Translate

vrijdag 15 mei 2026

Psychisch leed of PTSS in wording

 Psychisch leed of PTSS in wording, wie zal het zeggen…

Op de morgen van 25 oktober 2015 is de wintertijd ingegaan. Buiten is het zacht weer voor de tijd van het jaar en terwijl de meeste mensen nog slapen trap ik op de pedalen van mijn metalen psycholoog, mijn Batavus GI, richting bureau.

Lang heb ik gedacht dat GI stond voor General Infantry, iets stoers en militairs passend bij mijn dagelijkse omzwervingen, maar uiteindelijk blijkt het gewoon Galvanized Iron te betekenen. Ook goed.

Wanneer ik een grote doorgaande weg richting centrum opdraai, lijkt het even alsof de zon al opkomt. Dat blijkt niet zo te zijn. Het is het zachte gele licht van de lantaarnpalen dat mijn silhouet over het fietspad projecteert en met mij mee beweegt, precies even snel als mijn trappende benen.

In de verte zie ik de verlichte tenten van de Oktoberfeesten boven de stad uitsteken als een soort feestelijke fata morgana. De massa’s feestvierders zijn inmiddels verdwenen om hun roes uit te slapen of hun accu opnieuw op te laden. Het is aangenaam stil op straat.

Alleen een vrouw met een grote hond kruist mijn route. De hond voert zijn ochtendritueel uit terwijl ik mij afvraag of zij net uit bed komt of misschien pas huiswaarts keert vanuit het bruisende nachtleven.

Wat hebben wij het dan toch goed in Nederland, denk ik even.

Op het bureau hoor ik vervolgens de andere kant van dat verhaal. Diverse aanhoudingen wegens openbare dronkenschap, beledigingen richting collega’s, mishandelingen en ander nachtelijk gedoe liggen alweer klaar voor verdere afhandeling door de recherche en opsporing. Sommige verdachten zullen hun roes inmiddels uitslapen in een kale politiecel, samen met een financiële kater en mogelijk een minder warm onthaal thuis.

Zelf word ik die ochtend belast met de intake binnendienst. Ook dat hoort bij politiewerk. Minder spectaculair misschien, maar vaak minstens zo belangrijk.

Toch blijft mijn hoofd hangen bij een andere melding van enkele dagen eerder.

Mijn collega Tom en ik worden door de meldkamer naar een kerkdorp binnen ons basisteam gestuurd voor assistentie bij een waardevol transport. Ter plaatse blijkt een technisch mankement ervoor te zorgen dat het transportvoertuig niet meer verder kan rijden.

Een van de medewerkers staat ondertussen buiten in regen en kou te wachten totdat ondersteuning van het moederbedrijf arriveert. Het verkeer dendert onafgebroken voorbij terwijl Tom en ik de situatie beveiligen.

Ik raak aan de praat met de man die buiten staat te vernikkelen in een shirt met korte mouwen. Hij oogt ouder dan hij werkelijk is. Zijn gezicht is verweerd, gegroefd en moe, alsof het leven er al veel te vroeg met grof schuurpapier overheen is gegaan.

Wanneer wij zijn gegevens noteren, blijkt hij zeker tien jaar jonger dan ik had ingeschat.

Hij praat met een vriendelijk Brabants accent en lacht opvallend veel, bijna alsof hij ongemakkelijke stiltes wil wegdrukken voordat ze gevaarlijk kunnen worden.

Nog niet zo lang geleden heeft hij afscheid genomen van Defensie. Twee uitzendingen naar Afghanistan liggen achter hem. Zijn eerste missie draait hij wanneer hij nauwelijks achttien jaar oud is.

Ik vraag hem hoe hij die periode heeft doorstaan.

“Valt wel mee,” antwoordt hij luchtig.

Maar zijn ogen vertellen iets anders.

Hij vertelt dat zijn moeder zich kapot schrok toen hij na zijn eerste uitzending thuiskwam. Volgens haar leek hij ineens tien jaar ouder geworden.

Vroeger was hij een feestbeest, zegt hij zelf. Nu voelt hij zich vooral vroeg volwassen.

In Afghanistan rijdt hij patrouilles en ligt hij geregeld onder vuur. Hij vertelt bijna achteloos hoe een kameraad op een bermbom loopt waarbij de onderste helft van diens lichaam wordt afgerukt. De woorden komen rustig uit zijn mond, maar blijven zwaar in de lucht hangen.

Hij heeft kinderen zien mishandelen door ordehandhavers. Hij heeft mensen gezien zonder handen, geamputeerd volgens lokale straffen. Hij heeft geleerd dat angst, geweld en ellende daar bijna gewone onderdelen van het dagelijks leven vormen.

“De mensen daar hebben geen tranen meer over,” zegt hij.

Die zin blijft bij mij hangen.

Ik vraag hem hoe hij tegenwoordig omgaat met zijn herinneringen.

