Translate

zondag 12 juli 2026

Een gestolen fiets, een wereld aan verhalen

Intro: Over kryptonietstaal, intakewerk, vertrouwen en de werkelijkheid achter politiewerk.

Fietsers begrijpen elkaar

Een mooie gedachte om mee te beginnen.

Want fietsers en dieven hebben één ding gemeen: ze fietsen allebei als een wervelwind. De één voor zijn plezier, de ander om een gestolen fiets zo snel mogelijk uit beeld te krijgen.

Maar daar houdt de vergelijking ook meteen op.

Voor de één betekent een fiets vrijheid, ontspanning en gemak. Voor de ander is het slechts een middel om snel geld te verdienen.

Een fiets wordt vaak onderschat. Voor veel mensen is het echter geen luxeartikel, maar hun enige vervoersmiddel. Ik heb mij in mijn politietijd regelmatig afgevraagd: wat gebeurt er als iemand zijn fiets kwijtraakt en geen alternatief heeft?

Niet iedereen heeft een auto voor de deur. Niet iedereen heeft de financiële ruimte om zomaar een nieuwe fiets te kopen. Een gestolen fiets kan betekenen dat iemand problemen krijgt om op tijd op school, de studieplek of het werk te komen.

Dan verdwijnt niet alleen een fiets.

Dan verdwijnt een stukje zekerheid en zelfstandigheid.

Er wordt tegenwoordig veel gewaarschuwd: zet je fiets goed vast, gebruik een degelijk slot en maak gebruik van bewaakte stallingen. Maar dan gebeurt het toch. Juist op het moment dat het helemaal niet uitkomt, is je trouwe tweewieler verdwenen.

De persoonlijke levenssfeer krijgt dan een behoorlijke mentale deuk.

De politie kent tegenwoordig de digitale aangifte. Een praktische ontwikkeling waarbij mensen vanuit huis melding kunnen doen. Maar achter iedere aangifte zit een verhaal. Soms een verhaal dat meer aandacht verdient dan alleen het invullen van een formulier.

Ik wil twee casussen uit mijn politietijd beschrijven. Twee fietsen die uiteindelijk terugkwamen bij hun rechtmatige eigenaar. Maar ook twee voorbeelden waarin duidelijk wordt dat politiewerk niet altijd zo eenvoudig is als het van buitenaf lijkt.

Casus 1: een slot van kryptonietstaal

Tijdens mijn dienst mocht ik de intake verzorgen.

Niet mogen, maar moeten is misschien een betere omschrijving. Een aantal intakecollega's had de overstap gemaakt en mocht zich voor drie jaar politiestudent noemen. Dat betekende plaatsvervanging binnen de intake.

Iedereen draagt zijn steentje bij, dus ook ik.

Maar voordat ik verder ga, eerst een welgemeende pluim voor de collega's van de intake.

Deze collega’s werken vaak in relatieve anonimiteit. De burger ziet meestal alleen het eerste contact met de politie, maar niet altijd wat daarachter gebeurt.

Intake is meer dan een verhaal aannemen en gegevens invoeren.

Het is luisteren. Doorvragen. Emoties opvangen. Inschatten wat belangrijk is. En bepalen welke vervolgstappen nodig zijn.

Vaak begint het politiewerk daar.

Deze collega’s staan misschien minder vaak in de schijnwerpers, maar zijn een belangrijke schakel binnen de politieorganisatie.

Chapeau.

Dan komt er een gedupeerde aangever naar het bureau. Hij herkent zijn gestolen fiets.

De fiets staat gestald vlak bij het bureau in een fietsenstalling en is afgesloten met een slot waar je U tegen zegt.

Dit was geen gewoon slot.

Dit was een slot van kryptonietstaal.

Een gehard antidiefstalslot dat bijna onverwoestbaar leek. Een ware uitdaging voor iedereen die dacht het zomaar even open te krijgen.

De brandweer wordt erbij gehaald om te helpen. De pneumatische knipper wordt ingezet, maar het staal geeft geen krimp.

Zelfs de enorme kracht van dit apparaat krijgt geen vat op het slot.

Uiteindelijk moet de slijptol eraan te pas komen.

De schijf draait op bijna bovenaardse snelheid door het geharde staal. De vonken dalen als een vuurwerkshow neer op de stoep.

Het slot verliest uiteindelijk de strijd.

Maar de strijd kost ook wat.

De knipper raakt beschadigd en gemeenschapsgeld verdwijnt door een onverwachte totaalschadepost.

Maar de klus is geklaard.

De fiets gaat terug naar de rechtmatige eigenaar.

Ik maak melding van deze mooie afloop op Facebook.

En dan gebeurt wat tegenwoordig vaker gebeurt: de publieke opinie roert zich.

Sommigen zijn blij voor de gedupeerde. Anderen hebben direct hun oordeel klaar over het politieoptreden.

Maar de werkelijkheid achter politiewerk is vaak ingewikkelder.

Op dat moment was er geen mogelijkheid om langdurig te posten bij de fiets in de hoop dat de dader precies op het juiste moment zou verschijnen om het slot te openen.

Niet omdat de wil ontbrak.

Maar omdat capaciteit verdeeld moet worden over talloze andere meldingen, noodhulp en wettelijke taken.

Dat is soms moeilijk uit te leggen.

Facebook kent geen hoor en wederhoor. Emoties nemen soms de plaats in van feiten.

Ik ben ervan overtuigd dat wij binnen de beschikbare mogelijkheden en bevoegdheden de juiste keuze hebben gemaakt.

Het belangrijkste resultaat was dat de eigenaar haar fiets terugkreeg.

En daar ging het uiteindelijk om.

Casus 2: eerlijkheid opent soms andere deuren

Een andere avond had ik incidentenafhandeling met collega Roy.

Een gedupeerde meldde zich omdat zijn gestolen fiets op Marktplaats stond.

De fiets was eerder onafgesloten weggenomen.

Berouw komt soms na de zonde.

De aangever verwachtte eigenlijk dat de politie alles uit de kast zou halen om zijn fiets terug te halen. Dat wilden wij ook, maar politiewerk betekent altijd handelen binnen bevoegdheden.

Na overleg met de leidinggevende kregen wij ruimte om deze zaak op te pakken.

Wij maakten de aangever duidelijk dat ook van hem een inspanning werd verwacht.

Hij moest zelf naar de fiets gaan kijken en beoordelen of het daadwerkelijk zijn eigendom was.

Niet omdat wij geen moeite wilden doen, maar omdat zorgvuldig handelen noodzakelijk is.

Uiteindelijk ging hij kijken.

Wij reden mee als back-up.

Het bleek inderdaad zijn fiets te zijn.

Het adres was ons bekend. Samen met Roy klopte ik aan.

De deur ging open en de bewoner keek zichtbaar verrast toen hij twee mannen van de Hermandad voor zich zag staan.

De fiets stond in de gemeenschappelijke gang.

De verdachte werd aangehouden, geboeid en meegenomen naar het bureau.

Geen thuiskomst die avond, maar een verblijf in het bekende "hotel politie".

