Translate

woensdag 19 augustus 2026

🌎Van Nürnberg naar het International Gerechtshof in Den Haag

Van Nürnberg naar Den Haag

Eergisteren heb ik de film Nürnberg gezien en misschien komt het daardoor dat ik bij het nieuws over de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof wat langer blijf hangen dan ik normaal gesproken bij een bericht over internationale politiek zou doen. Ik ben geen politiek deskundige en zeker geen wandelende encyclopedie van Amerikaanse verdragen, maar soms hoef je volgens mij ook geen deskundige te zijn om ergens je wenkbrauwen over op te trekken en jezelf af te vragen hoe het eigenlijk zit.

De film Nürnberg brengt mij terug naar de periode waarin na de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste kopstukken van het naziregime terechtstaan en waarin een gedachte centraal staat die eigenlijk heel eenvoudig klinkt: macht mag geen vrijbrief zijn en iemand die een hoge functie bekleedt, kan zich niet zonder meer verschuilen achter zijn uniform, zijn positie of het argument dat hij slechts bevelen heeft uitgevoerd.

De Amerikanen spelen bij Nürnberg een belangrijke rol en juist daarom vind ik het huidige nieuws opmerkelijk.

De NOS schrijft dat de Verenigde Staten sancties hebben opgelegd aan twee functionarissen van het Internationaal Strafhof, onder wie de voorzitter van het Hof, Tomoko Akane, en aanklager Abdoulaye Seye. De Amerikaanse regering vindt dat het Strafhof zijn bevoegdheden overschrijdt. Voor wie het zelf wil nalezen, zet ik het artikel van de NOS onderaan dit verhaal bij de bronnen.

En juist daar begint mijn nieuwsgierigheid, want dan wil ik natuurlijk weten hoe dat verhaal eigenlijk in elkaar zit🧐.

Want waarom?

Ik ben vervolgens wat verder gaan zoeken en dan blijkt dat dit helemaal geen ruzie is die met Donald Trump is begonnen. Dat vind ik misschien nog wel interessanter, omdat daarmee het beeld dat Trump dit allemaal persoonlijk heeft bedacht meteen wat minder eenvoudig wordt.

Volgens informatie van de Amerikaanse overheid en het Congressional Research Service gaat de Amerikaanse weerstand tegen het Internationaal Strafhof al terug tot het begin van deze eeuw. In 2002 nam de regering van George W. Bush nadrukkelijk afstand van het Strafhof en werd Amerikaanse wetgeving aangenomen die de bescherming van Amerikaanse militairen en functionarissen tegen het Hof moest versterken.

Dat heb ik dus niet zelf bedacht en daarom zet ik de bronnen er gewoon bij.

Iedereen zijn medaille.

Ook als die medaille een beetje saai is en uit een voetnoot bestaat. 😏

Trump heeft het Amerikaanse wantrouwen tegenover het Strafhof dus niet uitgevonden. Dat wantrouwen bestond al voordat Donald Trump voor het eerst zijn intrek nam in het Witte Huis. Onder Obama werd de Amerikaanse houding weer wat minder confronterend en onder Trump kwam de harde lijn vervolgens opnieuw nadrukkelijk terug.

Dat vind ik persoonlijk wel een belangrijk verschil.

Want Trump wordt nogal gemakkelijk neergezet als de man die alles heeft bedacht wat er tegenwoordig in Washington gebeurt, terwijl je soms beter naar de voorgeschiedenis kunt kijken. Dan zie je dat hij regelmatig bestaande politieke richtingen, oude beslissingen of sentimenten oppakt die al veel langer bestaan en ze vervolgens op zijn geheel eigen manier, met de volumeknop behoorlijk ver naar rechts gedraaid, opnieuw op tafel legt.

Dat maakt hem niet automatisch tot de bedenker ervan.

Hij is misschien eerder de man die in een oude voorraadkast een doos met politieke ideeën vindt, het deksel eraf trekt en roept: hé, deze kan ik gebruiken.

Dat is mijn eigen vergelijking, voor alle duidelijkheid. Daar hoeft niemand voor naar een bron te zoeken. 😉

Maar terug naar Nürnberg.

Daar zie ik een Amerika dat nadrukkelijk meewerkt aan het berechten van mensen die worden verdacht van de zwaarste misdaden en vervolgens kijk ik naar het huidige Amerika, dat het Internationaal Strafhof niet erkent en nu zelfs maatregelen neemt tegen mensen die daar hun werk doen.

Nogmaals, ik ben geen jurist en ik ga dus niet doen alsof ik kan bepalen wie juridisch gelijk heeft.

De Amerikaanse redenering is dat de Verenigde Staten geen partij zijn bij het Statuut van Rome en de rechtsmacht van het Hof over Amerikaanse burgers niet erkennen. Dat is een feitelijk standpunt dat je gewoon kunt nalezen in de Amerikaanse bronnen die ik onderaan vermeld.

Maar daarnaast bestaat er natuurlijk ook zoiets als je eigen gezonde verstand.

