Een artikel in De Limburger over een woning vol katten triggert direct een herinnering. In gedachten rijd ik weer naast collega Jan tijdens een groepssurveillance bij de Plissé in Born, in een kerkdorp dichtbij de Grensmaas, met uitzicht op België.
Een melding doet ons stoppen bij een adres dat binnen het korps genoegzaam bekend is. De reden van de melding is eenvoudig: een penetrante ammoniaklucht die opnieuw voor klachten uit de buurt zorgt.
Wij zijn niet de eersten die hier komen en zullen waarschijnlijk ook niet de laatsten zijn. Het verhaal speelt zich af in de beginjaren tachtig, een tijd waarin de politie vaak als eerste én soms bijna als enige overheidsinstantie op dit soort problematiek afkwam. Niet omdat wij daarvoor waren opgeleid, maar omdat wij nu eenmaal dag en nacht bereikbaar waren.
De geschiedenis van dit adres staat al uitgebreid beschreven in onze systemen. De daadwerkelijke regie ligt eigenlijk bij zorginstanties en woningcorporatie als het gaat om vervuiling, dierenwelzijn en woonoverlast. Toch bellen wij opnieuw aan.
De deur wordt geopend door een grote man op leeftijd. Forse handen, een verweerd gezicht en een uiterlijk dat doet denken aan een cowboy die al jaren geen badkamer van binnen heeft gezien. Hij roept bij mij onmiddellijk een scène op uit een oude film van Terence Hill. Na een zeldzaam bad trekt hij daar doodleuk weer dezelfde smerige, stoffige kleren aan.
Zijn gebit lijkt op dat van een bokser die een zware aframmeling heeft gehad en daarbij de halve inhoud van zijn mond in de ring heeft achtergelaten. Zijn spraak is moeilijk verstaanbaar. Een kunstgebit zou hier waarschijnlijk meer op zijn plaats zijn dan een woordenboek. Maar achter dat uiterlijk schuilt vooral een man die al jarenlang wordt ingehaald door psychische en lichamelijke problemen.
Binnen slaat de lucht direct op de ademhaling. De woning is vochtig, tochtig, nattig en benauwend. Onze ogen beginnen vrijwel meteen te tranen. Het lijkt alsof de katten de gehele woning als kattenbak gebruiken. Kattenbakken zelf zijn nergens te bekennen.
Overal lopen katten. Op kasten, stoelen, tafels, vensterbanken en aanrechtbladen. Het zijn er zoveel dat tellen nauwelijks zin heeft. Een voordeel heeft het kennelijk wel: van muizen- of rattenoverlast lijkt geen sprake. Met zoveel dakhazen in dienst waagt geen enkele knager zich vrijwillig aan een carrière op dit adres.
Collega Jan neemt geduldig een verklaring op. Woord voor woord noteert hij wat de bewoner vertelt. Voor mij klinkt het als een onsamenhangende stroom van gedachten waarin werkelijkheid, herinnering en fantasie moeiteloos door elkaar lopen. Achter ieder antwoord hoor ik eigenlijk maar één boodschap: een stille schreeuw om hulp.
Ik herinner me nog goed dat op tafel een sprei lag die net zo vochtig aanvoelde als de stoel waarop Jan plaatsnam. Alles in huis leek klam. Alsof de woning langzaam oploste in haar eigen vocht en verval.
Na afloop doen wij wat we al zo vaak hebben gedaan. We adviseren, rapporteren en geven de situatie door aan de instanties die tijdens kantooruren verantwoordelijk zijn voor verdere zorg en begeleiding.
Daarna verlaten we de tussenwoning.
Met het onbevredigende gevoel dat we opnieuw getuige zijn geweest van menselijk verval zonder werkelijk iets te kunnen veranderen. Soms is de politie niet meer dan een doorgeefluik tussen nood en hulp. En soms voelt dat als veel te weinig.
Epiloog
Terug in de dienstauto draaien we de ramen handmatig open. Elektrische ramen zijn in die tijd blijkbaar nog toekomstmuziek binnen de politieorganisatie. De frisse buitenlucht stroomt gul naar binnen, maar de kattengeuren, ammoniakdampen en overige biologisch actieve bestanddelen laten zich niet zomaar verjagen.