De volgende dag ging de fiets terug naar de eigenaar.

De verdachte had afstand getekend.

Een saillant detail: tijdens de fouillering werden ook de twee fietslampjes aangetroffen die bij de fiets hoorden.

Soms vallen de laatste puzzelstukjes precies op hun plaats.

Vertrouwen

Deze tweede casus kreeg nog een bijzonder vervolg.

Omdat ik eerlijk en realistisch was geweest tegenover de verdachte en hem correct had behandeld, kwam hij volgens afspraak later terug naar mij.

Niet als verdachte.

Maar als aangever.

Hij meldde andere misdrijven waarvan hij zelf slachtoffer was geworden.

Ook daar heb ik mijn stinkende best gedaan.

Want iedereen die bij de politie binnenkomt heeft recht op een correcte behandeling.

Ook iemand die eerder aan de andere kant van de tafel heeft gezeten.

Zo ontstond een hele waslijn aan meldingen en misstanden die allemaal aandacht verdienden.

Dat is soms de bijzondere kant van politiewerk.

Een verdachte van vandaag kan morgen gewoon een burger zijn die hulp nodig heeft.

Eerst luisteren, daarna schrijven

Een bijzonder onderdeel van mijn manier van werken tijdens de intake was dat mijn vingers niet altijd meteen het toetsenbord raakten.

Eerst luisteren.

Het verhaal begrijpen.

De mens achter de melding zien.

Pas daarna vroeg ik soms om aanvullende informatie per mail te sturen met alle bijzonderheden rond de casus.

Het voordeel was groot.

De aangever kreeg echte aandacht en ik kon mij richten op het gesprek in plaats van alleen op het invullen van schermen.

Daarna kon ik de informatie rustig teruglezen, controleren, kopiëren, bijsturen en verwerken.

Het bespaarde tijd en verbeterde vaak de kwaliteit van de aangifte.

Wanneer een aangifte of verhaal meer tijd nodig had dan gepland, liep ik regelmatig naar de balie en keek ik in de afsprakenagenda.

Door persoonlijk contact te maken met aanwezige mensen kon ik vaak beter inschatten wat nodig was.

Niet iedere melding hoefde dezelfde route te volgen.

Praktisch handelen.

Prioriteiten stellen.

Verantwoordelijkheid nemen.

Daar zat vaak de echte tijdwinst.

Slot

Het politievak kent vele gezichten.

Vroeger draaide ik plantondiensten bij de Rijkspolitie. Jaren later zat ik achter de intakebalie.

Andere werkzaamheden.

Andere tijden.

Maar dezelfde opdracht:

Mensen helpen en waar mogelijk het verschil maken.

Deze fietscasussen laten slechts een klein stukje zien van de werkelijkheid achter politiewerk.

Achter iedere fiets zit een eigenaar.

Achter iedere aangifte zit een verhaal.

En achter iedere politieactie zitten keuzes, bevoegdheden en mogelijkheden.

Maar achter iedere goede zaak staan ook collega’s.

Op straat. Achter het bureau. Aan de intake.

Soms zichtbaar. Vaak onzichtbaar.

Maar altijd belangrijk. Chapeau voor allemaal.


woensdag 8 juli 2026

De Japanse duizendknoop in de samenleving

 

De Japanse duizendknoop en mijn aha-moment 

Soms komt een inzicht uit een onverwachte hoek. Niet uit een dik beleidsrapport of een ingewikkelde analyse, maar gewoon uit een bericht over een plant.

Vanmorgen las ik over de bestrijding van de Japanse duizendknoop. Een plant die in Nederland voor grote problemen zorgt. 

Gemeenten, maar ook Rijkswaterstaat en mogelijk Provinciale Waterstaat binnen hun eigen werkgebied, besteden tonnen en soms miljoenen euro’s aan belastinggeld aan uitgraven, maaien, afdekken, stomen, elektriciteit en allerlei innovatieve methoden. 

En toch blijft de zoektocht naar hét wondermiddel doorgaan.

En toen kwam mijn aha-moment.

Ik had er al vaker over nagedacht tijdens mijn talloze fietstochten met mijn lief. Ook wij kwamen de Japanse duizendknoop steeds weer tegen: almaar uitdijende plekken, soms als groene muren die het zicht langs de weg letterlijk belemmeren.

In Japan groeit precies dezelfde plant al eeuwenlang. Geen nationale plaag. Geen enorme kostenpost. Geen voortdurende strijd.

Waarom?

Omdat daar het natuurlijke evenwicht nog bestaat. Insecten, schimmels en andere organismen houden de plant in balans. De natuur doet daar grotendeels wat wij hier met veel inspanning, tijd en geld proberen te herstellen.

Sterker nog: onderzoekers kijken inmiddels juist naar Japan. Naar de kennis die daar aanwezig is en zelfs naar natuurlijke bestrijders die mogelijk kunnen helpen. Misschien ligt de oplossing dus niet altijd in méér bestrijden, maar soms in beter begrijpen.

Misschien is de goedkoopste studiereis voor Nederland soms wel een retourtje Japan. Niet voor de sushi of de tempels, maar om te kijken hoe een ander een probleem al eeuwenlang beheerst.

En ineens dacht ik: misschien gaat dit helemaal niet alleen over een plant.

Hoe vaak proberen we niet de gevolgen te bestrijden, terwijl de oorzaak blijft bestaan?

Dat zien we bij allerlei maatschappelijke vraagstukken. Bij begrotingstekorten, bij overlast, bij veiligheid en bij andere ontwikkelingen die steeds opnieuw vragen om inzet, capaciteit en geld. Natuurlijk moeten problemen worden aangepakt wanneer ze ontstaan. Maar duurzaam beleid begint vaak eerder: bij het voorkomen van onbalans.

Het doet me denken aan hoogwater. Je kunt iedere keer opnieuw de schade herstellen, zandzakken stapelen en achteraf repareren. Maar uiteindelijk is het verstandiger om vooruit te kijken: rivieren de ruimte geven, dijken versterken en de oorzaak van kwetsbaarheid aanpakken.

Een samenleving werkt eigenlijk niet anders dan de natuur.

Een gezonde samenleving ontstaat niet door alleen maar achter problemen aan te lopen, maar door sterke fundamenten te bouwen. Daar ligt ook een belangrijke taak voor de overheid: niet alleen reageren wanneer het misgaat, maar de bouwstenen maken waarop burgers kunnen vertrouwen en verder kunnen bouwen.

Een samenleving waarin mensen verantwoordelijkheid nemen, waarin grenzen duidelijk zijn en waarin ruimte is voor mens, natuur en leefomgeving.

Iedereen op zijn plek. Niet door uitsluiting, maar door balans.

Van mens tot wolf. Van rivier tot duizendknoop.

Want misschien geeft juist die hardnekkige plant ons een eenvoudige, maar belangrijke les:

Wie alleen de gevolgen blijft bestrijden, blijft de rekening betalen. Wie de oorzaak begrijpt en het evenwicht herstelt, bouwt aan een oplossing die langer meegaat.