Hij vertelt dat hij nog regelmatig afspreekt met oude maten uit het leger. Samen praten helpt, zegt hij. Buitenstaanders begrijpen vaak moeilijk wat militairen precies meemaken tijdens zulke uitzendingen.

Ook geeft hij eerlijk toe dat hij hulp zou zoeken wanneer dat nodig blijkt te zijn. Daar schaamt hij zich niet voor. Onder zijn voormalige collega’s kent hij meerdere gevallen van PTSS.

Tijdens ons gesprek rookt hij de ene sigaret na de andere en lacht ondertussen kleine stukken ongemak weg alsof hij de zwaarte van zijn eigen herinneringen liever niet volledig toelaat.

“Alles komt goed” zegt hij uiteindelijk.

Maar ik weet niet zeker of hij dat echt gelooft.

Even later arriveert hulp van het transportbedrijf en kan hij zich eindelijk opwarmen in de cabine van de wagen. Wanneer hij wegrijdt zwaai ik hem na.

Ik hoop oprecht dat het goed met hem komt.

Want achter sommige glimlachen schuilt meer psychisch leed dan mensen ooit aan de buitenkant zullen zien.

Zoals hem zijn er velen.

Mensen in uniform die iedere dag opnieuw anderen beschermen, terwijl zij ondertussen proberen om hun eigen innerlijke oorlog enigszins onder controle te houden.

Gevecht met een TBS'er

Op 30 oktober 2014 ontvang ik opnieuw een bericht dat de veroordeelde TBS’er voor de rechtbank moet verschijnen. Meteen dringt die oude casus zich weer aan mij op, alsof bepaalde gebeurtenissen zich ergens diep in je geheugen vastzetten en bij het minste of geringste opnieuw komen bovendrijven.

In mijn beleving zit deze man langdurig opgeborgen en ver weg van de samenleving. Anders dan de vele draaideurcriminelen die wij als politie telkens opnieuw bij justitie aanleveren en die soms sneller buiten staan dan ons lief is. Bij TBS ligt dat anders. Daar hangt een zwaarder gewicht aan vast, een ander gevaar, een ander dossier.

Als politiemens leer je zaken loslaten. Dat moet ook wel, anders sleep je iedere dienst opnieuw met je mee. Zodra een verdachte aan justitie wordt overgedragen, verschuift de verantwoordelijkheid naar rechters, officieren en deskundigen. Toch zijn er dossiers die blijven haken.

Dit is er zo een.

Mijn collega en ik zitten tijdens de ochtenddienst even te pauzeren op het bureau. Met toestemming van de meldkamer staan wij op “pauze”, al blijft de portofoon gewoon openstaan. Dat hoort erbij. Waakzaam en dienstbaar stopt niet zodra je een boterham vastpakt.

Dan komt de melding binnen van een roofoverval op een winkel voor genot- en driftartikelen, op nog geen kilometer van ons bureau verwijderd. Nog voordat de centralist uitgesproken is, staan wij al recht en lopen richting surveillancewagen.

De overvaller blijkt inmiddels verdwenen wanneer wij aankomen. De winkelier is hevig geschrokken maar ongedeerd. Van rustig aangifte opnemen komt echter nog niets terecht, want eerst moet de verdachte gevonden worden.

Opvallend is hoe omstanders ons onmiddellijk de vluchtrichting aanwijzen. Het lijkt bijna alsof een menselijke ketting zich vormt door het voetgangersgebied. Mensen wijzen, roepen en gebaren tegelijkertijd dezelfde richting uit.

De dader heeft indruk gemaakt.

En niet in positieve zin.

Na enkele honderden meters zien wij hem lopen. Donkere kleding, een muts diep over zijn hoofd getrokken en een houding die meteen spanning oproept. Hij loopt niet als iemand die bang is om gepakt te worden, maar eerder als iemand die nog steeds agressie uitstraalt naar alles rondom hem heen.

Wij sommeren hem te stoppen.

Geen reactie.

Nogmaals roepen wij dat hij is aangehouden.

Hij draait zich om en komt onmiddellijk dreigend op ons afgelopen.

Op dat moment voel je dat er geen normale aanhouding meer volgt maar een fysieke confrontatie waarin snelheid en initiatief allesbepalend worden.

Wanneer hij binnen handbereik komt grijp ik hem vast en maak een binnenwaartse beenveeg waardoor hij hard achterover op straat belandt. Ik probeer hem direct in een controlegreep te krijgen, maar hij blijkt uitzonderlijk sterk, beweeglijk en agressief. Hij kronkelt zich los alsof hij geen botten in zijn lichaam heeft.

Er ontstaat een hevig gevecht op straat waarbij hij blijft schoppen, draaien en slaan om los te komen. Mijn collega en ik moeten allebei vol aan het werk om hem onder controle te houden.

Pas na een stevige worsteling krijgen wij hem uiteindelijk geboeid. Blij met mijn judo vaardigheden.

Tijdens de fouillering treffen wij een kartelmes aan. Gelukkig heeft hij geen kans gekregen om dit tegen ons of tegen anderen te gebruiken. Achteraf besef je pas hoe snel zo’n situatie volledig had kunnen escaleren.

