij betreft niet aan een rang, een functiebeschrijving of een extra streep op de schouder. Het hangt aan de mens. Aan iemand die met beide voeten in de klei staat, de operatie door en door kent en van daaruit richting geeft. Naast zijn mensen als het kan, vóór zijn mensen als het moet.

Leiderschap bewijst zich niet tijdens kantooruren of aan de vergadertafel. Het krijgt zijn ware betekenis op straat, vierentwintig uur per dag. Juist op de momenten waarop de meeste mensen genieten van hun nachtrust en politiemensen waken over de veiligheid van anderen. Dáár wordt een operatie niet alleen geleid, maar soms ook geleden. En juist daar blijkt wie werkelijk leiding geeft.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van operationeel leiderschap. Ik heb in mijn loopbaan meer dan eens meegemaakt dat een goede leidinggevende mij, terwijl ik met beide voeten in de modder van de menselijke arena stond, simpelweg vroeg: "Han, wat is volgens jou op dit moment het beste om te doen?"

Niet uit onzekerheid, maar uit vertrouwen. Omdat hij wist dat degene die midden in de situatie staat soms nét iets scherper ziet dan degene die er van een afstand naar kijkt. Daarna nam hij zijn verantwoordelijkheid als leidinggevende, met alle consequenties die daarbij horen. Dat is geen zwakte. Dat is kracht. Geen hiërarchie om de hiërarchie, maar leiderschap dat de praktijk als kompas neemt.

Als de leidinggevende niet langer wordt dichtgetimmerd met beheer en administratie, krijgt hij eindelijk de ruimte waarvoor de functie ooit bedoeld was: aanwezig zijn in de operatie. Meedenken, aansturen, meelopen, keuzes maken en achteraf samen met de collega's reflecteren op basis van eigen waarnemingen en ervaringen die zijn opgedaan tijdens de vaak complexe en soms verhitte interventies.

Juist daarin zit de meerwaarde. Niet sturen vanuit een bureau, maar vanuit de praktijk. Samen komen tot de kern van het politiewerk. Samen beoordelen welke afwegingen zijn gemaakt, welke interventies passend waren en hoe je daarvan leert. Zeggen wat we doen, doen wat we zeggen en daar gezamenlijk verantwoordelijkheid voor nemen. No matter what. Zo ontstaat uiteindelijk een beter politieproduct.

Maar dat is slechts één kant van het verhaal.

De operationeel leidinggevende zal ook zelf ervaren hoe weerbarstig de praktijk kan zijn. Als BVH opnieuw niet meewerkt en collega's noodgedwongen creatief moeten worden op een manier waarvoor het systeem nooit bedoeld was. Als er opnieuw taken op het bord van de politie belanden die daar eigenlijk niet thuishoren. Als protocollen vooral de belangen van netwerkpartners dienen, terwijl politiemensen daardoor kostbare tijd verliezen en opnieuw moeten wachten op besluiten van anderen.

Juist dan kan een operationeel leidinggevende vanuit eigen ervaring het gesprek voeren. Niet alleen binnen de politie, maar ook met de eigenaar van de integrale veiligheidszorg: de gemeente. Vanuit die positie kan hij of zij partners aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid en de balans in de keten helpen herstellen.

De belangrijkste randvoorwaarde? Dat ook de organisatie achter haar mensen gaat staan. Dat er werkelijk vertrouwen wordt gegeven. Dat erkend wordt hoe complex het politiewerk is. Dat wet- en regelgeving weer meer werkbaar en billijk wordt. En dat de politie zich weer maximaal kan richten op haar kerntaak: het leveren van professionele politiezorg aan de samenleving.

Dertien jaar later lees ik dit terug met een glimlach, maar ook met verwondering. Niet omdat ik destijds gelijk wilde krijgen, maar omdat veel van de vragen van toen nog altijd actueel zijn. Structuren veranderen op papier vaak sneller dan de praktijk.

Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie. Operationeel leiderschap ontstaat niet uit een organisatiemodel of een rangonderscheidingsteken. Het ontstaat uit vakmanschap, vertrouwen, zichtbaarheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen. Midden tussen de mensen. Met de voeten in de klei. Daar waar de samenleving de politie het hardst nodig heeft.


Hondje Remie of Remia in de Drechtunnel op de A16

Remie in de Drechttunnel

Een hond die doodgemoedereerd door de Drechttunnel van de A16 wandelt. Je leest zo'n bericht en mijn fantasie slaat meteen op hol.

Misschien is hij weggelopen. Misschien uitgezet. Misschien was hij gewoon onderweg naar huis. Zijn interne TomTom zegt immers niet: "Neem afslag 23," maar: "Volg je neus."

Daar gaat Remie. Alleen. Dwars door velden, wegen en uiteindelijk... een tunnel waar zelfs de gemiddelde wandelaar zich nog eens achter de oren zou krabben.

Niemand die naar hem omkijkt. Tranen in de hondenoogjes.

"Waarom ben ik alleen? Dat wil ik helemaal niet..."

Een landkaart lezen zit er niet in. De weg vragen ook niet. En dus blijft alleen dat onovertroffen navigatiesysteem over: de speurneus, gemonteerd op het voorste punt van zijn aangezicht.

Om hem heen razen alleen maar Max Verstappens voorbij. Oorverdovend lawaai. Uitlaten zo groot als de hoogovens van weleer. Een stalen storm waarin iedere snuffel verdrinkt.

De paniek begint langzaam terrein te winnen... maar net niet helemaal. Want honden beschikken gelukkig over iets wat wij mensen onderweg nogal eens verliezen: hoop.

Hoop dat achter iedere bocht het gouden mandje weer opduikt.

Tenzij...

Tenzij dat mandje er niet meer staat. Omdat het baasje de kosten niet meer kon dragen. Of omdat Remie simpelweg als oud vuil aan de kant is gezet.

En terwijl mijn fantasie verder afdwaalt, dient zich ook een minder vrolijke gedachte aan.

Het is vakantietijd. Helaas worden juist in deze periode ook huisdieren achtergelaten. Omdat de vakantie al geboekt is. Omdat pensions vol zitten of te duur zijn. Of simpelweg omdat een hond ineens niet meer in de planning past.