Soms ligt de natuur ons al eeuwen voor. De vraag is alleen of wij bereid zijn om te luisteren.


Slotgedachte 

Een belangrijke nuance: niet iedere duizendknoop is een probleem. Duizendknoopsoorten maken deel uit van de natuur en het feit dat een plant ergens groeit, maakt haar niet automatisch ongewenst. Het vraagstuk gaat specifiek over de invasieve Japanse duizendknoop, die buiten zijn oorspronkelijke leefgebied door het ontbreken van natuurlijke vijanden sterk kan uitbreiden en daarmee schade of overlast kan veroorzaken.

En misschien zit daar nu juist de bredere les…

Respect, een bamboestokje en een lat

Onlangs zag ik in de media beelden van een judoles in Japan. Ze bleven me bezighouden. 

Niet omdat ik geweld wil verheerlijken – integendeel – maar omdat ze mij opnieuw deden nadenken over een begrip dat tegenwoordig nogal verschillend wordt uitgelegd: respect.

Respect kent vele gezichten. De vraag is niet alleen wat respect is, maar ook hoe je het geeft, ontvangt en verdient.

Op de beelden zat een oude Sensei zwijgend langs de rand van de judomat. Hij keek aandachtig toe. Niet vluchtig, maar met de scherpe blik van iemand die elke houding, elke beweging en elke uitvlucht zag.

Plotseling riep hij een leerling bij zich. De jongen liep beheerst, maar zichtbaar gespannen naar voren. De meester sprak weinig woorden. Kort, krachtig en met een stem die geen ruimte liet voor discussie. In zijn hand hield hij een dun bamboestokje, waarmee hij tijdens zijn uitleg tegen de armen en benen van de leerling tikte. Niet om hem te mishandelen, maar om zijn boodschap kracht bij te zetten.

Als zo'n filmpje vandaag zonder context op sociale media zou verschijnen, zouden de verontwaardigde reacties waarschijnlijk niet lang op zich laten wachten.
Toen de meester uitgesproken was, gebeurde echter iets wat mij vooral opviel.

De leerling boog diep, vroeg toestemming om te mogen spreken en bedankte de Sensei. Hij zei dat hij het een grote eer vond dat de meester de moeite had genomen juist hem te corrigeren. Blijkbaar vond de meester hem de moeite waard om beter te worden.

Dat zette mij aan het denken. Vroeger kreeg je soms een tik om iets af te leren. Tegenwoordig krijg je soms helemaal niets meer te horen, uit angst iemand te kwetsen. Ik vraag me weleens af welk uiterste uiteindelijk de meeste schade aanricht.
Terwijl ik naar die beelden keek, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar mijn eigen lagere school. Ook daar werd, zij het op een heel andere manier, duidelijk gemaakt wat wel en niet mocht.

Ik ben nog van de generatie die met de lat kennismaakte. Links schrijven was ongewenst. Pats op je linkerhand en voortaan rechts schrijven. Ik schreef bovendien met een kroontjespen, wat het er niet makkelijker op maakte. Het gevolg is dat ik nu, ruim zestig jaar later, soms nog moeite heb om mijn eigen handschrift te ontcijferen. Ik heb dus niet alleen respect voor kalligrafen, maar ook voor iedereen die mijn boodschappenlijstje zonder tolk kan lezen.

Dat verschil is interessant. De Japanse Sensei corrigeerde vanuit discipline en vorming, hoe hard dat tegenwoordig ook overkomt. Op mijn school draaide het vooral om aanpassen aan de norm. Beide voorbeelden stammen uit een andere tijd en beide zouden vandaag de dag terecht veel discussie oproepen.

Gelukkig zijn de bamboestok en de schoollat verleden tijd. Dat is winst. Maar soms bekruipt mij het gevoel dat we naar het andere uiterste zijn doorgeschoten. Feedback wordt al snel opgevat als een aanval, terwijl een goedbedoelde correctie juist een blijk van betrokkenheid kan zijn.

Ergens tussen keiharde discipline en de angst om iemand nog aan te spreken, ligt een gezonde middenweg.

Respect is niet hetzelfde als angst. Echte groei begint bij iemand die de moeite neemt je iets te leren én bij iemand die bereid is daarvan te leren.

Misschien is dat wel de belangrijkste les die die beelden mij hebben meegegeven.
Corrigeren is niet hetzelfde als kleineren. Soms is het juist een teken dat iemand de moeite waard wordt gevonden 

maandag 6 juli 2026

Weerbaarheidstraining bij de politie

Opleiding in Baexem 1977
In het politievak is training bedoeld om je sterker te maken voor de straat — niet om je daar al op te breken.

De discussie over weerbaarheidstraining binnen de politie is niet nieuw. In 2013 kwamen politiestudenten in het nieuws nadat zij tijdens een weerbaarheidsoefening gewond raakten, met onder meer gekneusde ribben en een gebroken kaak als gemelde letsels. Het ging om een situatie binnen de Politieacademie waarbij realistische geweldssimulaties werden toegepast. Naar aanleiding hiervan werd onderzoek ingesteld en volgden later aanpassingen in het betreffende trainingsonderdeel.

Wat dit destijds al duidelijk maakte, is dat de balans tussen realisme en veiligheid in training een blijvend spanningsveld vormt. En dat gesprek is vandaag de dag niet minder actueel geworden.


TRAINING

Bij de politie is weerbaarheidstraining al jaren onderwerp van discussie. Het vak vraagt om realistische voorbereiding op geweldssituaties, maar die realiteit kent altijd duidelijke grenzen.

Sport en fysieke training vormen een belangrijk fundament, maar nooit het enige ingrediënt in het politievak. Naast training, motivatie, herstel en voeding zijn er cruciale elementen zoals samenwerken, specificiteit, veiligheid, communicatie, werken binnen bevoegdheden en het behalen van het operationele doel.

Al deze factoren bepalen of training daadwerkelijk overdraagbaar is naar de praktijk.

Wat in dit soort casuïstiek telkens terugkomt, is het belang van duidelijke kaders vooraf. Ongeacht de trainingsvorm moet helder zijn wat het doel is, welke risico’s acceptabel zijn en waar de grenzen liggen.

Realistisch trainen mag nooit betekenen dat veiligheid en controle verdwijnen.


WEERBAARHEID

Krachttraining en fitness zijn belangrijk, maar vormen vooral de basis van grove motoriek binnen een breder geheel.

Weerbaarheid in het politievak is een samenspel van kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid en coördinatie. Minstens zo belangrijk zijn mentale weerbaarheid, besluitvorming onder stress en het vermogen om te blijven handelen binnen de wet en je bevoegdheden.

De praktijk op straat is onvoorspelbaar. Incidenten ontstaan vaak onverwacht en vragen directe keuzes. In die momenten moet je kunnen vertrouwen op training, ervaring en samenwerking, maar altijd binnen de grenzen van proportionaliteit en professionaliteit.


PRAKTIJK

Een top-prestatie in het politievak ontstaat alleen als lichaam en geest als één geheel functioneren.

