Voordat de gong gaat, van wat ik mij nu nog kan herinneren, zou ik zo weer mijn pugilistische handelingen gaan vertonen en de han-dschoenen weer aantrekken? Ik denk van wel. Dit verhaal heet dan ook
VOORDAT DE GONG GAAT
De weg naar de ring is geen sinecure maar een moeilijk pad en steile klim omhoog.
Er zijn niet veel sporten waarin je drie rondes lang geslagen wordt, verslagen kunt raken, knock-out kunt gaan en pijn en blessures oploopt. Alles ligt open. Alles kan gebeuren. Alle kansen voor het grijpen. Spierpijn achter niet te vergeten ...
Afhankelijk van de tegenstander — die nagenoeg precies hetzelfde te wachten staat.
Het publiek leeft daarvoor. Ze worden luid, onrustig, opgewonden. Het liefst zien ze harde slagenwisselingen. Een knock-out als hoogtepunt.
En daar tussendoor geslopen …
de lieve mensen die met je meereizen. Supporters. Intimi. Zij voelen alles mee, ook de denkbeeldige klappen. Gierende zenuwen door het hele lijf. Misschien nog wel meer dan jij.
Dan de boksarena; De zaal ruikt naar spanning. Maar ook naar sigaretten, alcohol en een luidruchtig publiek.
Soms sta je in een levensgrote tent als menneke van 16 of 17 jaar oud, waar het geluid alle kanten op gaat en de lucht zwaar is en bovendien slecht geventileerd. En soms, in het mooiste geval, in een sporthal. Daar is het rustiger. Frisser ook. Daar zijn de versnaperingen en het roken tenminste nog een beetje aan banden gelegd. Daar waar de ring in het middelpunt staat, hoog, met verblindende felle lampen gericht op de ring en pugilisten, een bijna sauna,
Drie ronden van drie minuten. Daar heb je alles voor over gehad.
Maanden trainen. Afzien. Op dieet om gewicht te halen. Dagen waarop alles pijn doet, maar je toch doorgaat. De wedstrijddag zelf: weinig eten, weinig drinken. Reizen. Wachten. Altijd dat wachten. Je hoofd dat blijft malen, terwijl je het juist stil probeert te krijgen.
En daar is de trainer. Rustig. Altijd rustig. Alsof er niets aan de hand is. Alsof hij al weet dat het goed zal komen. Dat vertrouwen geeft hij door, zonder grote woorden.
Soms vraag ik mijn tegenstander hoeveel wedstrijden hij al heeft gebokst.
“Een paar honderd,” zegt hij dan. Of nog meer. Je knikt. Prima. Dan weet je het wel.
In de kleedkamer begint het circus in de mallemolen. Handschoenen aan. Zwachtels strak. Opwarmen. Pads slaan met de trainer. Ritme vinden. Focus aan. Het zweet komt uit al je poriën en daarmee de broodnodige zenuwrust. De zenuwen worden uit je body geslagen daar op de pads van de trainer.
Mijn laatste wedstrijd vergeet ik nooit.
Mijn trainer kijkt me aan en zeg:
“Eet nu nog maar een boterham. Straks kan het waarschijnlijk niet meer.”
Ik moet lachen van deze gevleugelde typerende opmerking van hem. Maar wel even weg van de spanning waar je de hele dag tegen vecht. Ik boks in de categorie halfzwaargewicht 81 kg en breng 77,8 kg op de weegschaal. Dus die boterham kan wel😉.
Dan de ring in, lopen door het publiek onder luid applaus of boe-geroep.
De tegenstander staat al klaar. Groter… maar deze keer ook zwaarder. Gespierder. Misschien zelfs sterker. Je ziet het aan alles.
Maar ik voel toch iets anders.
Ik voel me licht. Vrij. Als een bamboe die met elke storm meebuigt, maar nooit breekt. Ik heb mijn eigen manier als een goochelaar in zijn mouwen.
Linkshandig dat ben ik vanaf mijn geboorte maar ook snel en direct anticiperent. Hoeken laag en hoog. Ontwijken, terugboksen, en dan de counter. Bam bam.
Dan gaat de gong. Alles valt van me af.
Ik boks. Puur. Zonder twijfel. Alles wat ik heb geleerd komt uit mijn body en mijn stoten, als vanzelf als aangeboren,
In de rust luister ik. Korte woorden van mijn trainer Jan Derhaag . Helder. To the point.
Maar deze avond is er nog een ander gevecht. Niet alleen in de ring maar nu ook nog daarbuiten. Daar heb ik niet om gevraagd,
Als je uit bokst bij een andere vereniging weet je het al. Je moet niet alleen winnen, maar overtuigender zijn. Meer laten zien. Duidelijker raken. En soms is zelfs dat niet genoeg voor de overwinning.
In mijn geval dan die ene Nederlandse scheidsrechter…
Ik heb mijn eerste vijftien wedstrijden in Duitsland gebokst. En net bij hem werkt dat tegen me. Sterk zelfs. Daar kan ik niet tegen opboksen.
Je voelt het. In wat wel en niet gezien wordt. In hoe een wedstrijd loopt zonder dat je er echt grip op hebt . Alsof je niet alleen staat te boksen voor de overwinning,
maar ook tegen iets wat buiten de ring ligt, buiten jezelf, zonder enige schuld,
Dat werkt tegen me. Als bokser. Maar ook als mens. Toch blijf ik staan.
Niet voor de jury. Niet voor de scheidsrechter. Niet eens voor mijn tegenstander.
Maar voor dat ene moment. Dat moment waarop de gong gaat…
…en alles klopt. 🥊