En dan vraag ik mij af: hoe bijzonder is het eigenlijk dat een land dat zo'n belangrijke rol heeft gespeeld bij Nürnberg, zoveel moeite heeft met een internationaal gerechtshof dat juist probeert voort te bouwen op het gedachtegoed dat daar mede vorm kreeg?

Misschien gaat het om nationale soevereiniteit, bescherming van Amerikaanse militairen, geopolitieke belangen, economische belangen of een combinatie van al die dingen.

Ik weet het niet, en ik ga het ook niet verkopen alsof ik het wel weet. Dat zou een beetje hetzelfde zijn als met de medaille van een ander rondlopen en vervolgens doen alsof je hem zelf hebt gewonnen.

En daar heeft Deze ex-wijkagent wat mij betreft geen behoefte aan.

Ik kijk, ik lees, ik zoek wat dingen na en vervolgens schrijf ik op wat ik ervan vind. Meer pretentie moet je er ook niet van maken.

Maar één ding blijft bij mij toch hangen.

Als je het internationale recht belangrijk vindt wanneer het om een ander gaat, maar grote vraagtekens zet zodra een internationale rechter dichter bij jezelf of je bondgenoten komt, dan ontstaat toch de ongemakkelijke vraag of het recht werkelijk het uitgangspunt is of dat eigenbelang uiteindelijk de doorslag geeft.

Dat geldt overigens niet alleen voor Amerika.

Dat geldt voor iedere regering, iedere organisatie en uiteindelijk ook voor ieder mens die macht bezit.

Het is namelijk nogal gemakkelijk om voor een onafhankelijke scheidsrechter te zijn zolang hij de overtreding van de tegenstander bestraft. Zodra hij naar jezelf wijst, blijkt hij ineens partijdig, onbevoegd en waarschijnlijk ook nog eens een slechte scheidsrechter.

Daarom blijft Nürnberg bij mij hangen.

Niet omdat ik na één film ineens deskundig ben geworden op het gebied van internationaal recht, maar juist omdat die film mij opnieuw laat nadenken over een eenvoudige vraag die volgens mij helemaal niet zo ingewikkeld is:

Wie controleert de macht wanneer de macht zelf bepaalt wie haar mag controleren?

Van Nürnberg naar Den Haag lijkt een mooie rechte lijn.

Maar als je de geschiedenis van de afgelopen ruim twintig jaar erbij pakt, met Bush, Obama, Trump, Biden en opnieuw Trump, blijkt die lijn toch behoorlijk wat bochten te bevatten.

En misschien moeten we daarom ook voorzichtig zijn met de gedachte dat alles wat tegenwoordig gebeurt uitsluitend door één man wordt veroorzaakt.

Trump is vaak geen bedenker van een nieuwe politieke richting, maar eerder een uitvergroting van bestaande keuzes en sentimenten die hem op enig moment handig lijken, vind ik!

Alleen doet hij dat op een manier waarop zelfs een oude politieke gedachte na een paar minuten al klinkt alsof zij gisteren in de Trump Tower is uitgevonden.

En dat is misschien wel zijn bijzondere talent.

Niet noodzakelijk iets nieuws bedenken, maar iets ouds met zoveel kabaal opnieuw op tafel leggen dat iedereen vergeet dat het er al lag.

Ik heb alleen een film gezien, een nieuwsbericht gelezen en daarna gedacht: verrek, hoe zit dit eigenlijk?

Daarna ben ik wat verder gaan zoeken om te kijken of mijn eerste gedachte eigenlijk wel klopte.

De NOS heeft mij het actuele nieuws geleverd, de Amerikaanse overheidsbronnen en het Congressional Research Service hebben mij geholpen om de voorgeschiedenis te begrijpen en wat ik daar vervolgens van vind, is mijn eigen verantwoordelijkheid.

Zo hoort het volgens mij ook. Geen veren van een ander op mijn hoed. Geen medailles die ik zelf niet heb gewonnen. Iedereen zijn medaille. En ik houd de mijne lekker klein.

Enfin, een film, een kop koffie, een beetje nieuwsgierigheid en een blog.

Meer heb ik eigenlijk niet nodig.

Want de geschiedenis herhaalt zich misschien niet.

Ze trekt gewoon een andere stropdas aan. En soms is het een hele grote Amerikaanse stropdas.


Bronnen

NOS, VS legt sancties op aan president Internationaal Strafhof, 18 augustus 2026.

Lees het oorspronkelijke NOS-artikel

U.S. Department of Justice, informatie over het Amerikaanse standpunt ten aanzien van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof en de Amerikaanse positie sinds de oprichting van het Hof.

Congressional Research Service, overzicht van de Amerikaanse betrekkingen met het Internationaal Strafhof, waaronder de ontwikkelingen onder Clinton, Bush, Obama, Trump en Biden.

⌛️Slecht nieuws gesprek, een leeggedronken kop koffie ...

Tijdens mijn politiepraktijk heb ik al heel vaak een slecht-nieuwsgesprek gevoerd. Een slecht-nieuwsgesprek is het synoniem dat de politie eraan heeft gegeven. De naam is en blijft een vreemde, bijna surrealistische expressie. Eigenlijk zou de term dodelijke nieuwsoverbrenging moeten heten. Toch wordt in mijn kringen de term slecht-nieuwsgesprek, op eufemistische wijze, gebruikt. Dan weet iedere politieman precies wat ermee wordt bedoeld.