Dat is een samensmelting van ervaring, fysieke conditie, psychische belasting, technische vaardigheden, tactisch inzicht en sociale samenwerking.

Samenwerken blijft daarin cruciaal. Politiewerk is zelden individueel werk. Vertrouwen in je collega, duidelijke communicatie en wederzijds waarnemen maken vaak het verschil tussen controle en chaos.

Daarom moet training niet alleen individueel gericht zijn, maar juist ook op teamfunctioneren onder druk.

Herhaling blijft daarbij het sleutelwoord. Wat niet wordt herhaald, komt niet automatisch beschikbaar op het moment dat het nodig is.

Misschien is één belangrijk ingrediënt nog niet genoemd: geluk.

Want hoe goed je ook traint en voorbereidt, elke geweldsituatie blijft afhankelijk van factoren die je nooit volledig kunt controleren.

Daarom is de vraag niet alleen hoe realistisch we trainen, maar vooral hoe we zorgen dat we mensen voorbereiden op de werkelijkheid, zonder ze onderweg onnodig te beschadigen.

Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek. Niet om te oordelen, maar om te leren. Want goede politietraining moet politiemensen beter maken voor de straat — niet slechter voordat ze daar überhaupt komen.


NAREDE

In de nasleep van dit soort casuïstiek is destijds binnen de Politieacademie gekeken naar de inrichting van de training, de veiligheidsborging en de mate waarin realisme en controle in balans waren. Dat heeft geleid tot evaluaties en aanscherping van de kaders rond weerbaarheidstraining.

De kern die daarbij overeind blijft, is dat realisme in training waardevol is, maar nooit los kan staan van strakke regie, duidelijke leerdoelen en een onbetwiste borging van veiligheid.

Want zodra die balans verschuift, verliest training haar waarde: het voorbereiden van professionals op de praktijk, niet het blootstellen van studenten aan risico's die juist in opleiding beheerst moeten worden.

Tegelijkertijd is de praktijk op straat de afgelopen jaren niet milder geworden. Geweld en agressie tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel en andere hulpverleners lijken steeds vaker onderdeel van het dagelijkse werk. Dat is een ontwikkeling die niemand normaal zou mogen vinden.

De overheid reageert daarop regelmatig met nieuwe onderzoeken, beleidsmaatregelen of aanvullende wetgeving. Dat kan zinvol zijn, maar naar mijn overtuiging ligt de grootste winst niet altijd in méér regels. Nederland beschikt al over een uitgebreid wettelijk instrumentarium en de politie over ruime bevoegdheden. Waar het vooral om gaat, is een consequente toepassing daarvan, ondersteund door duidelijke rugdekking vanuit de overheid, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak.

Wie van politiemensen verwacht dat zij daadkrachtig optreden, zal hen ook de ruimte en het vertrouwen moeten geven om dat professionele optreden waar te maken. Dáár begint echte weerbaarheid. 

Mijn opinie over operationeel leiderschap,

Inleiding

Soms kom je een oud stuk tegen waarvan je hoopt dat het inmiddels door de tijd is ingehaald. En soms ontdek je dat het vooral een blauwdruk bleek... of misschien wel een vriendelijke waarschuwing vooraf.

Onderstaande reactie schreef ik in 2013, naar aanleiding van het Ontwerpplan Nationale Politie en de toen aangekondigde rol van de operationeel leidinggevende. Destijds was het niet meer dan een visie op papier. De vraag was of die ook de weerbarstige praktijk zou overleven.

Hoe kijk ik tegen operationeel leiderschap aan?

Het is een interessante omslag in denken. En hopelijk straks ook in handelen. Toch lees ik met een gezonde dosis scepsis dat het vooralsnog een ontwerp is. Een mooie luchtballon blijft immers een luchtballon totdat we daadwerkelijk geproefd hebben van de nieuwe operationele leidinggevende.

Voor sommigen zal deze toekomstgedachte wellicht enige gewenning vragen. Operationeel leiderschap laat zich namelijk niet vangen in een functiebeschrijving alleen. Wie werkelijk tussen de mensen en de operatie staat, kan zich niet verschuilen achter processen of systemen. Zichtbaarheid brengt verantwoordelijkheid met zich mee. En misschien is dat wel precies zoals leiderschap bedoeld is.

Misschien zit daarin ook wel de grootste misvatting. Operationeel leiderschap hangt wat mij betreft niet aan een rang, een functiebeschrijving of een extra streep op de schouder. Het hangt aan de mens. Aan iemand die met beide voeten in de klei staat, de operatie door en door kent en van daaruit richting geeft. Naast zijn mensen als het kan, vóór zijn mensen als het moet.

Leiderschap bewijst zich niet tijdens kantooruren of aan de vergadertafel. Het krijgt zijn ware betekenis op straat, vierentwintig uur per dag. Juist op de momenten waarop de meeste mensen genieten van hun nachtrust en politiemensen waken over de veiligheid van anderen. Dáár wordt een operatie niet alleen geleid, maar soms ook geleden. En juist daar blijkt wie werkelijk leiding geeft.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van operationeel leiderschap. Ik heb in mijn loopbaan meer dan eens meegemaakt dat een goede leidinggevende mij, terwijl ik met beide voeten in de modder van de menselijke arena stond, simpelweg vroeg: "Han, wat is volgens jou op dit moment het beste om te doen?"

Niet uit onzekerheid, maar uit vertrouwen. Omdat hij wist dat degene die midden in de situatie staat soms nét iets scherper ziet dan degene die er van een afstand naar kijkt. Daarna nam hij zijn verantwoordelijkheid als leidinggevende, met alle consequenties die daarbij horen. Dat is geen zwakte. Dat is kracht. Geen hiërarchie om de hiërarchie, maar leiderschap dat de praktijk als kompas neemt.

Als de leidinggevende niet langer wordt dichtgetimmerd met beheer en administratie, krijgt hij eindelijk de ruimte waarvoor de functie ooit bedoeld was: aanwezig zijn in de operatie. Meedenken, aansturen, meelopen, keuzes maken en achteraf samen met de collega's reflecteren op basis van eigen waarnemingen en ervaringen die zijn opgedaan tijdens de vaak complexe en soms verhitte interventies.

Juist daarin zit de meerwaarde. Niet sturen vanuit een bureau, maar vanuit de praktijk. Samen komen tot de kern van het politiewerk. Samen beoordelen welke afwegingen zijn gemaakt, welke interventies passend waren en hoe je daarvan leert. Zeggen wat we doen, doen wat we zeggen en daar gezamenlijk verantwoordelijkheid voor nemen. No matter what. Zo ontstaat uiteindelijk een beter politieproduct.

Maar dat is slechts één kant van het verhaal.

De operationeel leidinggevende zal ook zelf ervaren hoe weerbarstig de praktijk kan zijn. Als BVH opnieuw niet meewerkt en collega's noodgedwongen creatief moeten worden op een manier waarvoor het systeem nooit bedoeld was. Als er opnieuw taken op het bord van de politie belanden die daar eigenlijk niet thuishoren. Als protocollen vooral de belangen van netwerkpartners dienen, terwijl politiemensen daardoor kostbare tijd verliezen en opnieuw moeten wachten op besluiten van anderen.