Zelf bloedt hij wat uit het gezicht en ik houd enkele schaafwonden over aan ellebogen en knieën door het grondgevecht op straat. Geen ernstig letsel dus, maar wel een enorme fysieke uitputtingsslag.

Ook later in het cellencomplex blijft hij agressief gedrag vertonen tegenover collega’s. Zijn lichaam dampt van het zweet alsof zijn adrenaline geen uitweg meer vindt. Hij heeft een gespierd lijf en benen als hydraulische heistellingen die onophoudelijk blijven bewegen.

Of hij onder invloed van drugs verkeert weten wij op dat moment nog niet zeker, maar zijn gedrag doet veel vermoeden.

Na verder rechercheonderzoek blijkt dat deze verdachte veel meer geweldsincidenten op zijn naam heeft staan. Overvallen, mishandelingen en ernstige agressie vormen als het ware zijn vaste lichaamstaal.

Goed beschouwd is het maar beter geweest dat wij onmiddellijk de aanval hebben gekozen en hem geen ruimte hebben gegeven om zelf verder initiatief te nemen. Terugtrekken was op dat moment nauwelijks een optie geweest. Door snel en hard op te treden hebben wij mogelijk erger voorkomen.

De vechtpartij heeft ondertussen veel bekijks getrokken van geschrokken voorbijgangers die nauwelijks begrijpen wat zich voor hun ogen afspeelt.

Nu, jaren later, duikt zijn naam nog steeds af en toe opnieuw op via TBS-verlengingen en toetsingen door de rechtbank. Iedere keer word ik daardoor weer even teruggeworpen naar die naar die dag op straat.

Ik vraag mij dan soms af hoeveel geweld er nog steeds in hem leeft en hoeveel van het beest werkelijk getemd raakt binnen muren en systemen.

TBS is geen lichte maatregel.

En meestal ook geen toevallige.

Tinnitus mijn onzichtbare metgezel

Intro Titus

Politiemensen lopen tijdens hun vaak ondankbare werkzaamheden geregeld in de frontlinie van menselijke ellende en geweld. Daarbij lopen zij niet alleen zichtbaar gevaar, maar ook het risico op onzichtbare vijanden die zich langzaam vastzetten in hoofd en lichaam.

Dat beseffen velen aanvankelijk niet eens door de voortdurende stress, adrenaline, spanning en angst die nu eenmaal verweven raken met het werk op straat.

Deze onzichtbare tegenstanders klampen zich niet vast aan kleding of uniformen, maar nestelen zich veel dieper, tot in de donkere spelonken van ziel en bestaan. In het begin worden zij nauwelijks herkend of erkend, terwijl zij zich ondertussen steeds nadrukkelijker manifesteren met hun eigen stem, geluid en aanwezigheid.

Alsof zij voortdurend influisteren:

“Ik laat je nooit meer los. Nooit meer alleen.”

Hoe zwaarder de frontlinie wordt, hoe harder hun stem uiteindelijk doorklinkt.

Het blijft vaak een stil en verborgen gevecht tussen diender en onzichtbare metgezel. Voor de buitenwereld nauwelijks zichtbaar, maar voor degene die werkelijk geïnteresseerd is in het gevoelsmatige weefsel van de mens achter het uniform, zijn er meestal voldoende signalen die wijzen op een ongewenste aanwezigheid die langzaam bezit neemt van iemands innerlijke rust.

😅Sinds geruime tijd heb ik een nieuwe amigo. Hij komt als het ware aanwaaien, zoef zoef zoef, recht mijn leven binnen. Hij heeft geen gezicht, geen lichaam en geen stem, maar toch is hij voortdurend aanwezig als een onzichtbare schaduw die zich overal mee naartoe sleept.

Wat doe je dan wanneer zo’n vreemde entiteit zich langzaam in je bestaan nestelt en uitgroeit tot een dagelijkse ergernis waar geen ontsnappen meer aan lijkt?

Aanvankelijk denk je nog dat het wel zal overwaaien. Dat het tijdelijk is. Een voorbijgaande storing ergens diep in je hoofd. Maar Titus denkt daar heel anders over.

Hij eet niet, drinkt niet en slaapt waarschijnlijk ook nooit. Toch beheerst hij steeds vaker de stilte om je heen. Je kunt rennen, vliegen, schreeuwen, werken, fietsen of je hoofd bijkans door de muur slaan, maar hij blijft koppig aanwezig, vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week.

Net als de schaduw van Lucky Luke beweegt hij exact even snel als jij. Alleen is Lucky Luke sneller dan zijn schaduw, terwijl Titus zich moeiteloos aan ieder tempo aanpast.

Na verloop van tijd verandert verzet langzaam in tolerantie. Niet omdat je wint, maar omdat je beseft dat vluchten onmogelijk wordt. Titus nestelt zich diep in je denken, in je concentratie en soms zelfs in je emoties. Hij verstoort het evenwicht van lichaam en geest met een volharding waar geen discussie mee mogelijk is.

