Het spijkerbed van de topsport
Soms voelt topsport aan als spitsroeden lopen. Op het eerste moment snap ik Mike Foppen niet. Je loopt vierde op een EK, je bent nog volop in de wedstrijd en dan stap je uit. Mijn eerste gedachte is dan ook niet bepaald mild: ga ervoor, man. Je bent toch niet voor niets daar.
Maar achteraf denk ik er anders over.
Want iedere sporter die ooit serieus een wedstrijd heeft gedaan, weet dat een wedstrijd niet alleen wordt uitgevochten tegen een tegenstander, de klok of de afstand. Soms wordt de zwaarste wedstrijd gevoerd tussen je hoofd en je lichaam. Je hoofd wil door, maar je lichaam zegt dat het genoeg is. Of andersom. En soms werken ze allebei tegen je.
Fight, fright, flight. Vechten, verstarren of vluchten. Drie eenvoudige woorden voor een mechanisme dat helemaal niet zo eenvoudig is wanneer je er middenin zit.
Wanneer je als bokser de ring instapt, ben je voor mij al een winnaar. Niet omdat je de wedstrijd zeker gaat winnen, maar omdat je bereid bent het gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de judoka die de mat opstapt, de atleet die aan de start staat, de wielrenner die aan een klim begint of iedere andere sporter die zichzelf aan de wedstrijd uitlevert.
Want ga er maar aan staan.
Je voorbereiding moet goed zijn geweest. Je moet overtuigd zijn van jezelf, maar misschien heb je van nature al wat faalangst. En die faalangst is niet altijd negatief. Soms maakt spanning je juist scherper, alerter en gedrevener. Soms tilt diezelfde spanning je naar een niveau waarvan je vooraf niet wist dat je het bezat. Een zweem van bijna-verstandsverbijstering waarin ratio even naar de achtergrond verdwijnt en het lichaam het overneemt.
Soms legt het lichaam de stekker eruit.
Soms zet het de turbo aan.
De trainer staat langs de kant, de verwachtingen groeien, sociale media maken van iedere prestatie een oordeel en journalisten blijven aan je plakken. En als je helemaal pech hebt, zit de koning met zijn aanhang ook nog op de tribune. 😅
En dan moet jij presteren.
Niet één keer, maar steeds opnieuw. Want wanneer je eenmaal de status van topsporter hebt bereikt, moet je die status ook blijven waarmaken. Kwalificeren, presteren, opnieuw kwalificeren. Een maatschappelijke carrière staat misschien op een laag pitje, een gewone baan past niet meer in het schema en privé wordt er ook het nodige ingeleverd. Niet presteren voelt dan al snel als falen.
En juist daar wordt topsport keihard.
Wanneer je nog niets te verliezen hebt, kun je soms onbevangen lopen, slaan, fietsen of judoën. Maar zodra je iets hebt bereikt, ontstaat er ook iets anders: de angst om het weer kwijt te raken. Je loopt dan niet alleen vóór een medaille. Je loopt misschien ook tégen de gedachte dat je die medaille niet meer waard bent.
De baan blijft ondertussen gewoon dezelfde baan.
Maar voor de sporter kan die sintelbaan op een bepaald moment veranderen in een spijkerbed.
Dat weet iedere sporter. Misschien niet op hetzelfde niveau, maar wel uit eigen ervaring. Dat ene moment waarop je lichaam nog wel kan, maar je hoofd niet meer wil. Of je hoofd schreeuwt dat je door moet, terwijl je lichaam daar anders over denkt. En ondertussen kijkt de wereld toe.
Daarom begreep ik Foppen op het eerste moment niet.
Achteraf misschien wel iets beter.
Dat betekent niet dat ik weet wat er werkelijk in zijn hoofd of lichaam gebeurde. Dat weet alleen hij. Maar wij moeten misschien ook niet te snel oordelen over iemand die op een bepaald moment midden op dat spijkerbed staat.
Hij stapte uit. Hij had vrijwel meteen spijt.
En misschien was juist dat laatste wel het bewijs dat de wedstrijd voor hem nog lang niet voorbij was. De wedstrijd op de baan wel. Die in zijn hoofd duidelijk niet.
Maar topsport gaat uiteindelijk niet alleen over de top van de sport. Misschien begint de echte topsport wel daarbuiten, in het gewone leven. Ook daar kennen we spanning, faalangst, twijfel en momenten waarop hoofd en lichaam elkaar niet meer begrijpen. Ook daar vallen mensen. Soms hard.
Vallen, falen, opstaan en doorgaan. De baan, de ring en de judomat zijn slechts de zichtbare versie. De echte wedstrijd wordt vaak gespeeld waar niemand kijkt.
Door falen worden mensen gevormd. Niet omdat falen prettig is, maar omdat je er soms meer van leert dan van een overwinning. Het gaat niet om hoe vaak je valt. Het gaat erom dat je minstens één keer vaker opstaat dan dat je valt.
Die mensen noem ik helden.
De echte helden staan namelijk niet altijd in de spotlights. Vaak zijn ze onherkenbaar en ploeteren ze gewoon voort in hun bestaan, ten dienste van anderen. Een waar leger van grijze muizen die je pas echt mist wanneer ze er niet meer zijn, of wanneer je geen beroep meer op hen kunt doen.
De hulpverlener die komt wanneer iedereen weggaat. De politieman en brandweerman die doorgaan wanneer een ander stopt. De verpleegkundige die een nachtdienst draait terwijl de rest van Nederland slaapt. En de militair die niet alleen praat over onze vrijheid, maar bereid is haar daadwerkelijk te verdedigen.
Geen podium. Geen medaille. Geen miljoenenpubliek.
Maar wel iedere dag opnieuw aan de start.
Ook dat is topsport.
En misschien is dát wel de mooiste vorm van topsport.
Na al dat denken, twijfelen, analyseren en presteren blijft er uiteindelijk misschien maar één opdracht over:
Just do it.
Maar eerst koffie. 😅☕️