Het is de hartverscheurende taak om bij een gezin, partner of familie het levenslicht van een dierbare plotseling, maar onomstotelijk, uit te blazen.

De politie wordt consequent geconfronteerd met het overbrengen van een dodelijke onheilstijding. Een onomkeerbare knock-out voor gezin, familie, nabestaanden en andere dierbaren. Uiteindelijk zal de media in een krantenbericht misschien bekendmaken dat een dierbare niet meer onder ons is. Maar voordat het nieuws de krant haalt, staat de politie vaak al aan de voordeur.

Op een gegeven moment, tijdens een van mijn ochtenddiensten, ben ik op pad in het district wanneer ik een telefoontje krijg van de meldkamer. Er is een man overleden bij een verkeersongeluk. Met daarbij de vervolgopdracht om het overlijdensbericht bij de familie aan te gaan zeggen.

Gelukkig heb ik die dienst samen met onze heuse Florence Nightingale-collega Jolanda. Juist ja, die kanjer.

We zijn zeer zichtbaar in politie-uniform gekleed en rijden met een opvallend dienstvoertuig onderweg, zoals wij dat officieel noemen. Ergens op een weg, ver uit de buurt, heeft een aanrijding plaatsgevonden buiten onze regio. Daarbij heeft een harde werker, echtgenoot en familievader tegelijk, zijn leven verloren.

Dan is het hartstikke belangrijk om, gewapend met de juiste identiteitsgegevens, zo snel mogelijk bij het gezin van de overledene te komen om hen het noodlottige en onomkeerbare verlies in mokerslagwoorden mee te delen. Dit om te voorkomen dat de zogenaamde indianenverhalen ons inhalen en ons vóór zijn op weg naar het achterblijvende gezin.

Ik kon de gevoelsmatige impact van het aanzeggen van dit bericht al van tevoren aanvoelen. Helaas was er geen andere collega beschikbaar die met een onopvallende auto en in burgerkleding deze zware taak kon uitvoeren. Dus aan ons deze opdracht.
We stappen uit bij het huisadres van de overledene. Met lood in onze schoenen en slechts gewapend met een kladbriefje waarop zijn identiteitsgegevens staan, bel ik aan. Aan onze gezichten is waarschijnlijk al duidelijk af te lezen waarvoor wij komen.

Dan breng ik mezelf het dagelijkse moment van iedereen in herinnering. Het moment waarop een echtgenoot of partner ’s morgens van huis vertrekt, per fiets of auto, om naar het werk te gaan. Hopelijk met alle liefde die tussen partners mogelijk is, maar vooral zonder ruzie of andere emotionele beroeringen.

Veel mensen schrikken nog steeds wanneer ik in mijn hoedanigheid van politieman bij hen aanbel. Meestal brengen we nieuws in het kader van strafbaarheid, verhoor of onderzoek. Zelden is ons nieuws een ongewilde, dodelijke noodzakelijkheid.
Dit is ook voor de politie een van de zwaarste opdrachten, geloof me. Ik begrijp nog steeds de schrik die mijn uniform bij mensen kan oproepen wanneer ik bij hen aanbel. Gelukkig kan ik die schrik meestal snel pareren.

In dit relaas gaat op de bovenverdieping een klein raampje open. We zien het hoofd van de vrouwelijke bewoonster door de kleine slaapkamerraamopening verschijnen.

Voordat we iets kunnen zeggen, zegt zij al:
“Oh nee hè, het is toch niet waar!”
Ze ijlt naar beneden en opent de voordeur, moedeloos als een mens die zich op dat moment al verslagen weet. We lopen haar achterna naar binnen, de woonkamer in.

Dan komt de zakelijke vraag.
“Is uw man die en die?”
In een soort trance antwoordt de vrouw met ja.

Mijn woorden raken haar nauwelijks meer en vallen langs haar heen in het niets. De emoties houden mijn woorden tegen als een dikke stenen buitenmuur.
Ik vertel haar wat de meldkamer mij heeft verteld.
Haar wereld zinkt onder haar voeten vandaan.

Daar staan we dan, samen met haar in de woonkamer van haar en haar man, die tot een paar uur eerder nog gewoon hun woonkamer was.

Slechts met woorden heb ik haar levensgeluk totaal uitgeschakeld.
Deze echtgenote is bovendien alleen thuis. Empathisch en welgemeend vragen we haar of we iemand kunnen bellen om haar verder bij te staan. Dat is volgens haar niet nodig. De emoties laten haar echter niet meer los.

Ik informeer de huisarts. Hij begrijpt de noodzaak en zal naar deze vrouw toegaan. Ook benaderen we een familielid dat onmiddellijk naar haar toe komt om haar bij te staan.

Dan gebeurt er iets kleins.

En juist dat kleine moment is mij bijgebleven.