Ik hoop oprecht dat dit voor Remie niet geldt. Dat hij gewoon een avonturier is die iets te enthousiast achter zijn snuffel is aangelopen. Dat zou een veel mooier verhaal zijn.

Of misschien is dit allemaal grote onzin en liep hij gewoon zijn dagelijkse inspectieronde.

Wie het weet, mag het zeggen.

Dan wordt het ineens rustig in de tunnel.

Aan het einde van deze tunnel is licht... en gelukkig geen tegemoetkomende koplampen meer.

In de verte naderen voorzichtig enkele voertuigen. Er stappen mensen uit. Gek uitgedost in zwart-geel. Net menselijke wespen.

Ze roepen. Ze lokken. Ze proberen hem gerust te stellen.

Dan ziet Remie het.

"Hé... de politie! Vriend en helper!"

Of toch niet?

Want tegenwoordig hoor je zoveel over nepagenten. En die brengen zelden iets goeds. Dus kiest Remie eieren voor zijn hondenbrokken en zet het opnieuw op een lopen.

De menselijke wespen geven echter niet op.

Na een korte achtervolging wordt Remie – of misschien was het toch Remia – veilig ingevangen.

Nu maar hopen dat hij of zij gechipt is. Dat ergens een baasje de telefoon opneemt. Dat het mandje nog bestaat.

Sommige achtervolgingen eindigen met handboeien. Deze gelukkig met een hondenriem. Dat is toch een stuk gezelliger voor alle betrokkenen.

Eind goed... al goed.

zondag 5 juli 2026

Een wijkagent leest zijn eigen toekomstvisie uit 2013 terug

Hoofdstuk 1. Dertien jaar later… Een oude visie met verrassend veel nieuwe vragen.


De Nationale Politie stond nog in de steigers. Er werd volop gediscussieerd over de toekomst van het politiewerk, de organisatie en de manier waarop veiligheid in Nederland vorm moest krijgen. Op verzoek van de leiding zette ik destijds mijn gedachten op papier. Geen beleidsnota, geen wetenschappelijke verhandeling en al helemaal geen managementtaal. Gewoon de visie van een wijkagent die dagelijks op straat stond, tussen de mensen.

Nu schrijven we 2026.

Onlangs las ik mijn eigen verhaal terug. Dat voelde alsof ik een oude collega tegenkwam. Iemand die ik door en door kende, maar die ik al jaren niet meer had gesproken.

Sommige gedachten zijn ingehaald door de tijd. Dat is maar goed ook. De samenleving verandert, de politie verandert en inzichten veranderen mee. Maar eerlijk gezegd schrok ik van iets anders: hoeveel onderwerpen na dertien jaar nog steeds actueel zijn.

De krapte op straat. Het oneigenlijk gebruik van de politie. De administratieve druk. Het geweld tegen politiemensen. De samenwerking met gemeenten, zorgpartners en justitie. De voortdurende zoektocht naar voldoende capaciteit. Veel van de discussies die vandaag worden gevoerd, speelden toen ook al.

Natuurlijk zou ik sommige passages vandaag anders formuleren. De jaren in het politiewerk, maar ook de jaren daarna, hebben mijn blik verder verdiept. Ik kijk inmiddels niet alleen meer door de ogen van de wijkagent, maar ook door die van iemand die de organisatie van een afstandje heeft kunnen bekijken. Dat levert nuance op, zonder dat de kern verandert.

Want die kern is eigenlijk heel eenvoudig.

Een sterke politie bouw je niet met nóg een reorganisatie. Niet met nóg een protocol. Niet met nóg een computersysteem.

Een sterke politie bouw je met vakmensen. Met vertrouwen. Met robuuste teams. Met bestuurders die keuzes durven maken. En met ketenpartners die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen taak, zonder die ongemerkt bij de politie neer te leggen.

Die overtuiging had ik in 2013. En die heb ik vandaag nog steeds.

Robuuste basisteams beginnen niet bij een gebouw

Toen ik mijn visie schreef, werd veel gesproken over huisvesting, schaalvergroting en nieuwe politiebureaus. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar ze vormen nooit het fundament van een goed functionerende politieorganisatie.

Een robuust basisteam ontstaat niet doordat je medewerkers onder één nieuw dak zet. Dat ontstaat doordat mensen elkaar kennen, elkaar vertrouwen en weten wat ze aan elkaar hebben wanneer het erop aankomt.

Een politiebureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenkomt, maar zeker ook voor de collega's die er dagelijks werken. Een bureau moet overzichtelijk, veilig en functioneel zijn. Geen architectonisch visitekaartje, maar een werkplek die is ontworpen voor het politiewerk.

Veiligheid begint namelijk al bij de inrichting van een gebouw. Denk aan verhoorkamers, publieksruimten, looproutes en balies. Een verkeerde keuze op de tekentafel kan in de praktijk grote gevolgen hebben. Dat zijn geen details. Dat zijn voorwaarden om veilig te kunnen werken.

Maar uiteindelijk bepalen niet de muren de kwaliteit van een basisteam.

Dat doen de mensen.

Een robuust team heeft voldoende omvang om ziekte, opleidingen, verlof, evenementen en onverwachte incidenten op te vangen zonder voortdurend collega's elders weg te trekken. Wie structureel capaciteit moet lenen uit andere districten, lost vandaag misschien een probleem op, maar creëert morgen een nieuw tekort ergens anders.

Een robuust team beschikt bovendien over ervaring. Jong talent is onmisbaar, maar ervaring eveneens. Juist de combinatie van frisse energie en doorgewinterde praktijkkennis maakt een team sterk. Dat evenwicht mag nooit verloren gaan.

Daar hoort nog iets bij.

Een robuust team durft ook grenzen te stellen. Niet iedere veiligheidsvraag kan automatisch door de politie worden opgelost. De politie is een onmisbare schakel in de veiligheidsketen, maar niet de enige. Zodra andere organisaties hun verantwoordelijkheid niet nemen, ontstaat het risico dat de politie steeds meer taken overneemt waarvoor zij nooit bedoeld is geweest.


Hoofdstuk 2.       Wie draagt de aap? Over samenwerking, verantwoordelijkheid en         oneigenlijk politiegebruik,


Veiligheid maak je samen, maar verantwoordelijkheid kun je niet uitbesteden

Al in 2013 was ik ervan overtuigd dat veiligheid veel meer is dan een politietaak. Die overtuiging is in de loop der jaren alleen maar sterker geworden.