Juist dan kan een operationeel leidinggevende vanuit eigen ervaring het gesprek voeren. Niet alleen binnen de politie, maar ook met de eigenaar van de integrale veiligheidszorg: de gemeente. Vanuit die positie kan hij of zij partners aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid en de balans in de keten helpen herstellen.

De belangrijkste randvoorwaarde? Dat ook de organisatie achter haar mensen gaat staan. Dat er werkelijk vertrouwen wordt gegeven. Dat erkend wordt hoe complex het politiewerk is. Dat wet- en regelgeving weer meer werkbaar en billijk wordt. En dat de politie zich weer maximaal kan richten op haar kerntaak: het leveren van professionele politiezorg aan de samenleving.

Dertien jaar later lees ik dit terug met een glimlach, maar ook met verwondering. Niet omdat ik destijds gelijk wilde krijgen, maar omdat veel van de vragen van toen nog altijd actueel zijn. Structuren veranderen op papier vaak sneller dan de praktijk.

Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie. Operationeel leiderschap ontstaat niet uit een organisatiemodel of een rangonderscheidingsteken. Het ontstaat uit vakmanschap, vertrouwen, zichtbaarheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen. Midden tussen de mensen. Met de voeten in de klei. Daar waar de samenleving de politie het hardst nodig heeft.


Hondje Remie of Remia in de Drechtunnel op de A16

Remie in de Drechttunnel

Een hond die doodgemoedereerd door de Drechttunnel van de A16 wandelt. Je leest zo'n bericht en mijn fantasie slaat meteen op hol.

Misschien is hij weggelopen. Misschien uitgezet. Misschien was hij gewoon onderweg naar huis. Zijn interne TomTom zegt immers niet: "Neem afslag 23," maar: "Volg je neus."

Daar gaat Remie. Alleen. Dwars door velden, wegen en uiteindelijk... een tunnel waar zelfs de gemiddelde wandelaar zich nog eens achter de oren zou krabben.

Niemand die naar hem omkijkt. Tranen in de hondenoogjes.

"Waarom ben ik alleen? Dat wil ik helemaal niet..."

Een landkaart lezen zit er niet in. De weg vragen ook niet. En dus blijft alleen dat onovertroffen navigatiesysteem over: de speurneus, gemonteerd op het voorste punt van zijn aangezicht.

Om hem heen razen alleen maar Max Verstappens voorbij. Oorverdovend lawaai. Uitlaten zo groot als de hoogovens van weleer. Een stalen storm waarin iedere snuffel verdrinkt.

De paniek begint langzaam terrein te winnen... maar net niet helemaal. Want honden beschikken gelukkig over iets wat wij mensen onderweg nogal eens verliezen: hoop.

Hoop dat achter iedere bocht het gouden mandje weer opduikt.

Tenzij...

Tenzij dat mandje er niet meer staat. Omdat het baasje de kosten niet meer kon dragen. Of omdat Remie simpelweg als oud vuil aan de kant is gezet.

En terwijl mijn fantasie verder afdwaalt, dient zich ook een minder vrolijke gedachte aan.

Het is vakantietijd. Helaas worden juist in deze periode ook huisdieren achtergelaten. Omdat de vakantie al geboekt is. Omdat pensions vol zitten of te duur zijn. Of simpelweg omdat een hond ineens niet meer in de planning past.

Ik hoop oprecht dat dit voor Remie niet geldt. Dat hij gewoon een avonturier is die iets te enthousiast achter zijn snuffel is aangelopen. Dat zou een veel mooier verhaal zijn.

Of misschien is dit allemaal grote onzin en liep hij gewoon zijn dagelijkse inspectieronde.

Wie het weet, mag het zeggen.

Dan wordt het ineens rustig in de tunnel.

Aan het einde van deze tunnel is licht... en gelukkig geen tegemoetkomende koplampen meer.

In de verte naderen voorzichtig enkele voertuigen. Er stappen mensen uit. Gek uitgedost in zwart-geel. Net menselijke wespen.

Ze roepen. Ze lokken. Ze proberen hem gerust te stellen.

Dan ziet Remie het.

"Hé... de politie! Vriend en helper!"

Of toch niet?

Want tegenwoordig hoor je zoveel over nepagenten. En die brengen zelden iets goeds. Dus kiest Remie eieren voor zijn hondenbrokken en zet het opnieuw op een lopen.

De menselijke wespen geven echter niet op.

Na een korte achtervolging wordt Remie – of misschien was het toch Remia – veilig ingevangen.

Nu maar hopen dat hij of zij gechipt is. Dat ergens een baasje de telefoon opneemt. Dat het mandje nog bestaat.

Sommige achtervolgingen eindigen met handboeien. Deze gelukkig met een hondenriem. Dat is toch een stuk gezelliger voor alle betrokkenen.

Eind goed... al goed.

zondag 5 juli 2026

Een wijkagent leest zijn eigen toekomstvisie uit 2013 terug

Hoofdstuk 1. Dertien jaar later… Een oude visie met verrassend veel nieuwe vragen.


De Nationale Politie stond nog in de steigers. Er werd volop gediscussieerd over de toekomst van het politiewerk, de organisatie en de manier waarop veiligheid in Nederland vorm moest krijgen. Op verzoek van de leiding zette ik destijds mijn gedachten op papier. Geen beleidsnota, geen wetenschappelijke verhandeling en al helemaal geen managementtaal. Gewoon de visie van een wijkagent die dagelijks op straat stond, tussen de mensen.

Nu schrijven we 2026.

Onlangs las ik mijn eigen verhaal terug. Dat voelde alsof ik een oude collega tegenkwam. Iemand die ik door en door kende, maar die ik al jaren niet meer had gesproken.

Sommige gedachten zijn ingehaald door de tijd. Dat is maar goed ook. De samenleving verandert, de politie verandert en inzichten veranderen mee. Maar eerlijk gezegd schrok ik van iets anders: hoeveel onderwerpen na dertien jaar nog steeds actueel zijn.

De krapte op straat. Het oneigenlijk gebruik van de politie. De administratieve druk. Het geweld tegen politiemensen. De samenwerking met gemeenten, zorgpartners en justitie. De voortdurende zoektocht naar voldoende capaciteit. Veel van de discussies die vandaag worden gevoerd, speelden toen ook al.

Natuurlijk zou ik sommige passages vandaag anders formuleren. De jaren in het politiewerk, maar ook de jaren daarna, hebben mijn blik verder verdiept. Ik kijk inmiddels niet alleen meer door de ogen van de wijkagent, maar ook door die van iemand die de organisatie van een afstandje heeft kunnen bekijken. Dat levert nuance op, zonder dat de kern verandert.

Want die kern is eigenlijk heel eenvoudig.