Op de salontafel in de woonkamer staat een lege mok.
Mijn collega Jolanda wil haar een beetje helpen en reikt naar de mok om iets te drinken voor haar te halen.

Dan gebeurt er een vreemde, stille gewaarwording.
Als Jolanda naar de mok reikt, maakt de vrouw een non-verbale, afwerende armbeweging. Ze wil kennelijk de laatste strohalm van de aanwezigheid van haar echtgenoot niet door anderen laten verstoren.
Ze pakt de mok zelf vast.

Alsof ze haar man daarmee bij de hand kan pakken.

Jolanda begrijpt het gebaar onmiddellijk en laat de vrouw de mok zelf vasthouden.
Ik weet niet meer of haar man zijn koffie zwart dronk of met een vleugje melk en misschien wat suiker. Een lepeltje waarmee al die ingrediënten gemengd konden worden, ligt er in ieder geval nog stilletjes naast.
Dat lepeltje weet nog van niets.

Als de familie hulp arriveert, gaan wij weer op weg naar nieuwe politieopdrachten. Ik weet nog dat wij een uur of wat later door de meldkamer opnieuw worden aangestuurd voor andere, veel kleinere zaken.

Erger dan dit hebben Jolanda en ik die werkdag niet meer in gedachten.

Dat is en blijft toch vreemd in de politiewereld.
Misschien is dat ook wel goed zo.

Je kunt niet iedere dag het verdriet van een ander mens met je meedragen.
Ik denk wel dat we die ochtend goed werk hebben verricht bij deze arme vrouw.
We lopen weg van de woning naar onze politieauto. De voordeur wordt achter ons gesloten.

Het verdriet blijft als een onzichtbare geest stil achter in de woning.
Hopelijk vermengd met alles wat daar vóór deze ochtend ook was: maatschappelijk leven, gezinsgeluk, liefde, ruzies, koffie, gewone gesprekken en de dagelijkse vanzelfsprekendheid van het samen zijn.

Een gewone woonkamer, met een lege koffiemok op tafel.
Misschien is dat uiteindelijk wel het meest confronterende van dit hele verhaal.
Het leven kan in één klap veranderen, terwijl de spullen in huis gewoon blijven staan waar ze stonden.

Het zou zomaar kunnen dat van ieder mens zijn of haar levenslijn vooraf is vastgesteld, met een begin- en einddatum. Buiten alle religie en genetica om.

Wij weten alleen nooit wanneer de einddatum op de kalender staat.

maandag 17 augustus 2026

😵‍💫 Mike Foppen toch! Sterkte jongen👍👊💙

Het spijkerbed van de topsport

Soms voelt topsport aan als spitsroeden lopen. Op het eerste moment snap ik Mike Foppen niet. Je loopt vierde op een EK, je bent nog volop in de wedstrijd en dan stap je uit. Mijn eerste gedachte is dan ook niet bepaald mild: ga ervoor, man. Je bent toch niet voor niets daar.

Maar achteraf denk ik er anders over.

Want iedere sporter die ooit serieus een wedstrijd heeft gedaan, weet dat een wedstrijd niet alleen wordt uitgevochten tegen een tegenstander, de klok of de afstand. Soms wordt de zwaarste wedstrijd gevoerd tussen je hoofd en je lichaam. Je hoofd wil door, maar je lichaam zegt dat het genoeg is. Of andersom. En soms werken ze allebei tegen je.

Fight, fright, flight. Vechten, verstarren of vluchten. Drie eenvoudige woorden voor een mechanisme dat helemaal niet zo eenvoudig is wanneer je er middenin zit.

Wanneer je als bokser de ring instapt, ben je voor mij al een winnaar. Niet omdat je de wedstrijd zeker gaat winnen, maar omdat je bereid bent het gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de judoka die de mat opstapt, de atleet die aan de start staat, de wielrenner die aan een klim begint of iedere andere sporter die zichzelf aan de wedstrijd uitlevert.

Want ga er maar aan staan.

Je voorbereiding moet goed zijn geweest. Je moet overtuigd zijn van jezelf, maar misschien heb je van nature al wat faalangst. En die faalangst is niet altijd negatief. Soms maakt spanning je juist scherper, alerter en gedrevener. Soms tilt diezelfde spanning je naar een niveau waarvan je vooraf niet wist dat je het bezat. Een zweem van bijna-verstandsverbijstering waarin ratio even naar de achtergrond verdwijnt en het lichaam het overneemt.

Soms legt het lichaam de stekker eruit.

Soms zet het de turbo aan.

De trainer staat langs de kant, de verwachtingen groeien, sociale media maken van iedere prestatie een oordeel en journalisten blijven aan je plakken. En als je helemaal pech hebt, zit de koning met zijn aanhang ook nog op de tribune. 😅

En dan moet jij presteren.

Niet één keer, maar steeds opnieuw. Want wanneer je eenmaal de status van topsporter hebt bereikt, moet je die status ook blijven waarmaken. Kwalificeren, presteren, opnieuw kwalificeren. Een maatschappelijke carrière staat misschien op een laag pitje, een gewone baan past niet meer in het schema en privé wordt er ook het nodige ingeleverd. Niet presteren voelt dan al snel als falen.