Een politieorganisatie kan nog zo professioneel zijn; wanneer gemeenten, zorginstellingen, justitie en andere netwerkpartners niet gelijktijdig optrekken, blijft de politie voortdurend achter de feiten aanlopen.

De politie is vaak degene die als eerste wordt gebeld. Niet omdat ieder probleem een politietaak is, maar omdat de politie altijd bereikbaar is. Vierentwintig uur per dag. Zeven dagen per week.

Dat is een groot goed. Maar tegelijkertijd schuilt daarin een valkuil.

De politie wordt daardoor steeds vaker de organisatie die problemen opvangt die eigenlijk ergens anders thuishoren. Niet omdat collega's dat graag willen, maar omdat de burger hulp nodig heeft en er op dat moment niemand anders beschikbaar is.

Dat is begrijpelijk. Maar het mag nooit de normale gang van zaken worden.

De gemeente als regisseur van veiligheid

Ik vond toen al – en vind dat nog steeds – dat de gemeente veel nadrukkelijker de regie moet voeren over de integrale veiligheid.

Niet vanuit macht, maar vanuit verantwoordelijkheid.

De burgemeester beschikt over bestuursrechtelijke instrumenten, de gemeenteraad bepaalt de kaders en de gemeentelijke organisatie beschikt over afdelingen die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan leefbaarheid en veiligheid.

Juist daarom moeten politie en gemeente elkaar niet alleen vinden op de werkvloer, maar ook op bestuurlijk niveau.

Te vaak zag ik dat politiemensen pragmatische oplossingen bedachten voor problemen waarvoor eigenlijk bestuurlijke keuzes nodig waren.

Dat lijkt efficiënt. Maar uiteindelijk is het oneigenlijk politiegebruik.

Iedere keer dat een politieagent structureel een probleem oplost waarvoor een andere organisatie verantwoordelijk is, verdwijnt kostbare politiecapaciteit. Niet één keer, maar telkens opnieuw.

Dat is dweilen met de kraan open. Zet de juiste mensen bij elkaar

In mijn oorspronkelijke verhaal pleitte ik ervoor om disciplines die elkaar voortdurend nodig hebben, ook fysiek dichter bij elkaar te brengen.

Die gedachte onderschrijf ik nog steeds.

Niet alleen de collega's van de basisteams, de recherche, het flexteam en de collega's die zich bezighouden met veelvoorkomende criminaliteit.

Ook vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de GGZ, schuldhulpverlening, ouderenzorg, woningcorporaties, jeugd- en gezinszorg en andere partners zouden veel vaker letterlijk aan dezelfde tafel moeten zitten.

Niet omdat iedereen elkaars werk moet overnemen.

Integendeel. Juist omdat iedere organisatie haar eigen expertise behoudt.

Samenwerken betekent namelijk niet dat verantwoordelijkheden vervagen. Samenwerken betekent dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt en elkaar versterkt wanneer dat nodig is.

Dat is iets wezenlijk anders dan het bekende 'aapmanagement': het probleem over de schutting gooien naar degene die toevallig het snelst beschikbaar is.

Die reflex kost de samenleving uiteindelijk veel meer tijd, geld en capaciteit.

De zorgvraag groeit. De politie groeit niet mee.

Ook dertien jaar geleden zag ik al dat het aantal mensen met psychische problematiek toenam.

Daar kwamen ouderen met dementie bij.

Zorgmijders.

Mensen die tussen wal en schip vielen.

Verslaafden.

Mensen met verward gedrag.

De politie kwam steeds vaker als eerste in beeld.

Dat is begrijpelijk.

Maar de politie is geen zorginstelling.

Een politieagent kan een crisis tijdelijk stabiliseren. Hij of zij kan veiligheid creëren, escalatie voorkomen en de eerste noodzakelijke maatregelen nemen.

Maar daarna moet de juiste hulp het overnemen.

Wanneer die hulp niet beschikbaar is of te lang op zich laat wachten, verandert een tijdelijke inzet ongemerkt in een structurele politietaak.

Dat is voor niemand goed.

Niet voor de burger.

Niet voor de hulpverlening.

En zeker niet voor de politiemedewerker.

Durf ook 'nee' te zeggen

Misschien is dat wel een van de moeilijkste lessen.

De politie wil helpen.

Dat zit in het DNA van vrijwel iedere collega.

Maar juist daarom moeten bestuurders soms de moed hebben om duidelijk te maken dat niet iedere maatschappelijke wens automatisch een politietaak is.

Veiligheid vraagt om keuzes.

Niet alles kan tegelijk.

Niet ieder evenement kan doorgaan wanneer daarvoor politiemensen uit andere districten moeten worden weggehaald.

Niet iedere extra taak kan worden uitgevoerd zonder dat ergens anders capaciteit verdwijnt.

Een organisatie die voortdurend alles probeert te doen, loopt uiteindelijk het risico haar kerntaak uit het oog te verliezen.

Dat geldt voor iedere organisatie.

Ook voor de politie.

Samen sterker

Als ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, valt mij vooral één ding op.

Ik schreef toen niet over méér politie. Ik schreef over bétere samenwerking. Dat verschil is wezenlijk. Veiligheid ontstaat niet doordat één organisatie steeds groter wordt.

Veiligheid ontstaat wanneer iedere partner zijn eigen verantwoordelijkheid serieus neemt, elkaar weet te vinden en bereid is werkelijk samen op te trekken.

Niet alleen tijdens een crisis. Maar iedere dag opnieuw.


Hoofdstuk 3.        De straat geeft geen herkansing. Vakmanschap laat zich niet afvinken


Wanneer het gesprek over geweld tegen politiemensen weer eens oplaait, en dat gebeurt helaas met een zekere regelmaat, verschuift de aandacht vaak naar zwaardere straffen, betere beschermingsmiddelen of uitbreiding van de bewapening. Allemaal onderwerpen die ertoe doen en die ik zeker niet wil bagatelliseren. Toch heb ik mij al die jaren afgevraagd of we daarmee niet te vaak naar de gevolgen kijken, terwijl de oorzaak veel minder aandacht krijgt.

Mijn stiefkindje, zoals ik het zelf altijd noemde, was en is geweld tegen politiemensen.