Soms voelt hij als een mug die steeds opnieuw dezelfde bloedgroep weet terug te vinden. Altijd aanwezig. Altijd zoemend rond dezelfde kwetsbare plek.

Dan denk ik weleens aan Odysseus die zich laat vastbinden aan de mast van zijn schip om het gezang van de Sirenen te kunnen weerstaan. Ook daar draait alles om geluid dat zich in je hoofd vastzet en weigert nog los te laten.

Toch probeer ik af en toe van Titus weg te vluchten. In drukte, beweging of afleiding. Heel soms lukt dat even, totdat hij zich opnieuw meldt alsof hij wil bewijzen dat hij uiteindelijk altijd terugkomt.

Op een dag spreek ik hem zelfs rechtstreeks aan.

“Hé Titus,” zeg ik hardop.

In gedachten hoor ik meteen die legendarische stem van Travis Bickle uit Taxi Driver antwoorden:

“Are you talkin’ to me?”

“Ja,” antwoord ik.

“Dan moet je mij wel bij mijn echte naam noemen,” repliceert hij geïrriteerd.

“Tinnitus.”

Dan besef ik ineens dat zolang ik hem nog hoor, wij blijkbaar allebei nog bestaan in een onmenselijke symbiose, dat dan weer wel 😂

De vraag blijft echter of Titus moet worden gezien als een ongewenste vijand, dan wel als een irritante metgezel die zich voorgoed aan je bestaan vastklampt.

maandag 11 mei 2026

De zwanenzang van een politieauto, héél lang geleden 😅


Intro:  "De zwanenzang van een politieauto, héél lang geleden" 😅

Jarenlang dag en nacht paraat.

Spierpijn onder de motorkap.

Gloeiendhete banden op het politieparcours.

Snakkend naar verlichting terwijl de burn-out al onder de motorkap hing te dampen.

En uiteindelijk zonder bedankje afgevoerd naar het autokerkhof.

“Thank you for nothing” als pleister op etterende autowonden.

😅Een politieauto sterft nooit stilletjes.

Zo’n ding piept, kraakt, lekt, rookt en rammelt alsof het nog één laatste nachtdienst uit het hiernamaals probeert te sleuren.

Wij reden ooit rond in zo’n opvallende surveillancewagen.

Van buiten leek het nog wat. Rode striping, zwaailampen, politie-uitstraling.

Maar achter die façade zat een mechanisch sterfhuis verborgen.

Kabels lagen zichtbaar bij je voeten. Alsof het dashboard spontaan zijn ingewanden eruit gooide zodra een achtervolging iets te enthousiast begon te worden.

De accu besloot per dienst of hij überhaupt nog zin had om mee te werken.

De stuurbekrachtiging was al jaren naar de filistijnen. Iedere bocht voelde alsof je met pure koppigheid een gestrande olietanker probeerde te draaien.

Bij regen liep het water gewoon langs het plafond naar binnen.

Tijdens surveillance deden wij tegelijk mee aan een mobiele watersnoodramp.

Vocht, condens en bedrading onderzochten gezamenlijk of kortsluiting inmiddels standaard politie-uitrusting was geworden.

En ondertussen reden wij in herfst en winter gewoon op slechte zomerbanden.

Dat heeft me altijd dwarsgezeten.

Je vertegenwoordigt verkeersveiligheid en wettelijke normen, terwijl je eigen surveillancewagen technisch direct aan de kant gezet had moeten worden… door jezelf.

Iedere burger met minder mankementen werd probleemloos gecontroleerd.

Wij reden zelf rond in een voertuig dat bij een normale APK waarschijnlijk niet eens meer de parkeerplaats had mogen verlaten.

De straat wacht nu eenmaal niet op vergaderingen, budgetten en veilige bureaus.

Mensen blijven drinken. Blijven slaan. Blijven flippen. Blijven elkaar te lijf gaan.

Dus bleven ook wij rijden in die stervende zwaan van een surveillancewagen.

Een mobiel monument van uitgestelde beslissingen en mechanische ellende.

Meer dan eens stonden wij ergens in de stromende regen dat hok aan te duwen terwijl de buurtbewoners gratis konden meegenieten van het geluid van een stervende dynamo en een startmotor met zware depressieve klachten.

En natuurlijk gebeurde dat nét wanneer je eigenlijk haast had.

Ik herinner me nog een burger die hoofdschuddend zei:

“Agent… die wagen van jullie klinkt niet best.”

Waarop ik antwoordde:

“Geeft niks meneer, wij klinken na de nachtdienst ongeveer hetzelfde.”

Tot zelfs de organisatie voorzichtig begon te vermoeden dat het voertuig misschien toch niet helemaal verantwoord meer was.

Het oordeel viel: “buiten bedrijf”.

Een prachtige bijna poëtische term.

Alsof een oude straatvechter ceremonieel met pensioen werd gestuurd.

De werkelijkheid was minder heroïsch.