Een sterke politie bouw je niet met nóg een reorganisatie. Niet met nóg een protocol. Niet met nóg een computersysteem.

Een sterke politie bouw je met vakmensen. Met vertrouwen. Met robuuste teams. Met bestuurders die keuzes durven maken. En met ketenpartners die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen taak, zonder die ongemerkt bij de politie neer te leggen.

Die overtuiging had ik in 2013. En die heb ik vandaag nog steeds.

Robuuste basisteams beginnen niet bij een gebouw

Toen ik mijn visie schreef, werd veel gesproken over huisvesting, schaalvergroting en nieuwe politiebureaus. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar ze vormen nooit het fundament van een goed functionerende politieorganisatie.

Een robuust basisteam ontstaat niet doordat je medewerkers onder één nieuw dak zet. Dat ontstaat doordat mensen elkaar kennen, elkaar vertrouwen en weten wat ze aan elkaar hebben wanneer het erop aankomt.

Een politiebureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenkomt, maar zeker ook voor de collega's die er dagelijks werken. Een bureau moet overzichtelijk, veilig en functioneel zijn. Geen architectonisch visitekaartje, maar een werkplek die is ontworpen voor het politiewerk.

Veiligheid begint namelijk al bij de inrichting van een gebouw. Denk aan verhoorkamers, publieksruimten, looproutes en balies. Een verkeerde keuze op de tekentafel kan in de praktijk grote gevolgen hebben. Dat zijn geen details. Dat zijn voorwaarden om veilig te kunnen werken.

Maar uiteindelijk bepalen niet de muren de kwaliteit van een basisteam.

Dat doen de mensen.

Een robuust team heeft voldoende omvang om ziekte, opleidingen, verlof, evenementen en onverwachte incidenten op te vangen zonder voortdurend collega's elders weg te trekken. Wie structureel capaciteit moet lenen uit andere districten, lost vandaag misschien een probleem op, maar creëert morgen een nieuw tekort ergens anders.

Een robuust team beschikt bovendien over ervaring. Jong talent is onmisbaar, maar ervaring eveneens. Juist de combinatie van frisse energie en doorgewinterde praktijkkennis maakt een team sterk. Dat evenwicht mag nooit verloren gaan.

Daar hoort nog iets bij.

Een robuust team durft ook grenzen te stellen. Niet iedere veiligheidsvraag kan automatisch door de politie worden opgelost. De politie is een onmisbare schakel in de veiligheidsketen, maar niet de enige. Zodra andere organisaties hun verantwoordelijkheid niet nemen, ontstaat het risico dat de politie steeds meer taken overneemt waarvoor zij nooit bedoeld is geweest.


Hoofdstuk 2.       Wie draagt de aap? Over samenwerking, verantwoordelijkheid en         oneigenlijk politiegebruik,


Veiligheid maak je samen, maar verantwoordelijkheid kun je niet uitbesteden

Al in 2013 was ik ervan overtuigd dat veiligheid veel meer is dan een politietaak. Die overtuiging is in de loop der jaren alleen maar sterker geworden.

Een politieorganisatie kan nog zo professioneel zijn; wanneer gemeenten, zorginstellingen, justitie en andere netwerkpartners niet gelijktijdig optrekken, blijft de politie voortdurend achter de feiten aanlopen.

De politie is vaak degene die als eerste wordt gebeld. Niet omdat ieder probleem een politietaak is, maar omdat de politie altijd bereikbaar is. Vierentwintig uur per dag. Zeven dagen per week.

Dat is een groot goed. Maar tegelijkertijd schuilt daarin een valkuil.

De politie wordt daardoor steeds vaker de organisatie die problemen opvangt die eigenlijk ergens anders thuishoren. Niet omdat collega's dat graag willen, maar omdat de burger hulp nodig heeft en er op dat moment niemand anders beschikbaar is.

Dat is begrijpelijk. Maar het mag nooit de normale gang van zaken worden.

De gemeente als regisseur van veiligheid

Ik vond toen al – en vind dat nog steeds – dat de gemeente veel nadrukkelijker de regie moet voeren over de integrale veiligheid.

Niet vanuit macht, maar vanuit verantwoordelijkheid.

De burgemeester beschikt over bestuursrechtelijke instrumenten, de gemeenteraad bepaalt de kaders en de gemeentelijke organisatie beschikt over afdelingen die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan leefbaarheid en veiligheid.

Juist daarom moeten politie en gemeente elkaar niet alleen vinden op de werkvloer, maar ook op bestuurlijk niveau.

Te vaak zag ik dat politiemensen pragmatische oplossingen bedachten voor problemen waarvoor eigenlijk bestuurlijke keuzes nodig waren.

Dat lijkt efficiënt. Maar uiteindelijk is het oneigenlijk politiegebruik.

Iedere keer dat een politieagent structureel een probleem oplost waarvoor een andere organisatie verantwoordelijk is, verdwijnt kostbare politiecapaciteit. Niet één keer, maar telkens opnieuw.

Dat is dweilen met de kraan open. Zet de juiste mensen bij elkaar

In mijn oorspronkelijke verhaal pleitte ik ervoor om disciplines die elkaar voortdurend nodig hebben, ook fysiek dichter bij elkaar te brengen.

Die gedachte onderschrijf ik nog steeds.

Niet alleen de collega's van de basisteams, de recherche, het flexteam en de collega's die zich bezighouden met veelvoorkomende criminaliteit.

Ook vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de GGZ, schuldhulpverlening, ouderenzorg, woningcorporaties, jeugd- en gezinszorg en andere partners zouden veel vaker letterlijk aan dezelfde tafel moeten zitten.

Niet omdat iedereen elkaars werk moet overnemen.

Integendeel. Juist omdat iedere organisatie haar eigen expertise behoudt.

Samenwerken betekent namelijk niet dat verantwoordelijkheden vervagen. Samenwerken betekent dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt en elkaar versterkt wanneer dat nodig is.

Dat is iets wezenlijk anders dan het bekende 'aapmanagement': het probleem over de schutting gooien naar degene die toevallig het snelst beschikbaar is.

Die reflex kost de samenleving uiteindelijk veel meer tijd, geld en capaciteit.

De zorgvraag groeit. De politie groeit niet mee.

Ook dertien jaar geleden zag ik al dat het aantal mensen met psychische problematiek toenam.

Daar kwamen ouderen met dementie bij.

Zorgmijders.

Mensen die tussen wal en schip vielen.

Verslaafden.

Mensen met verward gedrag.

De politie kwam steeds vaker als eerste in beeld.

Dat is begrijpelijk.

Maar de politie is geen zorginstelling.

Een politieagent kan een crisis tijdelijk stabiliseren. Hij of zij kan veiligheid creëren, escalatie voorkomen en de eerste noodzakelijke maatregelen nemen.

Maar daarna moet de juiste hulp het overnemen.

Wanneer die hulp niet beschikbaar is of te lang op zich laat wachten, verandert een tijdelijke inzet ongemerkt in een structurele politietaak.

Dat is voor niemand goed.

Niet voor de burger.

Niet voor de hulpverlening.