En juist daar wordt topsport keihard.

Wanneer je nog niets te verliezen hebt, kun je soms onbevangen lopen, slaan, fietsen of judoën. Maar zodra je iets hebt bereikt, ontstaat er ook iets anders: de angst om het weer kwijt te raken. Je loopt dan niet alleen vóór een medaille. Je loopt misschien ook tégen de gedachte dat je die medaille niet meer waard bent.

De baan blijft ondertussen gewoon dezelfde baan.

Maar voor de sporter kan die sintelbaan op een bepaald moment veranderen in een spijkerbed.

Dat weet iedere sporter. Misschien niet op hetzelfde niveau, maar wel uit eigen ervaring. Dat ene moment waarop je lichaam nog wel kan, maar je hoofd niet meer wil. Of je hoofd schreeuwt dat je door moet, terwijl je lichaam daar anders over denkt. En ondertussen kijkt de wereld toe.

Daarom begreep ik Foppen op het eerste moment niet.

Achteraf misschien wel iets beter.

Dat betekent niet dat ik weet wat er werkelijk in zijn hoofd of lichaam gebeurde. Dat weet alleen hij. Maar wij moeten misschien ook niet te snel oordelen over iemand die op een bepaald moment midden op dat spijkerbed staat.

Hij stapte uit. Hij had vrijwel meteen spijt.

En misschien was juist dat laatste wel het bewijs dat de wedstrijd voor hem nog lang niet voorbij was. De wedstrijd op de baan wel. Die in zijn hoofd duidelijk niet.

Maar topsport gaat uiteindelijk niet alleen over de top van de sport. Misschien begint de echte topsport wel daarbuiten, in het gewone leven. Ook daar kennen we spanning, faalangst, twijfel en momenten waarop hoofd en lichaam elkaar niet meer begrijpen. Ook daar vallen mensen. Soms hard.

Vallen, falen, opstaan en doorgaan. De baan, de ring en de judomat zijn slechts de zichtbare versie. De echte wedstrijd wordt vaak gespeeld waar niemand kijkt.

Door falen worden mensen gevormd. Niet omdat falen prettig is, maar omdat je er soms meer van leert dan van een overwinning. Het gaat niet om hoe vaak je valt. Het gaat erom dat je minstens één keer vaker opstaat dan dat je valt.

Die mensen noem ik helden.

De echte helden staan namelijk niet altijd in de spotlights. Vaak zijn ze onherkenbaar en ploeteren ze gewoon voort in hun bestaan, ten dienste van anderen. Een waar leger van grijze muizen die je pas echt mist wanneer ze er niet meer zijn, of wanneer je geen beroep meer op hen kunt doen.

De hulpverlener die komt wanneer iedereen weggaat. De politieman en brandweerman die doorgaan wanneer een ander stopt. De verpleegkundige die een nachtdienst draait terwijl de rest van Nederland slaapt. En de militair die niet alleen praat over onze vrijheid, maar bereid is haar daadwerkelijk te verdedigen.

Geen podium. Geen medaille. Geen miljoenenpubliek.

Maar wel iedere dag opnieuw aan de start.

Ook dat is topsport.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van topsport.

Na al dat denken, twijfelen, analyseren en presteren blijft er uiteindelijk misschien maar één opdracht over:

Just do it.

Maar eerst koffie. 😅☕️

zondag 16 augustus 2026

🖥 Alweer twee nieuwe wetten… en wie gaat ze uitvoeren?

Vanaf vandaag of binnenkort hebben we er weer twee wetten bij: de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Mooie namen, belangrijke onderwerpen en eerlijk is eerlijk: niemand zal ontkennen dat cyberaanvallen, sabotage en het uitvallen van vitale voorzieningen serieuze risico’s zijn.

Maar toch bekruipt mij een andere gedachte.

Alweer twee nieuwe wetten. Wat moeten we daar allemaal mee?

Want een wet maken is één ding. Er in de praktijk mee kunnen werken is iets heel anders.

Misschien moeten we daarom wat vaker kijken of bestaande wetten kunnen worden uitgebreid en aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. De samenleving verandert nu eenmaal voortdurend. Een rechtsstaat moet kunnen meebewegen met die werkelijkheid, zonder dat voor iedere nieuwe ontwikkeling meteen een nieuwe wet uit de Haagse wetgevingsfabriek komt rollen.

En daar zit voor mij ook een beetje de George Orwell van deze tijd.

Niet omdat Nederland ineens 1984 is geworden, maar omdat de digitale wereld ons steeds meer mogelijkheden geeft om mensen, organisaties en systemen te volgen, te registreren, te controleren en met elkaar te verbinden. Technologie kan ons enorm helpen, maar dezelfde technologie kan ook worden misbruikt.

En ondertussen groeit er een leger van digitale belagers dat met een laptop, wat kennis en kennelijk vooral veel vrije tijd complete systemen kan proberen te ontregelen. Een ziekenhuis, gemeente, bedrijf, politieorganisatie of vitale voorziening kan digitaal worden aangevallen zonder dat de dader ooit fysiek in de buurt is geweest.