Want ook in een auto die officieel buiten dienst stond bleef je gewoon agent.

Dus reed je alsnog rond voor wijkwerk, meldingen en allerlei gedoe.

En vreemd genoeg gebeurde er juist dán altijd iets.

Alsof ellende beschikt over een ingebouwde politie-radar die defecte surveillancewagens feilloos weet te vinden.

Regelmatig reed ik zogenaamd doelloos rond in deze held van weleer, waarna ergens ruzie, paniek of chaos ontstond.

Mensen hadden plotseling hulp nodig.

Alsof ellende instinctief wist waar versleten politieblikken zich bevonden. Met nadruk op blik.

Mijn innerlijke politie-TomTom begon dan vanzelf te werken.

Geen navigatiesysteem. Gewoon straatgevoel.

Vastgekoekt tussen adrenaline, ervaring en nachtdiensten.

Voor je het wist stond je opnieuw midden in de actie. Samen met je metalen kameraad van weleer.

Meer dan eens dacht ik dat die auto, ondanks alle mankementen, beter begreep wat politiewerk werkelijk inhield dan complete afdelingen beleidsmakers die nog nooit een nachtdienst hadden gereden tussen halfdronken ruzies, regenwater, adrenaline en bloedspetters.

Die auto was allang geen voertuig meer.

Het was een versleten collega geworden.

Een mechanische straatvechter.

Met een lekkend dak, een stervende dynamo en de taaie overlevingsdrang van een oude pugilist van weleer.

Op punten allang verloren.

Maar koppig blijven doorboksen zolang de bel voor de laatste ronde nog niet definitief heeft geklonken 🥊

Dat wrak had eigenlijk jaren eerder moeten stoppen.

Maar net als veel agenten bleef het gewoon doorrijden.

vrijdag 1 mei 2026

Rijkspolitie nostalgie, "de capriolen van een zatlap"


Dan heb ik een groepssurveillancedienst samen met collega Hans in de K.S.A, de kleine surveillance auto, een Volvo die meer dienstjaren lijkt te hebben dan sommige wachtmeesters strepen op hun blazoen

Wij rijden langs het kanaal, zo’n route waar doorgaans weinig gebeurt behalve eenden met verkeersinzicht en vissers die zwijgen uit beroepseer. Dan komt de melding binnen dat een zatte automobilist zojuist een kind van een dranghek heeft gereden, zich om geen mens bekommert en er vandoor is gegaan alsof hij deelnam aan een rally voor gewetenslozen. Merk, type en kenteken worden door de meldkamer in Mestreech doorgegeven,

We rijden toch al in de buurt, wat voor hem achteraf een ongelukkige samenloop van omstandigheden blijkt te zijn.

Nog geen minuut later verschijnt de verdachte auto in ons zicht. Wij geven het gebruikelijke stopteken met de stoptransparant op het dak van de politieauto. Een helder en vriendelijk verzoek, mits men nog beschikt over voldoende nuchterheid om letters te herkennen en bevelen te verwerken. Dat blijkt hier een te optimistische inschatting.

De man reageert nergens op. Hij rijdt door met de rustige overtuiging van iemand die denkt dat problemen verdwijnen zodra men niet kijkt. Dan maar de volgende fase: zwaailichten aan, sirene erbij. Dat helpt wonderbaarlijk snel. Zelfs dronkenschap kent kennelijk grenzen zodra er genoeg licht en geluid achter zit.

Hij stopt uiteindelijk, zij het met de tegenzin.

Uitstappen weigert hij. Natuurlijk weigert hij dat. Menigeen denkt kennelijk dat blijven zitten juridisch gelijk staat aan onzichtbaarheid.

Ik open het portier en positioneer mij in de deuropening. Collega Hans heeft ditmaal de eenvoudigste taakverdeling: toekijken, paraat staan en straks de boeien halen. Het duw- trekwerk actie/reactie volgens Newton, ligt bij mij.

Door de jaren heen word er wel vaker een beroep op mij gedaan wanneer er iets losgemaakt, tegengehouden of tot rede gebracht moet worden. Dat komt niet uit de lucht vallen. Buiten diensttijd sta ik op de judomat, in bokszalen en tussen de gewichten. Wie investeert in zichzelf, neemt dat later mee het werk in.

De bestuurder klemt zich vast aan stuur en interieur alsof hij aandelen heeft in de auto. Dat noemt men lijdelijk verzet: zelf niets uitvoeren, maar zich zó vastzetten dat een ander al het werk mag doen. Op papier passief, in de praktijk vermoeiend. Vooral voor hem, zo zal hem rap blijken.

Ik pak hem stevig bij de onderarmen en haal de oude trukendoos boven: een combinatie van praktische politievaardigheid, wat hefboomwerk, het hoofd verstandig wegdraaien en technieken die men op de judomat leert zonder dat daar ooit een verkeerssituatie bij genoemd wordt. Kortom: Houdini in overheidsdienst.