En zeker niet voor de politiemedewerker.

Durf ook 'nee' te zeggen

Misschien is dat wel een van de moeilijkste lessen.

De politie wil helpen.

Dat zit in het DNA van vrijwel iedere collega.

Maar juist daarom moeten bestuurders soms de moed hebben om duidelijk te maken dat niet iedere maatschappelijke wens automatisch een politietaak is.

Veiligheid vraagt om keuzes.

Niet alles kan tegelijk.

Niet ieder evenement kan doorgaan wanneer daarvoor politiemensen uit andere districten moeten worden weggehaald.

Niet iedere extra taak kan worden uitgevoerd zonder dat ergens anders capaciteit verdwijnt.

Een organisatie die voortdurend alles probeert te doen, loopt uiteindelijk het risico haar kerntaak uit het oog te verliezen.

Dat geldt voor iedere organisatie.

Ook voor de politie.

Samen sterker

Als ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, valt mij vooral één ding op.

Ik schreef toen niet over méér politie. Ik schreef over bétere samenwerking. Dat verschil is wezenlijk. Veiligheid ontstaat niet doordat één organisatie steeds groter wordt.

Veiligheid ontstaat wanneer iedere partner zijn eigen verantwoordelijkheid serieus neemt, elkaar weet te vinden en bereid is werkelijk samen op te trekken.

Niet alleen tijdens een crisis. Maar iedere dag opnieuw.


Hoofdstuk 3.        De straat geeft geen herkansing. Vakmanschap laat zich niet afvinken


Wanneer het gesprek over geweld tegen politiemensen weer eens oplaait, en dat gebeurt helaas met een zekere regelmaat, verschuift de aandacht vaak naar zwaardere straffen, betere beschermingsmiddelen of uitbreiding van de bewapening. Allemaal onderwerpen die ertoe doen en die ik zeker niet wil bagatelliseren. Toch heb ik mij al die jaren afgevraagd of we daarmee niet te vaak naar de gevolgen kijken, terwijl de oorzaak veel minder aandacht krijgt.

Mijn stiefkindje, zoals ik het zelf altijd noemde, was en is geweld tegen politiemensen.

Niet omdat wij een uitzonderingspositie verdienen, maar omdat iedere politieman en politievrouw het recht heeft om na een dienst weer gezond thuis te komen. Dat zou eigenlijk zo vanzelfsprekend moeten zijn dat we er nauwelijks over hoeven te discussiëren. De werkelijkheid is helaas anders.

Toen ik mijn visie in 2013 schreef, noteerde ik dat er in de eerste vier maanden van dat jaar al honderden geweldsincidenten tegen politiemensen waren geregistreerd. Dertien jaar later is het onderwerp nog steeds actueel. Dat stemt mij eerlijk gezegd niet optimistisch.

Wat mij misschien nog wel het meeste bezighoudt, is de vraag hoe wij onze collega's daarop voorbereiden.

Misschien kijkt de judoleraar in mij dan iets anders naar dit vraagstuk dan de gemiddelde politieman. Misschien spreekt ook de bokser mee. Feit is dat ik duizenden uren op de mat heb doorgebracht, zowel als leerling als instructeur. Daar heb ik één belangrijke les geleerd die ik later iedere dienst weer bevestigd zag.

Een gevecht begint zelden met de eerste klap.

Het begint veel eerder.

Met houding.

Met afstand.

Met spanning die langzaam oploopt.

Met een blik die verandert.

Met iemand die net iets dichterbij komt dan prettig voelt.

Met een hand die uit een jaszak verdwijnt.

Met een stem die steeds harder wordt.

Dat zijn de momenten waarop vakmanschap het verschil maakt.

Niet omdat je dan al geweld gebruikt, maar juist omdat je leert herkennen waar een situatie naartoe kan groeien. Wie die signalen op tijd ziet, voorkomt soms dat geweld überhaupt nodig is. Dat is misschien wel de hoogste vorm van professioneel optreden.

Judo heeft mij bovendien geleerd dat kracht zelden de doorslag geeft. Timing, balans, beheersing en techniek winnen het op de lange duur vrijwel altijd van spierkracht alleen. Eigenlijk geldt dat net zo goed voor het politiewerk. Een collega die rustig blijft, overzicht houdt en technisch vaardig is, heeft vaak minder geweld nodig dan iemand die uitsluitend op fysieke kracht vertrouwt.

Juist daarom heb ik mij jarenlang verbaasd over de manier waarop wij binnen de politie tegen opleidingen en trainingen aankeken. Begrijp mij niet verkeerd; de collega's die deze trainingen verzorgen doen dat met hart en ziel en vaak onder moeilijke omstandigheden. Mijn kritiek heeft zich nooit op hen gericht.

Mijn vraag was altijd een andere.

Waarom nemen wij genoegen met het afvinken van een verplicht programma, terwijl wij weten dat het straatwerk zich nooit laat afvinken?

Een RTGP-toets halen, een IBT-dag volgen of een fitheidstest afleggen zegt iets over een bepaald moment. Meer niet. De straat vraagt iets totaal anders. Daar krijg je geen tweede poging. Daar mag je niet zeggen dat je volgende week beter voorbereid bent. Daar moet het gebeuren, op dat ene moment waarop iemand besluit zich met geweld te verzetten of waarop een ogenschijnlijk rustige melding binnen enkele seconden volledig kantelt.

Dat vraagt om routine.

Niet de routine van sleur, maar de routine van vakmanschap.

Een pianist oefent zijn toonladders niet omdat hij die tijdens een concert wil laten horen, maar omdat zijn vingers automatisch moeten doen wat zijn hoofd bedenkt. Een judoka herhaalt een worp duizenden keren, niet omdat iedere tegenstander precies hetzelfde reageert, maar omdat zijn lichaam leert handelen zonder kostbare tijd te verliezen.

Waarom zouden wij voor politiemensen genoegen nemen met minder?

Misschien is dat wel de kern van mijn verhaal.

Een politieorganisatie investeert miljoenen in gebouwen, voertuigen, communicatiemiddelen en digitale systemen. Terecht, want zonder goede middelen kun je je werk niet goed uitvoeren. Maar uiteindelijk blijft de politiemedewerker het belangrijkste instrument waarover de organisatie beschikt. Dat instrument verdient onderhoud. Niet één of twee keer per jaar, maar voortdurend.

Daar komt nog iets bij. *Goede training maakt collega's niet agressiever*

Integendeel. *Zij worden er juist rustiger van*

Wie weet wat hij kan, hoeft veel minder te bewijzen. Wie vertrouwen heeft in zijn eigen vaardigheden, straalt dat uit. En juist die rust werkt vaak de-escalerend. Dat heb ik niet alleen in de dojo of bokszaal gezien, maar minstens zo vaak zelf op straat meegemaakt..

Als ik mijn eigen woorden uit 2013 teruglees, merk ik dat mijn overtuiging niet wezenlijk is veranderd. Misschien zou ik de toon vandaag iets milder kiezen. Misschien zou ik minder snel zeggen dat de trainingen 'in de kinderschoenen' staan. Maar de kern blijft voor mij overeind.