Dat is een nieuwe werkelijkheid.

Maar daar staat wel een andere werkelijkheid tegenover.

Nederland vergrijst. De politie vergrijst. En niet iedere burger is opgegroeid met een toetsenbord onder zijn neus.

We hebben nog steeds mensen die prima met een telefoon kunnen bellen, maar bij het woord app eerst denken dat het om appelmoes gaat. Digibeten, ouderen en mensen die simpelweg niet kunnen of willen meegaan in de digitale snelheid van deze tijd, verdwijnen niet omdat Den Haag een nieuwe digitale wet heeft gemaakt.

Ook binnen de politie hebben we te maken met vergrijzing. Er gaat kennis en ervaring met pensioen en tegelijkertijd wordt de digitale werkelijkheid steeds ingewikkelder. Dat betekent dat je niet alleen nieuwe regels nodig hebt, maar ook mensen, kennis, opleiding en capaciteit om die regels daadwerkelijk uit te voeren.

En daar wringt het.

De politie kan nu al niet alles bijbenen wat vanuit de politiek wordt doorgejast. Nieuwe taken, nieuwe regels, nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe verwachtingen komen erbij, terwijl de bestaande problemen niet netjes verdwijnen.

Ik breng maar even geweld tegen politie (waaronder de vuurwerkmalaise) en PTSS in herinnering.

Er wordt aan gewerkt, dat dan weer wel.

Maar ondertussen gaan we vrolijk verder.

Daarom zou ik minister David van Weel ook graag wat meer willen zien als minister van de politie en de rechtsstaat en wat minder als de praat-trekpop van het kabinet die bij ieder nieuw probleem voor de camera mag uitleggen waarom er weer iets nieuws noodzakelijk is.

Laat hem dan vooral vertellen hoe het er in de praktijk uit moet gaan zien.

Wie gaat toezicht houden? Wie gaat handhaven? Welke bevoegdheden zijn daarvoor nodig? Wie stelt een overtreding vast? Welke procedure volgt daarna? En vooral: hebben we daarvoor ook daadwerkelijk de mensen, kennis en middelen?

Want dat zijn geen Haagse details.

Dat is de werkelijkheid op straat.

En misschien moeten we in Den Haag ook eens wat minder bezig zijn met het politieke handjeklap, het onderlinge wantrouwen en het elkaar vliegen afvangen. Een rechtsstaat is geen voetbalwedstrijd waarin iedere partij vooral probeert te voorkomen dat de ander scoort.

Een wet is geen doel op zich. Een wet is een instrument.

Een instrument dat moet passen bij de werkelijkheid.

En die werkelijkheid bestaat niet alleen uit jonge digitale specialisten die binnen een paar seconden een systeem kunnen doorgronden. Die bestaat ook uit een vergrijzende bevolking, politiemensen die hun kennis en ervaring meenemen richting pensioen en burgers voor wie de digitale samenleving soms eerder een hindernisbaan dan een vooruitgang is.

Daar moeten we rekening mee houden.

Want anders krijgen we een merkwaardige paradox: we maken steeds meer digitale wetten om ons tegen digitale dreigingen te beschermen, terwijl de mensen die ze moeten uitvoeren steeds minder tijd, capaciteit en soms zelfs kennis hebben om het geheel bij te houden.

Dus prima, minister Van Weel.

Maak Nederland weerbaar. Bescherm onze vitale voorzieningen. Pak cybercriminaliteit aan. Zorg dat de overheid niet met één druk op de verkeerde knop plat komt te liggen.

Maar vergeet ondertussen de gewone werkelijkheid niet.

Wie nieuwe wetten doorjast, moet ook zorgen dat er morgen iemand is om ze uit te voeren.

Anders hebben we straks een prachtig digitaal weerbaar Nederland op papier.

En misschien is dat wel de meest Orwelliaanse gedachte van allemaal:

een samenleving die alles digitaal geregeld heeft, maar niemand meer heeft die weet hoe het werkt wanneer het digitale licht uitgaat.

Gisteren stond ik bij de Lidl in een filiaal in Sittard. De medewerker vroeg of ik mijn boodschappen zelf met de app wilde scannen. Zonder nadenken zei ik nee. Ik bleef gewoon in de rij voor de kassa staan. Niet omdat ik niet kan scannen, maar omdat ik soms nog gewoon klant wil zijn ...

Verder, een bekende plofkraker loopt tegen de lamp bij een politieactie. Bij de aanhouding worden vuurwapens en drugs aangetroffen. In de auto jerrycan met brandstof en een Blu Eye-systeem waarmee je kunt zien of er hulpdiensten in de buurt rijden, ook als deze onopvallend onderweg zijn. Saillant detail, Blu Eye is geen verboden systeem. Dat zou toch anders moeten kunnen op basis van bestaande wetgeving, toch ...

zaterdag 15 augustus 2026

🚜 als de overheid grenzen oprekt, moet ze niet verbaasd zijn als anderen dat ook doen

 en nu is het ineens huilie huilie ...