Niet omdat wij een uitzonderingspositie verdienen, maar omdat iedere politieman en politievrouw het recht heeft om na een dienst weer gezond thuis te komen. Dat zou eigenlijk zo vanzelfsprekend moeten zijn dat we er nauwelijks over hoeven te discussiëren. De werkelijkheid is helaas anders.

Toen ik mijn visie in 2013 schreef, noteerde ik dat er in de eerste vier maanden van dat jaar al honderden geweldsincidenten tegen politiemensen waren geregistreerd. Dertien jaar later is het onderwerp nog steeds actueel. Dat stemt mij eerlijk gezegd niet optimistisch.

Wat mij misschien nog wel het meeste bezighoudt, is de vraag hoe wij onze collega's daarop voorbereiden.

Misschien kijkt de judoleraar in mij dan iets anders naar dit vraagstuk dan de gemiddelde politieman. Misschien spreekt ook de bokser mee. Feit is dat ik duizenden uren op de mat heb doorgebracht, zowel als leerling als instructeur. Daar heb ik één belangrijke les geleerd die ik later iedere dienst weer bevestigd zag.

Een gevecht begint zelden met de eerste klap.

Het begint veel eerder.

Met houding.

Met afstand.

Met spanning die langzaam oploopt.

Met een blik die verandert.

Met iemand die net iets dichterbij komt dan prettig voelt.

Met een hand die uit een jaszak verdwijnt.

Met een stem die steeds harder wordt.

Dat zijn de momenten waarop vakmanschap het verschil maakt.

Niet omdat je dan al geweld gebruikt, maar juist omdat je leert herkennen waar een situatie naartoe kan groeien. Wie die signalen op tijd ziet, voorkomt soms dat geweld überhaupt nodig is. Dat is misschien wel de hoogste vorm van professioneel optreden.

Judo heeft mij bovendien geleerd dat kracht zelden de doorslag geeft. Timing, balans, beheersing en techniek winnen het op de lange duur vrijwel altijd van spierkracht alleen. Eigenlijk geldt dat net zo goed voor het politiewerk. Een collega die rustig blijft, overzicht houdt en technisch vaardig is, heeft vaak minder geweld nodig dan iemand die uitsluitend op fysieke kracht vertrouwt.

Juist daarom heb ik mij jarenlang verbaasd over de manier waarop wij binnen de politie tegen opleidingen en trainingen aankeken. Begrijp mij niet verkeerd; de collega's die deze trainingen verzorgen doen dat met hart en ziel en vaak onder moeilijke omstandigheden. Mijn kritiek heeft zich nooit op hen gericht.

Mijn vraag was altijd een andere.

Waarom nemen wij genoegen met het afvinken van een verplicht programma, terwijl wij weten dat het straatwerk zich nooit laat afvinken?

Een RTGP-toets halen, een IBT-dag volgen of een fitheidstest afleggen zegt iets over een bepaald moment. Meer niet. De straat vraagt iets totaal anders. Daar krijg je geen tweede poging. Daar mag je niet zeggen dat je volgende week beter voorbereid bent. Daar moet het gebeuren, op dat ene moment waarop iemand besluit zich met geweld te verzetten of waarop een ogenschijnlijk rustige melding binnen enkele seconden volledig kantelt.

Dat vraagt om routine.

Niet de routine van sleur, maar de routine van vakmanschap.

Een pianist oefent zijn toonladders niet omdat hij die tijdens een concert wil laten horen, maar omdat zijn vingers automatisch moeten doen wat zijn hoofd bedenkt. Een judoka herhaalt een worp duizenden keren, niet omdat iedere tegenstander precies hetzelfde reageert, maar omdat zijn lichaam leert handelen zonder kostbare tijd te verliezen.

Waarom zouden wij voor politiemensen genoegen nemen met minder?

Misschien is dat wel de kern van mijn verhaal.

Een politieorganisatie investeert miljoenen in gebouwen, voertuigen, communicatiemiddelen en digitale systemen. Terecht, want zonder goede middelen kun je je werk niet goed uitvoeren. Maar uiteindelijk blijft de politiemedewerker het belangrijkste instrument waarover de organisatie beschikt. Dat instrument verdient onderhoud. Niet één of twee keer per jaar, maar voortdurend.

Daar komt nog iets bij. *Goede training maakt collega's niet agressiever*

Integendeel. *Zij worden er juist rustiger van*

Wie weet wat hij kan, hoeft veel minder te bewijzen. Wie vertrouwen heeft in zijn eigen vaardigheden, straalt dat uit. En juist die rust werkt vaak de-escalerend. Dat heb ik niet alleen in de dojo of bokszaal gezien, maar minstens zo vaak zelf op straat meegemaakt..

Als ik mijn eigen woorden uit 2013 teruglees, merk ik dat mijn overtuiging niet wezenlijk is veranderd. Misschien zou ik de toon vandaag iets milder kiezen. Misschien zou ik minder snel zeggen dat de trainingen 'in de kinderschoenen' staan. Maar de kern blijft voor mij overeind.

Vakmanschap is geen cursus.

Vakmanschap is geen certificaat.

Vakmanschap is ook geen hokje dat je ieder jaar opnieuw kunt afvinken.

Vakmanschap is een houding. Een manier van leven. Een voortdurende bereidheid om te blijven leren, jezelf kritisch te bekijken en beter te willen worden.

Volgens mij is dat de beste bescherming die een politieman of politievrouw ooit kan krijgen.


Hoofdstuk 4.     Van bakstenen, bureaucratie en een kop koffie


Wanneer ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, moet ik af en toe glimlachen. Niet omdat ik mezelf zo geweldig vond, maar omdat ik zie hoe bloedserieus ik toen was. Alsof ik de Nationale Politie in een paar A4'tjes opnieuw ging uitvinden. De werkelijkheid bleek, zoals zo vaak, een tikkeltje weerbarstiger.

Toch blijf ik erbij dat een goed politiebureau veel meer is dan een verzameling bakstenen met een blauw logo op de gevel.

Een bureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenloopt, maar vooral voor de collega's die er soms midden in de nacht, na een reanimatie, een dodelijk verkeersongeval, een huiselijk drama of een geweldsincident even op adem proberen te komen. Een gebouw moet vóór je werken en niet tégen je.