Vakmanschap is geen cursus.

Vakmanschap is geen certificaat.

Vakmanschap is ook geen hokje dat je ieder jaar opnieuw kunt afvinken.

Vakmanschap is een houding. Een manier van leven. Een voortdurende bereidheid om te blijven leren, jezelf kritisch te bekijken en beter te willen worden.

Volgens mij is dat de beste bescherming die een politieman of politievrouw ooit kan krijgen.


Hoofdstuk 4.     Van bakstenen, bureaucratie en een kop koffie


Wanneer ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, moet ik af en toe glimlachen. Niet omdat ik mezelf zo geweldig vond, maar omdat ik zie hoe bloedserieus ik toen was. Alsof ik de Nationale Politie in een paar A4'tjes opnieuw ging uitvinden. De werkelijkheid bleek, zoals zo vaak, een tikkeltje weerbarstiger.

Toch blijf ik erbij dat een goed politiebureau veel meer is dan een verzameling bakstenen met een blauw logo op de gevel.

Een bureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenloopt, maar vooral voor de collega's die er soms midden in de nacht, na een reanimatie, een dodelijk verkeersongeval, een huiselijk drama of een geweldsincident even op adem proberen te komen. Een gebouw moet vóór je werken en niet tégen je.

In Sittard heb ik vaak gedacht dat de architect waarschijnlijk een prachtig cijfer heeft gekregen voor zijn ontwerp. Misschien zelfs een staande ovatie. Ik gun het hem van harte. Alleen had ik hem daarna graag een nachtdienst mee laten lopen. Gewoon eens kijken hoe het voelt wanneer een boze verdachte besluit dat een hekje in een verhoorkamer eerder een hordenwedstrijd is dan een veiligheidsvoorziening.

Sommige oplossingen zien er op papier fantastisch uit. Totdat de praktijk zich ermee gaat bemoeien.

Dat geldt overigens niet alleen voor gebouwen.

Wie ooit als wijkagent heeft gewerkt, weet dat hetzelfde opgaat voor formulieren.

Ik heb in mijn loopbaan processen-verbaal geschreven waar Tolstoj waarschijnlijk nog een vervolg op had kunnen bedenken. Soms kreeg je na dagen werk de vraag of je nog één zinnetje wilde toevoegen. Daarna nog een foto. Daarna nog een verklaring. Daarna nog een aanvulling op de aanvulling. Op een gegeven moment begon ik mij af te vragen of de verdachte inmiddels niet met pensioen was voordat het dossier compleet zou zijn.

Begrijp me niet verkeerd.

Een goed proces-verbaal is goud waard. Zorgvuldigheid hoort bij ons vak en daar mag nooit aan worden getornd. Maar er is een wereld van verschil tussen zorgvuldig werken en bureaucratie bedrijven omdat een systeem nu eenmaal daarom vraagt.

Ik heb altijd gevonden dat een politieman zijn tijd zoveel mogelijk buiten moet doorbrengen en zo weinig mogelijk achter een beeldscherm. Een beeldscherm houdt geen boeven aan. Een toetsenbord sust geen burenruzie. Een muis verleent geen eerste hulp.

De straat wel.

En daar hoort de politieman thuis.

Misschien is dat uiteindelijk wel de rode draad van mijn hele verhaal.

Ik heb nooit gedroomd van méér formulieren, méér protocollen of méér reorganisaties.

Ik droomde van betere samenwerking.

Van gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen.

Van zorgpartners die bereikbaar zijn wanneer de politie hen nodig heeft.

Van een Openbaar Ministerie dat net zo praktisch durft te denken als de diender die om drie uur 's nachts nog steeds op straat loopt.

Van politiemensen die de ruimte krijgen om politieman of politievrouw te zijn.

En ja... misschien droomde ik soms iets te groot. Maar dromen zijn als een wijkagent.

Ze lopen zelden precies de route die je van tevoren hebt uitgestippeld.

Dertien jaar nadat ik deze visie opschreef, weet ik één ding zeker.

Ik had lang niet overal gelijk. Sommige ideeën zijn ingehaald door de tijd. Andere bleken niet uitvoerbaar.

Maar over één ding ben ik niet van mening veranderd. Een sterke politie begint niet bij een minister. Niet bij een korpschef. Niet bij een burgemeester. En zelfs niet bij een splinternieuw bureau.

Zij begint iedere ochtend opnieuw wanneer een politieman of politievrouw het uniform aantrekt, de autosleutel pakt, een kop koffie naar binnen werkt die eigenlijk veel te heet is, tegen een collega zegt: 'Kom, veer gaon weer' en zonder precies te weten wat de dienst gaat brengen de straat op rijdt.

Daar, en nergens anders, begint veiligheid.



Epiloog


Terugkijkend besef ik dat ik in 2013 vooral een betere politieorganisatie probeerde te beschrijven. Zonder dat ik het wist, beschreef ik misschien ook wel de valkuil van mijzelf. Altijd oplossen. Altijd doorgaan. Altijd nog een stap extra zetten. Luctor et emergo — ik worstel en kom boven. Dat lukte gelukkig vaak, tot lichaam en geest op een dag zeiden: nu is het genoeg geweest.

Toch overheerst geen bitterheid. Daarvoor heb ik te veel mooie mensen ontmoet, te veel collega's zien groeien en te veel burgers mogen helpen. Als ik één wens heb voor politiemensen van nu, dan is het deze: blijf vakman. Zorg voor elkaar. En vergeet onderweg vooral jezelf niet. Want een organisatie kan worden gereorganiseerd. Een mens niet.

Opiniestukken zijn voor mij nooit een doel op zich geweest. Ze zijn een spiegel van mijn gevoel, van hoe ik naar de soms boze, soms mooie en vaak ingewikkelde wereld kijk. Ik schrijf niet omdat ik de waarheid in pacht heb, maar omdat ik mij blijf afvragen of het ook anders kan.

Vaak zoek ik daarbij bewust de randen van de gebaande paden op. Niet om dwars te zijn, maar omdat vooruitgang zelden ontstaat door steeds dezelfde route te blijven lopen. Binnen de cirkel van mijn invloed probeer ik iets in beweging te krijgen. Soms goedschiks, soms — als het echt niet anders kan — een beetje kwaadschiks. Altijd met de bedoeling om de samenleving, de politie of gewoon de mensen om mij heen een stukje verder te helpen.

Misschien kleur ik daarbij af en toe buiten de lijntjes.

Maar juist daar ontstaan vaak de mooiste ontdekkingen.

Niet op de keurig aangelegde wandelpaden, maar op de olifantenpaadjes die mensen zelf maken. Omdat ze voelen dat er een betere, kortere of logischere route bestaat.

Misschien zijn mijn verhalen uiteindelijk niets anders dan een zoektocht naar die olifantenpaadjes.

En als ik één ding heb geleerd in al die jaren, dan is het dat de mooiste routes zelden de vooraf uitgestippelde zijn.