Premier Jetten spreekt zijn afschuw uit over het dodelijke ongeval na de boerenprotesten en noemt de situatie bloedlink. Begrijpelijk, want dat is het ook. Maar ondertussen wordt het woord Extinction Rebellion zorgvuldig uit de politieke watten gehouden, alsof het een vies woord is dat niet op tafel mag komen. Want ja, dan wordt het ineens lastig om uit te leggen waarom bij de ene demonstratie de juridische grenzen heel scherp worden getrokken en bij de andere de grenzen ineens wat elastischer lijken.

Politiewetenschapper Jaap Timmer is daar een stuk duidelijker over. Demonstreren is een grondrecht, maar dat betekent niet dat je vervolgens de verkeersveiligheid, gezondheid en openbare orde aan de kant kunt schuiven. Volgens hem hadden de autoriteiten harder moeten optreden.

En daar zit precies mijn probleem.

De politie moet handhaven.

Maar de politie maakt de wet niet. De politie maakt ook geen politieke keuzes over welke risico's maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De politie werkt binnen de wetgeving, de aanwijzingen van het bevoegd gezag en de politieke werkelijkheid die daarboven hangt.

Als vervolgens vooraf wordt besloten om tractoren niet tegen te houden zolang ze de snelweg niet blokkeren, ontstaat er een merkwaardige situatie. (Dus dan mag het wel) Een trekker hoort niet op de snelweg, maar kennelijk mag hij daar onder bepaalde omstandigheden toch rustig rondtoeren zolang het verkeersinfarct nog niet officieel is begonnen.

Dat is geen handhaving meer volgens het principe gelijke monniken, gelijke kappen, maar handhaving met een gebruiksaanwijzing.

En dan komen achteraf de bestuurders met ernstige gezichten vertellen dat dit natuurlijk nooit de bedoeling was.

Tja.

In het oude Rome hadden ze daar een mooie methode voor. Brood en spelen. Geef het volk wat vertier en wat brood, dan kijkt het misschien even niet naar de politieke problemen, de kosten en de moeilijke besluiten.

Tegenwoordig hebben we geen Colosseum meer nodig. Wij hebben talkshows, demonstraties, subsidies, compensatieregelingen en een eindeloze stroom politieke verklaringen waarin vooral heel zorgvuldig wordt uitgelegd waarom iets eigenlijk niet kan, maar voorlopig toch maar even gebeurt.

En zodra het misgaat, volgt het bekende ritueel.

“Dit had nooit mogen gebeuren.”

Nee, natuurlijk niet.

Maar als je jarenlang grenzen laat opschuiven, moet je niet verbaasd zijn wanneer iemand uiteindelijk denkt dat er helemaal geen grens meer staat.

De overheid neemt risico's met haar keuzes. De politie mag vervolgens niet het politieke vangnet worden voor besluiten die boven haar pet zijn genomen.

De wet is geen menukaart.

Je kunt er niet vandaag de ene regel afhalen omdat die politiek even beter uitkomt en morgen dezelfde regel weer aanwijzen omdat het ineens gevaarlijk is geworden.

Want dan krijg je precies wat we nu zien.

Eerst ruimte geven. Dan tolereren. Dan waarschuwen. Dan huilie huilie.

En uiteindelijk vragen waarom de politie niet eerder heeft ingegrepen.

Misschien moeten we daarom niet alleen naar de politie kijken.

Misschien moeten we eindelijk eens kijken naar degene die bepaalt waar de grens ligt.

Want een politieagent kan alleen handhaven binnen de grenzen die de politiek hem geeft.

En als die grens van rubber is gemaakt, moet je achteraf niet boos worden op degene die ermee moet werken.

vrijdag 14 augustus 2026

🏛️ Tijd voor een nieuw artikel in de Grondwet ivm K.R.A.K.E.N.

Misschien wordt het zo langzamerhand tijd om de Grondwet maar eens aan te passen. Niet omdat de rechtsstaat niet meer functioneert, maar omdat we hem kennelijk steeds creatiever zijn gaan uitleggen. Ik stel daarom een nieuw grondwetsartikel voor: “Illegaliteit en illegalen genieten de hoogste bescherming, zeker wanneer zij zich eerst eigenhandig toegang hebben verschaft tot een plaats waar zij helemaal niet horen te zijn.”

Want het begint inmiddels een beetje een merkwaardige vorm aan te nemen. Wie zich aan de regels houdt, krijgt te maken met vergunningen, bestemmingsplannen, eigendomsrechten, huurcontracten, termijnen, formulieren en uiteindelijk misschien nog een ambtenaar die vraagt of het formulier wel met de juiste kleur pen is ingevuld. Wie daarentegen besluit de regels aan zijn laars te lappen, lijkt soms rechtstreeks toegang te krijgen tot een juridisch beschermingspakket waarvan de gewone burger alleen maar kan dromen.

Neem het kraken van woningen en gebouwen. Je verschaft jezelf zonder toestemming toegang tot andermans eigendom, maakt jezelf vervolgens bewoner en zodra iemand daar iets van vindt, wordt het woonrecht ineens een zwaarwegend juridisch begrip. De geschiedenis van de krakersrellen in Amsterdam en andere steden staat nog altijd op ons netvlies: barricades, stenen, verf en een Mobiele Eenheid die vooral mocht proberen uit te leggen dat openbare orde ook daadwerkelijk iets met orde te maken heeft.