Na enig tegenstribbelen ontdekt de man twee waarheden tegelijk: dat natuurkunde sterker is dan dronkenschap en dat verzet vermoeiend werkt. Hij moet zich gewonnen geven en heeft zijn lijdelijk verzet uiteindelijk nadrukkelijk gevoeld. Hij komt los uit zijn zetel en verschijnt in een lage vlucht met buiklanding buiten de auto op het asfalt met geschaafde knieën, een gekrenkt ego en een gezicht alsof zijn dag onverwacht slecht afloopt.

Blazen hoeft niet meer. Hij is te zat om een verjaardagskaars recht aan te kijken, laat staan een ademanalyseapparaat. Duidelijk is duidelijk🧐toch!

Hans haalt vervolgens de handboeien, waarmee zijn rustige bijdrage alsnog een officieel tintje krijgt. De verdachte wordt afgeboeid en aangehouden.

Ik neem plaats achter het stuur van de politieauto om de verdachte over te brengen naar het rijkspolitiebureau in Born. Wie zijn auto precies heeft weggezet, is in de nevelen der jaren verdwenen uit mijn grijze massa. Mogelijk door Hans, mogelijk later geregeld door anderen, mogelijk door hogere administratieve magie. Zo verdwijnen details soms uit het geheugen, terwijl de hoofdlijn haarscherp blijft: hij zit vast en wij rijden.

Op het bureau wachten nog enkele onaangename hoofdstukken op hem. Eerst voorgeleid aan de hulpofficier van justitie, daarna komt een arts langs voor de bloedproef. Vervolgens rijverbod, wat verstandig is, want hij verkeert in een toestand waarin zelfs een kinderfiets een risico voor de samenleving vormde.

Procedure destijds: artikel 26 Wegenverkeerswet. Tegenwoordig heet dat artikel 8, maar dronkenschap achter het stuur blijft in elke nieuwe nummering even stompzinnig.

Ik maak een stevig proces-verbaal op. Geen poëzie, wel duidelijk. Soms is papier harder dan een preek.

Later blijkt dat zijn onderarmen een donkerblauw huideffect vertonen, keurig in de vorm van mijn han-dgrepen. Hij heeft zich zo hardnekkig verzet dat mijn vingers als het ware een ambtelijke handtekening op zijn huid hebben achtergelaten.

Ps. Veel later mogen collega’s buiten werktijd gaan fitnessen, allemaal betaald door de politie. Een prachtig initiatief, al komt dat rijkelijk laat voor sommigen. Alleen ik val buiten de prijzen, want fitness is kennelijk beleidstechnisch iets anders dan jarenlang boksen, judo en eigen training bekostigen. Bureaucratie blijft een contactsport zonder regels.

En ergens in die constellatie van hectiek, judotechniek en kanaalwind blijft één simpele waarheid overeind hangen als samenvatting van de hele inzet deze avond:

Alcohol en verkeer gaan nooit en te nimmer samen.

Het meisje is geschrokken maar gelukkig ongedeerd gebleven😃



woensdag 29 april 2026

Aanvang aparte ochtenddienst bij de rijkspolitie in Born, nostalgie

Plantonkamers op de bureaus van de Rijkspolitie zijn merkwaardige ruimtes. 

Zij zijn tegelijk crisiscentrum, doorgeefluik, archief van dagrapportages, toevluchtsoord voor wie een luisterend oor zoekt en loket voor aangiften.

Achter de balie zit een wachtmeester gebogen over een Olivetti typemachine, waarvan de metalen hamers met harde aanslagen op de rubberen rol neerkomen, begeleid door het eeuwige gekreun van het printerlint. 

Daarnaast staan steevast een potje witte blunderkwak en blauwe carbonvellen klaar. Wie dat heeft meegemaakt, hoort het tikgeluid nog altijd.

Op een ochtend sta ik met een collega ingepland voor de vroege dienst in Born. De nachtdienst is reeds huiswaarts gekeerd. 

De GSA (groepssurveillance auto) staat achterom geparkeerd en is afgemeld bij de meldkamer in Maastricht. Er liggen geen stille getuigen op ons te wachten, geen haastig neergekrabbelde briefjes die voorspellen dat de rust slechts schijn is. 

Briefings moet nog worden uitgevonden. Wij brieven onszelf met het lezen van het rapportenboek waarin de witte bladzijde van een 5laags dikke doorslag, geduldig afwacht op interesse. 

Oja, het rapportenboek wordt door de Oppers meegenomen naar hun kamertje. De planton moet bijna een speurhond inzetten om het politienieuwsvan de dag te lezen, wanneer telefoontjes van de buitenwacht daarom vragen😀

Op deze memorabele vroege ochtenddienst lezen we de rapporten door maar treffen geen noemenswaardig politienieuws aan. Kennelijk beleefden de collega's een rustige nacht en liggen zij inmiddels tevreden onder de wol. De nieuwe dag breekt aan. De poetsvrouw schrobt het bureau alsof zij de wereld opnieuw in de was zet, terwijl de koffiepot vertrouwd staat te pruttelen.