In Sittard heb ik vaak gedacht dat de architect waarschijnlijk een prachtig cijfer heeft gekregen voor zijn ontwerp. Misschien zelfs een staande ovatie. Ik gun het hem van harte. Alleen had ik hem daarna graag een nachtdienst mee laten lopen. Gewoon eens kijken hoe het voelt wanneer een boze verdachte besluit dat een hekje in een verhoorkamer eerder een hordenwedstrijd is dan een veiligheidsvoorziening.

Sommige oplossingen zien er op papier fantastisch uit. Totdat de praktijk zich ermee gaat bemoeien.

Dat geldt overigens niet alleen voor gebouwen.

Wie ooit als wijkagent heeft gewerkt, weet dat hetzelfde opgaat voor formulieren.

Ik heb in mijn loopbaan processen-verbaal geschreven waar Tolstoj waarschijnlijk nog een vervolg op had kunnen bedenken. Soms kreeg je na dagen werk de vraag of je nog één zinnetje wilde toevoegen. Daarna nog een foto. Daarna nog een verklaring. Daarna nog een aanvulling op de aanvulling. Op een gegeven moment begon ik mij af te vragen of de verdachte inmiddels niet met pensioen was voordat het dossier compleet zou zijn.

Begrijp me niet verkeerd.

Een goed proces-verbaal is goud waard. Zorgvuldigheid hoort bij ons vak en daar mag nooit aan worden getornd. Maar er is een wereld van verschil tussen zorgvuldig werken en bureaucratie bedrijven omdat een systeem nu eenmaal daarom vraagt.

Ik heb altijd gevonden dat een politieman zijn tijd zoveel mogelijk buiten moet doorbrengen en zo weinig mogelijk achter een beeldscherm. Een beeldscherm houdt geen boeven aan. Een toetsenbord sust geen burenruzie. Een muis verleent geen eerste hulp.

De straat wel.

En daar hoort de politieman thuis.

Misschien is dat uiteindelijk wel de rode draad van mijn hele verhaal.

Ik heb nooit gedroomd van méér formulieren, méér protocollen of méér reorganisaties.

Ik droomde van betere samenwerking.

Van gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen.

Van zorgpartners die bereikbaar zijn wanneer de politie hen nodig heeft.

Van een Openbaar Ministerie dat net zo praktisch durft te denken als de diender die om drie uur 's nachts nog steeds op straat loopt.

Van politiemensen die de ruimte krijgen om politieman of politievrouw te zijn.

En ja... misschien droomde ik soms iets te groot. Maar dromen zijn als een wijkagent.

Ze lopen zelden precies de route die je van tevoren hebt uitgestippeld.

Dertien jaar nadat ik deze visie opschreef, weet ik één ding zeker.

Ik had lang niet overal gelijk. Sommige ideeën zijn ingehaald door de tijd. Andere bleken niet uitvoerbaar.

Maar over één ding ben ik niet van mening veranderd. Een sterke politie begint niet bij een minister. Niet bij een korpschef. Niet bij een burgemeester. En zelfs niet bij een splinternieuw bureau.

Zij begint iedere ochtend opnieuw wanneer een politieman of politievrouw het uniform aantrekt, de autosleutel pakt, een kop koffie naar binnen werkt die eigenlijk veel te heet is, tegen een collega zegt: 'Kom, veer gaon weer' en zonder precies te weten wat de dienst gaat brengen de straat op rijdt.

Daar, en nergens anders, begint veiligheid.



Epiloog


Terugkijkend besef ik dat ik in 2013 vooral een betere politieorganisatie probeerde te beschrijven. Zonder dat ik het wist, beschreef ik misschien ook wel de valkuil van mijzelf. Altijd oplossen. Altijd doorgaan. Altijd nog een stap extra zetten. Luctor et emergo — ik worstel en kom boven. Dat lukte gelukkig vaak, tot lichaam en geest op een dag zeiden: nu is het genoeg geweest.

Toch overheerst geen bitterheid. Daarvoor heb ik te veel mooie mensen ontmoet, te veel collega's zien groeien en te veel burgers mogen helpen. Als ik één wens heb voor politiemensen van nu, dan is het deze: blijf vakman. Zorg voor elkaar. En vergeet onderweg vooral jezelf niet. Want een organisatie kan worden gereorganiseerd. Een mens niet.

Opiniestukken zijn voor mij nooit een doel op zich geweest. Ze zijn een spiegel van mijn gevoel, van hoe ik naar de soms boze, soms mooie en vaak ingewikkelde wereld kijk. Ik schrijf niet omdat ik de waarheid in pacht heb, maar omdat ik mij blijf afvragen of het ook anders kan.

Vaak zoek ik daarbij bewust de randen van de gebaande paden op. Niet om dwars te zijn, maar omdat vooruitgang zelden ontstaat door steeds dezelfde route te blijven lopen. Binnen de cirkel van mijn invloed probeer ik iets in beweging te krijgen. Soms goedschiks, soms — als het echt niet anders kan — een beetje kwaadschiks. Altijd met de bedoeling om de samenleving, de politie of gewoon de mensen om mij heen een stukje verder te helpen.

Misschien kleur ik daarbij af en toe buiten de lijntjes.

Maar juist daar ontstaan vaak de mooiste ontdekkingen.

Niet op de keurig aangelegde wandelpaden, maar op de olifantenpaadjes die mensen zelf maken. Omdat ze voelen dat er een betere, kortere of logischere route bestaat.

Misschien zijn mijn verhalen uiteindelijk niets anders dan een zoektocht naar die olifantenpaadjes.

En als ik één ding heb geleerd in al die jaren, dan is het dat de mooiste routes zelden de vooraf uitgestippelde zijn.

woensdag 1 juli 2026

De onvoorziene factor

Inleiding

Onlangs keek ik op televisie naar een politiethriller. Het verhaal en de intriges beginnen heel klein, maar lopen uiteindelijk uit op een woeste vulkaan onder de dop van een explosieve eruptie, met de trillende duim nog net op de kratermond. Gesoigneerd gebracht met blitse live snapshots.

In het kort: in een woning ligt een vuurwapen verstopt in verjaardagsverpakking. De moeder, een oude bekende van een politieman, komt dit voorval melden op het bureau. Haar dochter is volledig ontspoord en de weg geheel bijster geraakt. Het huiselijke leven heeft zij ingeruild voor loverboypraktijken, drugs en een valse verliefdheid.