Die zitten inmiddels diep genesteld in onze neusvleugels. Waarschijnlijk met een huurcontract voor onbepaalde tijd.
Onze uniformen zijn toe aan een wasbeurt van olympisch niveau.
Collega Jan begint onderweg plotseling driftig aan zijn rechteronderarm te krabben. Hij rolt zijn hemdsmouw omhoog. De huid is vuurrood en geïrriteerd. Waarschijnlijk een souvenir van de vochtige tafelsprei waarop hij tijdens het opnemen van de verklaring zijn arm had laten rusten. Dezelfde sprei die door de katten kennelijk was aangewezen als officiële uitlaatlocatie.
Ik kijk naar mijn eigen handen, net uit in mijn broekzakken gehaal. Schoon en reukloos. Soms is alertheid gewoon een onderschatte vorm van risicobeheersing.
De woningcorporatie en hulpverlenende instanties pakken de casus uiteindelijk op. Zoals zo vaak volgen gesprekken, plannen, evaluaties en goede bedoelingen. Even lijkt er verbetering te ontstaan.
Maar helaas.
Sommige dossiers hebben meer levens dan de katten die erin voorkomen.
Vele jaren later komen er opnieuw meldingen vanaf hetzelfde adres. De oorspronkelijke grijze cowboy woonr er niet meer. Nieuwe hoofdrolspelers hebben er hun intrek genomen.
De problemen zijn echter opmerkelijk trouw gebleven.
Deze keer geen twintig katten, maar vijf honden. Geen gemiauw, maar onafgebroken geblaf. Geen kattenpis, maar een betegelde achterplaats die eruitziet als een mijnenveld van hondendrollen gemaskeerd met een reukgordijn.
De stank is gebleven. De overlast ook. De geschiedenis herhaalt zich. Zij het met een andere cast.
En zoals gebruikelijk wijst iedereen naar dezelfde verdachten
De politie en de zon.
Want zonder die ontembare zonnestralen zou de geur natuurlijk nooit de kans krijgen zich met zoveel enthousiasme door de wijk te verspreiden.
Soms denk ik dat de zon meer processen-verbaal verdient dan menig veelpleger.
Toch is er in al die jaren ook iets veranderd.
Waar de politie begin jaren tachtig vaak noodgedwongen het eerste en belangrijkste vangnet vormde voor dit soort maatschappelijke problematiek, hebben zorginstanties, woningcorporaties en hulpverleners tegenwoordig gelukkig een veel grotere rol gekregen. Zoals het hoort.
Maar één ding blijft onveranderd.
Als eerste wordt nog altijd de politie gebeld.
En dus rijden agenten ook vandaag de dag nog naar meldingen waar achter stankoverlast, vervuiling, geluidshinder of verwaarlozing vaak een veel groter menselijk probleem schuilgaat.
Terugkijkend heb ik in dit soort zaken zelden iets zelf opgelost.
De politie beschikt immers niet over de middelen, bevoegdheden of deskundigheid om eenzaamheid, vervuiling, psychische problemen of maatschappelijke teloorgang te genezen.
Wat wij wel deden, was blijven signaleren. Blijven rapporteren. Blijven bellen. Blijven aandringen. Blijven aanklampen.
Net zolang totdat de instanties die daarvoor waren uitgerust hun verantwoordelijkheid konden nemen.
Soms voelde dat als dweilen met de kraan open. Soms leek het alsof dossiers eindeloos in kringetjes rondliepen.
Maar achteraf besef ik dat ook dát politiewerk was. Niet alles zelf oplossen.
Maar ervoor zorgen dat een probleem niet langer genegeerd kon worden.
De hoofdrolspelers wisselen. De honden vervangen de katten. De jaren verstrijken. Maar sommige verhalen weigeren simpelweg het toneel te verlaten.
En wij? Wij rijden weer verder naar de volgende melding. Met open ramen.
En een gezonde dosis wantrouwen jegens tafelspreien.