Achter de plantonkamer loopt een gang naar de twee cellen die ons bureau rijk is. Uit die catacomben klinkt plotseling luid gebonk op een zware ijzeren deur. Mijn collega en ik kijken elkaar aan. Wat zou dát nu weer zijn?

Wij lopen erheen. De forse sleutel gaat in het slot en met enige tegenzin draait het oude mechaniek open. Zodra de deur opengaat, rolt een dampende alcohollucht naar buiten, zo scherp dat zij op de ogen slaat en het zicht bijna beneemt.

Nog voordat ik goed zie wat zich daarbinnen bevindt, stormt een mij onbekende man naar voren. Hij schreeuwt dat hij eruit wil, of woorden van gelijke strekking, en zet krachtig tegen mij aan in een poging mij opzij te drukken.

Gelukkig brengt onze sport- en judodocent Leo Verhoeven ons meer bij dan louter theorie. Ook al heb ik mijn sporen ruim verdiend met boksen en judo. In een flits pas ik de wet van Newton toe: actie is reactie. Het gevolg is dat de man loskomt van de vloer en aan de overzijde van de gang tegen de muur tot stilstand komt, als een vlieg die onverwacht kennismaakt met een vliegenmepper, flats tegen de celmuur.

De poetsvrouw schrikt zich intussen een hoedje. Zij denkt vermoedelijk dat ik woedend ben, maar niets is minder waar. Ik ben niet boos, slechts luid en duidelijk tegenover de zatlap, die mij geen strobreed meer in de weg legt. By the way, luid zijn dat doen de Niewzeelandse rugbyers toch ook met hun Haka. 

Enige tijd later, wanneer de rust is teruggekeerd en de arrestant voldoende is ontnuchterd, volgt zeer zeker nog een verhoor, zij het niet door mij. 

In die dagen komt er bij een dronken ingeslotene geen dokter aan te pas. Tegenwoordig is dat nauwelijks nog voorstelbaar.

Daarna mag hij te voet naar huis. Aan de overzijde van de Markt stapt hij een telefooncel binnen om zijn taxi te bellen — een beeld dat tegenwoordig al even nostalgisch aandoet als de Olivetti op het bureau.

Mooie tijden van weleer.

maandag 27 april 2026

Tussen "orde" in de politieschool en "chaos" in de boksring 1977

Het is 18 juni 1977, al begint het verhaal in werkelijkheid al in mei op de politieschool, waar ik zojuist mijn vijfmaandelijkse examens heb doorstaan en waar tegelijk duidelijk wordt dat circa acht medestudenten het niet hebben gehaald en vroegtijdig worden ontslagen, waarna zij nog enkele weken in overall tuinwerkzaamheden moeten verrichten tot de lopende maand om is. 

Een vertoning die mij destijds al als weerzinwekkend voorkwam omdat het voelde alsof mensen in één beweging uit een systeem werden gewist terwijl ze er nog fysiek onderdeel van waren, iets wat anders had moeten kunnen en wat ik in gedachten alleen maar kan vergelijken met eerdere indrukken uit het verleden zonder dat ik daar op dat moment woorden voor heb, terwijl zij plots niet meer meetellen. 

Alleen in mijn klas gebeurt dit, waar andere klassen gewoon in voltalligheid de eindstreep halen en hun wachtmeestersstrepen ontvangen, wat een vreemd en bijna willekeurig verschil is dat mij toen al opviel en dat ik nog steeds moeilijk kan plaatsen, jeetje wat triest eigenlijk, en kennelijk heeft niemand daar invloed op, ook de Overste niet. Sommige docenten hebben kennelijk meer machten ...

Laatst juni 1977, stap ik in een compleet andere wereld wanneer ik in Heinsberg voor de bokvereniging mijn veertiende partij boks, al heb ik jarenlang gedacht dat het mijn zesde of zevende wedstrijd was totdat mijn eigen wedstrijdboekje later de werkelijkheid corrigeert en mij confronteert met hoe selectief herinneringen kunnen zijn, zeker in een tijd waarin alles nog fysiek wordt beleefd en nauwelijks wordt vastgelegd.

De Stadthalle Heinsberg is afgeladen vol en zoals zo vaak in die tijd staan twee werelden tegenover elkaar, de thuisclub en de bezoekers, samengebracht in één ruimte vol geluid, spanning en verwachting. Ik kom uit in het Halbmittelgewicht, in Nederland het zwaarweltergewicht tot 71 kilo, en opnieuw tegenover een tegenstander sta die duidelijk zwaarder is, zeker zeven à acht kilo verschil, eigenlijk een halfzwaargewicht.




Iemand met een breder bovenlijf, dikkere armen en een fysieke aanwezigheid die op zichzelf al druk uitoefent. Iets waar ik op dat moment minder van onder de indruk ben dan men misschien zou verwachten omdat ik in de training gewend ben geraakt te kijken naar beweging in plaats van massa.