Het vuurwapen moet gevonden worden, want de vrees dat het illegaal gebruikt zal worden is sterk aanwezig. De politieman wordt overruled in zijn voorstel voor een sobere aanpak in eerste aanleg. Er wordt een volledig SWAT-team ingezet in een niveauverhogende, spannende casus. De muziek scherpt de emoties en de angst melodieus aan tot grote tenen krommende hoogten.

Maar ja, shit happens. Ook bij de politie.

Bij het binnenstormen van de woning gaan een aantal zaken mis. Dat had niemand van tevoren kunnen weten of inschatten. Snel geschoten beeldfragmenten uit de losse pols, de vastgelegde menselijke maat, angst en haantjesgedrag pareren een situatie die slecht uitpakt voor de geharnaste politie en de gebeurtenissen buiten proporties vergroot.

Om de aflevering op te pimpen worden nog enkele ingrediënten op de set rondgestrooid waar iedereen van smult en waardoor de kijker wordt meegezogen in een draaikolk van emoties en spanning. Het vuurwapen wordt na zoeking gevonden. De vader des huizes, tevens invalide vanwege een beenblessure, beweegt zich voort met een loopstok. In het donker van het portaal vermoedt iemand van het SWAT-team een slagwapen of een geweer. De vader wordt getaserd en raakt zwaar gewond. Comateus wordt hij afgevoerd. De politieman krijgt vervolgens van de meldster het verwijt dat er onnodig en bruut geweld is gebruikt.

Uiteindelijk komt alles toch nog goed. Het blijft tenslotte televisie. Een aflevering van Bad Boys of DCI Banks.

Veiligheid staat voorop, met inbegrip van het vooraf toetsen van de onmogelijkheden, veilig en snel werken en meester van de situatie blijven.

Mijn geleide herinnering

Deze televisiedetective brengt mij terug naar mijn eigen werk en een voorval dat al lang geleden heeft plaatsgevonden.

Ik heb dienst met een collega. Al enkele weken komen er meldingen binnen over een bepaalde locatie. Drugs zouden er in het spel zijn en uiteindelijk ook vuurwapens in een woning. Deze informatie wordt anoniem aangedragen op een wijze die onmiddellijke politieactie noodzakelijk maakt.

De potentiële verdachte is ambtshalve bekend bij de politie met een zogenaamde waslijst aan antecedenten waar je u tegen zegt. Opmerkelijk genoeg is het rondom zijn persoon juist rustig op het moment dat de anonieme vuurwapeninformatie binnenkomt. Het straatbeeld oogt kalm. Er zijn geen opvallende bewegingen of gedragingen waarneembaar.

De woning staat in een politieaandachtsgebied waar in het verleden geregeld meldingen van criminele feiten zijn gedaan door buurtbewoners.

Wij controleren de politieregisters en de beschikbare informatie. Gewapend met een machtiging tot binnentreden bellen wij in alle vroegte aan bij het betreffende adres.

Er is nog niemand op straat in deze afbraakwijk. Vele woningen in de omgeving zijn al verdwenen. Andere wachten op asbestsanering en de slopershamer. De buurt oogt desolaat en verlaten.

Voor mij voelt het tegelijkertijd als thuiskomen. Ik ben namelijk in deze straat geboren.

Als kind liep ik hier rond. Speelde ik tussen de woningen die er nu niet meer staan. Zag ik buren die elkaar nog kenden en kinderen die zonder afspraak buiten speelden tot het donker werd. Nu rest vooral stilte. Lege kavels, dichtgetimmerde ramen en woningen die hun laatste dagen tellen.

Het voelt vertrouwd en vreemd tegelijk. Alsof ik terugkeer naar een plek die ik ken, maar die onderweg grotendeels verdwenen is.

We hebben geen back-up aangevraagd, wel collegiale bijstand op afstand voor het geval dat. Want je weet nooit wat je kunt verwachten. Bovendien zijn bewoners in deze wijk meestal nog thuis en in diepe rust op dit vroege uur. Dat werkt in ons voordeel.

Na aanbellen komt de verdachte niets vermoedend aan de deur.

Wij stellen hem in kennis van het doel van ons bezoek. De machtiging hoeven we niet te gebruiken. Krachtens de wet vorderen wij de uitlevering van vuurwapens en munitie. De verdachte verleent medewerking en laat ons binnen.

Wanneer wij in de gang staan, komt onverwachts zijn huisgenoot uit de keuken aanlopen.

Een grote, buitengewoon gespierde pitbull.

De hond kijkt ons aan alsof hij al van jongs af aan gewend is aan politiebezoek. Met zijn enorme tong likt hij langs een bek die moeiteloos een forse hap zou kunnen nemen uit een politieman in vol ornaat.

Wij zijn even afgeleid door vriend pitbull.

De verdachte loopt ondertussen de woonkamer in om het vuurwapen te halen.

De hond volgt hem.

In het kozijn naar de woonkamer bevindt zich een kinderhekwerk dat achter de pitbull dichtvalt. Ik zou er eenvoudig overheen kunnen stappen, maar direct achter het hek staat de hond op zijn eigen terrein. Zijn houding verandert abrupt. Van vriendelijke huishond transformeert hij in een waakzame vechtmachine.

Verder gaan is geen optie.

Iedereen weet dat pitbullbeten niet bepaald tot de aangename ervaringen van het leven behoren.

De verdachte loopt naar een kast in de woonkamer. Wanneer hij een graai doet richting de vermoedelijke bergplaats van het vuurwapen roepen wij hem toe voorzichtig te zijn en geen onverwachte bewegingen te maken.

Hij begrijpt de ernst van de situatie en handelt conform onze aanwijzingen.

De pitbull interesseert het allemaal geen snars. Kennelijk heeft hij wel zin in een robbertje vechten met de smerissen.

Ik zie opeens dat hij prachtige witte tanden bezit, als een haai. Een hele rij dik.

Gelukkig bevindt zich nog altijd een hekwerk tussen hem en ons.

Mijn hand rust uit voorzorg op mijn pistool. Even later komt de verdachte rustig teruggelopen en overhandigt ons het voorwerp.