En nu lijkt er in Limburg een nieuwe aflevering van deze juridische komedie te zijn verschenen.

Bij het Landbouwbelang ontstaat een situatie rond een bootje en een caravan. De politie wordt erbij gehaald omdat er sprake zou zijn van een onveilige situatie en kennelijk vinden mensen die zich daar bevinden dat anderen zich niet aan de regels houden. Op zichzelf niets bijzonders, totdat je beseft dat we hier te maken hebben met een omgeving waar mensen zich niet bepaald via de reguliere voordeur van het huurcontract hebben gemeld.

Het wordt dan toch een merkwaardige situatie wanneer iemand die zich toegang en verblijf heeft verschaft in een gekraakte omgeving, vervolgens de overheid inschakelt omdat een andere partij daar volgens hem illegaal een standplaats heeft ingenomen.

De kraker belt dus de politie over een illegale standplaats van een andere kraker.

Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer een inbreker 112 belt omdat hij tijdens zijn werkzaamheden een andere inbreker aantreft die volgens hem niet helemaal volgens de huisregels opereert.

En dan komt de politie.

Want de politie heeft geen vrijbrief om bij dit soort situaties de schouders op te halen en te zeggen: “Zoek het lekker zelf uit, jullie zijn allemaal illegaal bezig.” De politie moet handhaven in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en bovendien in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Dat is nu eenmaal de rechtsstaat, ook wanneer de situatie inmiddels zo absurd is geworden dat je als politieman bijna behoefte krijgt aan een juridisch woordenboek én een kop koffie.

Misschien moeten we daarom maar eerlijk zijn en het nieuwe grondwetsartikel meteen goed formuleren:

Artikel 1a — Het hoogste recht

“Eenieder die zich niet aan de wet houdt, heeft recht op maximale rechtsbescherming, mits hij zijn overtreding maar lang genoeg voortzet en zich vervolgens op zijn rechten beroept.”

Lid 2 kan dan bepalen dat degene die wél netjes een woning huurt, belasting betaalt, vergunningen aanvraagt en zich aan de regels houdt, vooral veel geduld moet hebben.

Lid 3 lijkt mij ook belangrijk: “Degene die illegaal een ruimte gebruikt, behoudt dit gebruik zolang overheid en rechter er nog niet definitief iets anders van hebben gevonden.”

En voor de zekerheid voegen we nog een overgangsbepaling toe voor caravans, bootjes en andere mobiele woonvormen.

Want voordat je het weet, ontstaat er een geheel nieuwe rechtsorde waarin niet langer wordt gevraagd of iets legaal is, maar vooral wie als eerste illegaal was en daardoor de oudste rechten heeft opgebouwd.

Daarmee zijn we dan eigenlijk terug bij het recht van de sterkste, maar dan met een advocaat, een bezwaarprocedure en een keurige brief van de gemeente.

Het bijzondere is dat dit niet alleen iets zegt over de mensen die de grenzen van de wet opzoeken. Het zegt ook iets over de overheid en misschien zelfs over de rechtspraak wanneer een situatie zover kan komen dat iemand die zich illegaal toegang heeft verschaft tot een pand uiteindelijk een beroep kan doen op bescherming van zijn verblijf, terwijl de gewone eigenaar eerst een juridisch parcours met hindernissen moet afleggen.

De rechtsstaat is er natuurlijk juist om iedereen tegen willekeur te beschermen. Maar daar zit wel een grens aan die we niet uit het oog mogen verliezen: rechtsbescherming zou nooit mogen verworden tot een beloning voor het negeren van de regels.

Want dan leren we de burger uiteindelijk een merkwaardige les.

💥Doe het netjes en je krijgt een formulier.

💥Doe het fout en je krijgt rechtsbescherming.

💥Doe het vervolgens lang genoeg fout en misschien krijg je uiteindelijk zelfs een recht.

En wanneer dat recht eenmaal bestaat, bellen we de politie omdat iemand anders zich niet aan de regels houdt.

Het moet niet nog gekker worre. 😏

woensdag 12 augustus 2026

☔️ De paraplu van 75 cm ☔️

 

☔️De paraplu van 75 centimeter☔️

We rijden in de grrepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.

Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.

Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.

Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.

Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.

Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.

“Tot uw beschikking.”

De andere roepnummers melden zich eveneens.

De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.

Op straat is nagenoeg niemand te zien.

Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.

Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.

Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.

Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.

Hij stuurt de GSA ernaast.

“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”

Ik kijk hem aan.

Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.

Maar dienst is dienst.

Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.

Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.

Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.

Lekker droog en hoog.

Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.

Maar één ding weet ik nog wel.

De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.

Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed.

En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.

Ik denk er het mijne van.

Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.

Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.

Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.

Op dat moment is er niemand anders op de weg.

Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.

Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.

In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.

Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.

We hebben het er niet meer over.

Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:

een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.

Soms uit een wetboek.

Soms van een collega.

En soms van een paraplu.