In mijn politiejaar mis ik door de opleiding het grootste deel van de bokstrainingen, maar ik ben wel conditioneel sterk door de dagelijkse fysieke belasting en het constante bewegen op de politieschool, waardoor ik scherp blijf in mijn combinaties. Al blijft het te weinig specifiek voor het pugilisme, iets wat later in mijn loopbaan eigenlijk structureel zo blijft, maar wat op dat moment nog niet als probleem wordt ervaren omdat je in de ring vooral leeft in het moment zelf en minder in wat ontbreekt.

Zoals zo vaak vallen mijn zenuwen weg zodra ik de ring instap, altijd weer opnieuw, alsof er een scheiding wordt gemaakt tussen buiten en binnen, tussen spanning en focus, en aan de rand van de ring staat Carla ❤️ mijn vaste steun, mijn supermascotte, met camera in de hand en altijd aanwezig om foto’s te maken van iedereen van onze vereniging, terwijl ze tussendoor aanwijzingen roept die ik zelfs in het rumoer van de zaal altijd herken omdat haar stem voor mij een soort ankerpunt is geworden.

Mijn tegenstander ademt kracht en zekerheid, het type dat zonder twijfel denkt dat hij dit gevecht wel even zal winnen, en zodra de gong voor de eerste ronde klinkt begin ik aftastend terwijl hij direct de aanval zoekt, naar voren komt en me probeert terug te drukken met zijn gewicht en harde stoten. Daardoor voel ik direct dat elke klap die hij geeft massa draagt, maar tegelijk ook dat ik sneller ben en beter in de timing.

Als jongste van mijn boksclub heb ik uit overlevingsdrang geleerd te bewegen, te ontwijken en aan te vallen op momenten dat er een opening ontstaat, en dat wordt mijn handelsmerk, iets wat ik niet bewust kies maar wat zich in de loop der jaren zo ontwikkelt.

Mijn voeten zijn lichter, mijn handen eerder, en ik begin te prikken met korte combinaties die strak en zuiver zijn, waarbij ik hem meerdere keren raak, vooral met links 🥊 en ik zie dat hij dat voelt en voorzichtiger wordt, waardoor zijn plan om puur op kracht te forceren langzaam begint te haperen.



Dan komt dat moment waarop de ruimte zich opent en alles samenvalt en ik zonder nadenken naar voren boks, alsof er iets in mij overneemt en ik in een split second bij hem ben met een strakke combinatie van stoten. Ik voel dat één van die stoten vol doorkomt, waarschijnlijk een linkse directe of een korte hoek, en zijn hoofd zichtbaar wegklapt.

De scheids telt hem aan waarna we hervatten, maar ik voel dat ik hem heb en wil het afmaken, misschien te gretig, waardoor ik naar voren stap om de beslissing te forceren en vol op een tegenstoot loop die hard binnenkomt. Mijn hoofd klapt, de scheidsrechter grijpt niet in, misschien niet gezien!

Vanaf dat moment moet ik in mijn hoofd herstellen, maar mijn tegenstander ziet het ook en wordt gretig, precies zoals ik seconden eerder was, waardoor hij naar voren komt, druk zet en mij eruit wil boksen met zware, dwingende stoten.

Mijn zicht verandert, sterretjes en flitsen verschijnen en alles wordt wazig, waardoor ik hem nog wel zie maar niet meer scherp, dit terwijl ik tegelijk ook in mijn hoofd moet vechten tegen onzichtbare krachten die mijn waarneming verstoren.

En ergens door die waas heen hoor ik haar stem, Carla, kort en duidelijk zoals altijd, en die stem snijdt door alles heen en brengt me net genoeg terug om niet te verdwijnen in de chaos, waarna er iets omschakelt naar automatische piloot en alles wat ik getraind heb het overneemt zonder dat ik er nog bewust over nadenk.

Mijn dekking blijft hoog, ik beweeg van hem weg en mijn lichaam doet wat het moet doen terwijl mijn hoofd nog vol lichtflitsen zit. Ik blijf boksen zo goed en kwaac als mogelijk. En raak hem opnieuw hard en nog eens, totdat ik zie dat hij begint te wankelen en de scheidsrechter ingrijpt. Hij hoeft niet meer te tellen en het gevecht wordt gestopt, ongelijk, hij staat op het punt van knock-out en ik win door opgave in de eerste ronde.

Het publiek reageert enthousiast, maar het gevecht in mijn hoofd is nog lang niet voorbij, alsof ik er naast sta in plaats van erin, en daarna wordt alles vaag, in flarden, terwijl de sterretjes in mijn zicht blijven hangen en mijn waarneming nog steeds onrustig is met flikkeringen en lichtvlekken die niet direct verdwijnen, maar ik zeg niets omdat ik op dat moment alleen weet dat ik heb gewonnen en dat dat is wat telt.

Geen dokter, geen controle, niet eens overwogen, waarschijnlijk toch een (lichte) hersenschudding.

Al komt de herinnering later pas terug in stukjes en beetjes, gelukkig, maar nooit helemaal compleet.