Het blijkt geen echt vuurwapen te zijn, maar wel een voorwerp dat uitstekend geschikt is om iemand te bedreigen of af te dreigen.

De pitbull blijft rustig. Waarschijnlijk omdat zijn baas in de buurt blijft.

De verdachte wordt geboeid en gereedgemaakt voor transport naar het bureau. Via een bekende of familielid wordt opvang voor de hond geregeld.

Daarna vervoeren wij de verdachte naar het bureau waar de recherche verder met hem aan de slag gaat over diverse feiten en het voorhanden hebben van een dreigend vuurwapen.

Terugkijkend had er van alles kunnen gebeuren.

Niet alleen vanwege het vermeende vuurwapen, maar juist vanwege de aanwezigheid van die hond.

Het gebeurde niet. Wij liepen ongehavend weer naar buiten en vervolgden onze dienst. Maar het had evengoed heel anders kunnen aflopen.

De televisiemakers zouden van deze ochtend waarschijnlijk een complete aflevering hebben gemaakt. Met dreigende muziek, snelle camerabeelden, een schreeuwende regisseur en een pitbull die op het laatste moment door de lucht vliegt.

De werkelijkheid was minder spectaculair.

Maar niet minder gevaarlijk.

Het verschil tussen een rustige aanhouding en een ernstig incident bedroeg die ochtend slechts enkele seconden, enkele meters en een paar verkeerde beslissingen.

Toen wij wegredden bleef de straat achter zoals wij haar aantroffen. Stil. Wachtend op haar onafwendbare einde. De straat waar ik ooit geboren werd en mijn eerste herinneringen verzamelde, zou binnenkort grotendeels verdwenen zijn.

Sommige zaken verdwijnen.

Huizen. Straten. Wijken.

Herinneringen niet.

Deze week had ik weer tweedaagse IBT in Kerkrade.

Maak een plan met escapes. Maak een plan A, een plan B en een noodplan. Ken de situatie. Vraag door. Zorg dat alles helder is voordat je optreedt. Regel back-up indien nodig. Treed contextgedreven op. Sluit verrassingen zoveel mogelijk uit en ga daarna pas resoluut en voortvarend aan de slag.

Eigen veiligheid en veilig werken staan voorop.

Vuurwapen zien is eigen vuurwapen trekken.

Ik hoor die grote beer van een IBT-docent met zijn rossige baard het nog steeds zeggen.

En weet je wat?

Hij heeft honderd procent gelijk.

Facebook een zegen of een vloek

Facebook: een zegen of een vloek?

Wat het volk wil, zo geschiede.

Merthe, proficiat met je zestiende verjaardag. Je wilde een paar vrienden uitnodigen voor een feestje. Een verkeerde druk op een verkeerde knop had echter tot gevolg dat duizenden mensen naar jou en jouw dorp Haren afreisden. Ik denk dat Haren inmiddels wel op de kaart staat.

Beste Merthe, pubers overzien de gevolgen van hun handelen vaak niet volledig. Dat hoort bij die levensfase. Dat jouw uitnodiging zulke enorme gevolgen zou hebben, kon niemand voorzien. Voor jou was het een leermoment. Voor de gemeente Haren was het een leermoment. Voor de politie eveneens, als het gaat om grootschalig optreden. Het kost wat, maar dan heb je ook een ervaring die niemand ooit nog vergeet.

In mijn onwetendheid dacht ik tot aan de Slag om Haren dat Facebook vooral een virtuele ontmoetingsplaats was. Een plek waar mensen digitaal afspraken maakten en digitaal contact onderhielden. Haren liet echter zien dat de grens tussen de virtuele en de echte wereld flinterdun is geworden.

Dagelijks zie ik fietsers verdiept in hun telefoon. Het verkeer om hen heen lijkt soms van ondergeschikt belang. Helaas zijn er inmiddels verkeersslachtoffers gevallen doordat sociale media belangrijker werden gevonden dan aandacht voor de weg. Voor ouders, nabestaanden en betrokkenen is dat een harde en onuitwisbare werkelijkheid.

De aanloop naar Haren was ongekend. Duizenden jongeren trokken naar een klein Gronings dorp dat daar simpelweg niet op berekend was. Overdag leek het nog een groot feest. Tegen de avond sloeg de sfeer om. Alcohol, groepsgedrag en anonimiteit deden hun werk.

Wat volgde kennen we allemaal. Verkeersborden werden vernield. Vuurtjes werden gestookt. Er werd met vuurwerk gegooid. Auto's raakten beschadigd of gingen in vlammen op. Winkels werden geplunderd. Tuinen veranderden in openbare urinoirs. Ramen sneuvelden en uiteindelijk werden ook politieagenten bekogeld met stenen en flessen.

De burgemeester had samen met politie en andere partners gekozen om het evenement gecontroleerd te laten plaatsvinden. De Mobiele Eenheid bleef achter de hand voor het geval de situatie onbeheersbaar zou worden.

Dat moment kwam.

Toen duidelijk werd dat de openbare orde ernstig werd verstoord, werd ingegrepen. Charges van de Mobiele Eenheid maakten een einde aan de wanorde. Achteraf startte de politie een uitgebreid onderzoek waarbij burgers werden opgeroepen beelden veilig te stellen. Terecht. Wie moedwillig vernielt, plundert of geweld gebruikt, moet daar verantwoordelijkheid voor dragen.

Wat mij vooral bezighoudt, is niet eens wat er die avond gebeurde.

Wat mij bezighoudt, is wat Haren blootlegde.

Een verkeerd geplaatst bericht op Facebook bracht duizenden mensen letterlijk op de been. Binnen enkele dagen ontstond een volksverhuizing richting een dorp dat daar nooit om gevraagd had. Sociale media bleken geen onschuldige digitale speeltuin meer, maar een kracht die rechtstreeks invloed heeft op de samenleving.

En dan stel ik mezelf een simpele vraag.

Als we via sociale media duizenden mensen kunnen mobiliseren voor een feestje dat uitmondt in rellen, waarom lukt het ons dan niet om diezelfde kracht in te zetten voor iets positiefs?

Waarom geen oproep voor mantelzorg?

Waarom geen massale inzet voor vrijwilligerswerk?

Waarom geen hulpacties voor ouderen, zieken of mensen die tijdelijk tussen wal en schip vallen?

Misschien is Facebook geen zegen.

Misschien is Facebook geen vloek.

Misschien is Facebook slechts een spiegel.

Een spiegel die laat zien wie wij als samenleving werkelijk zijn.

Haren liet zien hoe snel mensen zich laten meeslepen door groepsgedrag. Maar dezelfde technologie biedt ook kansen om mensen met elkaar te verbinden, elkaar te helpen en iets goeds te doen voor de maatschappij.

De vraag is dus niet wat Facebook is.

De vraag is wat wij ermee doen.

Tot slot hoop ik dat geen enkele diender tijdens de gebeurtenissen ernstig gewond is geraakt. Politieagenten verdienen het niet om hun werk te moeten doen onder een regen van stenen en flessen. Naar mijn mening werd er uiteindelijk rechtvaardig en noodzakelijk opgetreden om de orde te herstellen.

Geschreven naar aanleiding van Project X Haren (2012). Geredigeerde versie 2026.

dinsdag 23 juni 2026

Het jaar is bijna 2 dagen oud

2 januari 2013

Met kerst heb ik gewerkt en dus ben ik met oud en nieuw vrij. Binnen de politie is het ieder jaar opnieuw een strategisch steekspel van formaat. Collega's wringen zich in allerlei bochten om juist die feestdagen vrij te krijgen die thuis het meest gewenst zijn. Een terugkerend spanningsveld tussen krijgen en werken.

Persoonlijk heb ik weinig moeite met die verdeling.

Geef mij maar kerst vrij. Dan ontloop ik de loopgraven van kruitdampen, hossende menigten die naar alcohol en anarchie ruiken, en de jaarlijks terugkerende geweldsgolf tegen politie en hulpverleners. Het lijkt soms alsof tijdens de jaarwisseling tijdelijk andere natuurwetten gelden. Wat normaal niet mag, mag dan ineens een beetje. Wat verboden is, wordt gedoogd. En wat gevaarlijk is, wordt traditie genoemd.

De eenzamen, de zieken en de mensen die geen feestje hebben, laat ik daarbij nog buiten beschouwing.

Op 2 januari 2013 gaat om 05.00 uur de wekker. Dan is er koffie. Een boterham. Brood smeren voor onderweg.

Dan stap ik samen met mijn trouwste metgezel naar buiten: mijn Giant. Mijn stalen ros brengt mij door de koude ochtend naar het bureau.

De straten liggen er verlaten bij.

De rook van de afgelopen nacht hangt nergens meer zichtbaar in de lucht, maar op basis van ervaring weet ik beter. De jaarwisseling laat altijd haar sporen achter. Soms in de vorm van vernielingen. Soms in de vorm van letsel. Soms in de vorm van processen-verbaal. En soms in een vorm die veel definitiever is.

Om 06.30 uur sta ik in uniform op het bureau.

Nieuwjaarswensen vliegen over en weer tussen de afgaande nachtdienst en de opkomende ploeg.

"Rustige nacht gehad."

Dat heb ik in mijn loopbaan vaker gehoord. Meestal betekent het dat de ellende simpelweg is doorgeschoven naar de vroege dienst.

Onze eerste melding volgt niet veel later.

De thuiszorg heeft tijdens haar ronde een overleden bewoner aangetroffen. Gelukkig beschikt zij over een sleutel en is de woning reeds betreden. Zoals gebruikelijk volgen de noodzakelijke procedures. Een forensisch arts wordt ingeschakeld om een misdrijf uit te sluiten.

Dat blijkt gelukkig niet aan de orde.

Familie wordt geïnformeerd. De uitvaartondernemer wordt in kennis gesteld. Wij beantwoorden vragen en helpen waar mogelijk.

Een verdrietige melding, maar een melding die hoort bij het leven.

Nog voordat de afhandeling volledig is afgerond, komt een tweede melding binnen.

Een persoon zou van een flat willen springen.

Onze collega's van een andere surveillance zijn reeds ter plaatse.

De man staat boven aan de balustrade.

Hij is bekend binnen de hulpverlening. Een lange geschiedenis van psychische problemen gaat aan deze ochtend vooraf. Wat er zich precies in zijn hoofd afspeelt zullen wij nooit weten.

Wel weten we dat collega's alles doen wat binnen hun mogelijkheden ligt.

Ze praten. Ze proberen contact te maken. Ze proberen tijd te winnen.

Maar soms bereiken woorden iemand niet meer. Dan laat hij los.

Wanneer wij arriveren is het net gebeurd.

Ik ken die flats goed. Jaren eerder woonde ik in de buurt. Voor mij zijn het altijd herkenningspunten in het landschap. Die ochtend krijgen ze een andere betekenis. Zoals al zo vaak in het politiewerk."

Wat ik daar zie, staat nog steeds op mijn netvlies. Sommige beelden vervagen. Andere niet. Deze behoort tot die laatste categorie.

Daarna begint het werk. Onderzoek. Afzettingen. Registraties. Collega's. Hulpdiensten. Familie.

Iedere schakel moet zorgvuldig worden uitgevoerd. Zoals altijd. Zoals het hoort.

Wanneer alles uiteindelijk is afgerond, is het inmiddels middag geworden.

We krijgen een half uur om te eten. Een boterham smaakt dan niet anders dan normaal.

Dat blijft misschien wel een van de vreemdste eigenschappen van politiewerk.

De wereld kan in een paar uur volledig ontsporen, terwijl jij vervolgens gewoon je lunch opeet omdat de dienst nog niet voorbij is.

Wat er daarna nog gebeurd is die dag weet ik niet meer.

Deze twee meldingen hebben alle andere herinneringen overschreven.

Na afloop van de dienst stap ik weer op mijn Giant. De terugweg voert langs velden en paden die ik als een mentale TomTom instel.

Eindelijk rust. Geen portofoon. Geen meldkamer. Geen zwaailichten.

Alleen tijd om de gebeurtenissen nog eens langs te laten komen.

Thuis is het goed toeven.

De piketbedrijfsopvangfunctionaris sprak later met de betrokken collega's, waaronder wijzelf. Kijken. Luisteren. Peilen hoe iedereen erbij zat. Binnenkort zal nog een vervolggesprek volgen. 


Sommige nieuwjaarsdagen beginnen met vuurwerk.

Die van 2013 begon voor mij met de dood.