Translate

vrijdag 9 oktober 2026

🦟Zoemtrauma, verwarring versus zorg en TBS

Een nachtelijke rondgang langs de grenzen van de politiezorg — geschreven rond 2013

Deze week lag ik weer aan het infuus van de geplande nachtdiensten. Een keur aan evenementen had de plaatselijke horeca als het ware tot de laatste druppel leeggeplunderd, waarbij ook de glazen hun bijdrage hadden geleverd. Voor de diverse festiviteiten was extra politiepersoneel ingezet en de verwachting was dat het op geweldsgebied wel rustig zou blijven. Met nog wat extra politietoezicht en een alcoholcontrole erbij kon er toch eigenlijk niets meer misgaan, zo leek de gedachte.

Maar de werkelijkheid heeft nu eenmaal de onhebbelijke gewoonte om zich niet aan onze planning te houden. Omstreeks 02.00 uur sloeg de vlam alsnog in de pan, alleen niet bij een van de evenementen, maar midden in de stad, waar iemand van de beveiliging van achteren op zijn hoofd werd geslagen. De dader was mij bekend en werd korte tijd later door de aangever en verschillende getuigen aangewezen. Hem dus maar als de wiedeweerga aangehouden. Van verzet of geweld tegen mijn collega en mij was geen sprake, al stonden wij op dat moment ook wel op een voor hem enigszins onverhoeds tijdstip voor zijn neus.

Weer een kerfje erbij op zijn geweldscv, maar of hij daar nu iets van opsteekt, is een heel andere vraag. Zijn verleden en heden lijken elkaar op dat punt namelijk weinig nieuws te vertellen. Misschien moet er bij deze man toch eens iets anders worden getuned, want wanneer iemand telkens opnieuw dezelfde fout maakt, kun je je afvragen of het bestaande recept nog wel de juiste ingrediënten bevat.

Ondertussen liepen de andere werkzaamheden gewoon door. Woninginbraken, aanhoudingen en allerlei vormen van maatschappelijk politiewerk wisselden elkaar af binnen het district waarin ik werkzaam was. Bij meerdere woninginbraken werden verdachten aangehouden en ook bij andere zaken werd door de collega's goed en naar behoren geacteerd. Als mensen eens wisten hoe snel wij tijdens zo'n dienst proberen daders aan te houden en misdrijven te stoppen, zouden sommigen zich misschien nog eens achter de oren krabben. Bij een spoedrit ruikt de dienstauto immers niet zelden naar burning rubber, en dat doen we doorgaans niet om de bandenleverancier aan extra omzet te helpen.

Toch waren het niet de woninginbraken of de geweldszaken die mij uit deze reeks nachtdiensten het meest zijn bijgebleven. De laatste nachtdienst begon rustig, maar vanaf 03.30 uur moesten we nog bij twee meldingen aantreden waarbij de menselijke hulpvraag veel groter bleek dan het strafrechtelijke belang.

De man die de diepvriezer niet meer vertrouwde

Bij de eerste melding ging het om een oudere heer die naar eigen zeggen last had van de airconditioning van zijn buren. Omdat het hinderlijke geluid maar niet ophield, was hij in de tegenaanval gegaan en had hij zijn radio in de slaapkamer tegen de muur van de buren gezet, waarna hij het volume kennelijk voldoende had opgeschroefd om ook hun nachtrust in de aanbieding te doen. Het resultaat was voorspelbaar: niemand sliep nog.

We belden bij hem aan en toen hij de deur opendeed, kreeg ik al snel een indruk van de situatie. Er was geen sprake van een strafbaar feit dat onze aandacht opeiste, maar wel van een intriest verhaal waarin noodzakelijke begeleiding en zelfs behoorlijke nachtkleding niet langer vanzelfsprekend leken. De man maakte een kwetsbare indruk en het was moeilijk te begrijpen hoe hij zijn dagelijkse leven nog zelfstandig kon organiseren.

Naar mijn oordeel was een andere woon- en begeleidingssituatie dringend noodzakelijk, maar zo'n verandering regel je in Nederland nu eenmaal niet door even een sleutel om te draaien. Er zijn procedures, instanties, beoordelingen en afspraken nodig, terwijl de mens om wie het allemaal draait ondertussen gewoon verder moet leven.

Dus gingen wij op zoek naar het zoemende geluid. Van boven naar beneden en van beneden naar boven, want wij dienders zijn van nature natuurlijk ook een soort zoemspecialisten. Je krijgt tijdens je loopbaan van alles op je bord, maar een nachtelijke zoektocht naar een verdachte diepvriezer hoort niet direct tot de onderdelen waarvoor je bij de politieopleiding een apart certificaat ontvangt.

Uiteindelijk vonden we de bron van alle ellende in de keuken. Het was de diepvriezer die stond te zoemen.

SSSSSSTTTTTT!

Op dat moment was de man het met ons eens en leek het probleem daarmee opgelost. Voor even, althans. Want wat gebeurt er wanneer wij weer vertrekken en het geluid later opnieuw zijn aandacht trekt? Hoe lang houdt zijn geheugen vast wat we hem hebben uitgelegd, zeker wanneer dementie of de gevolgen van een herseninfarct mogelijk een rol spelen? Op de keukenkast lagen medicijnen en afspraken met psychiaters en psychologen, maar papier op een kast is nog geen begeleiding aan huis.

Na de melding heb ik met het wijksecretariaat afgesproken dat we verder zouden inzoomen op de situatie, om te kijken welke ondersteuning mogelijk was en hoe het welzijn van deze man beter kon worden gewaarborgd.

Het zoemen was gevonden, maar daarmee was de werkelijke oorzaak van de ellende niet verdwenen.

Een inbraak zonder buit, maar met een hulpvraag

Omstreeks 06.00 uur werden we opnieuw bij een melding geroepen. Ditmaal zou er zijn ingebroken, maar er bleek niets gestolen en niets opengebroken te zijn. We kregen wel een verhaal te horen over wie er gebeld moest worden, alleen werd ons niet duidelijk waarvoor die persoon precies gebeld moest worden.

Ook hier trof ik iemand aan van wie de toestand en de manier van spreken vragen opriepen over de mogelijkheid om zelfstandig te blijven wonen. De gedachten sprongen van de hak op de tak en het verhaal was nauwelijks te volgen. Het was geen kwestie die je met een proces-verbaal of een vermanend woord kon oplossen, want daarvoor lag het probleem kennelijk veel dieper.

We hebben niet meteen de complete pillenfabriek nagetrokken om vervolgens met een diagnose onder de arm naar buiten te lopen. Dat is ons werk niet en daarvoor zijn andere deskundigen nodig. Maar je hoeft geen arts te zijn om te zien dat iemand mogelijk niet meer in staat is zijn eigen situatie goed te overzien en dat er iets moet gebeuren voordat het echt misgaat.

Alleen begint daar vaak het volgende hoofdstuk: wie neemt de verantwoordelijkheid, wie beoordeelt wat noodzakelijk is en wie zorgt ervoor dat de hulp niet bij een melding of een doorverwijzing blijft steken?

De politie kan signaleren, vastleggen, overleggen en aan de bel trekken. Maar we kunnen niet iedere keer opnieuw aanbellen om vast te stellen dat dezelfde problemen nog altijd bestaan. Er moet na onze constatering ook iemand zijn die de zorg daadwerkelijk oppakt.

Twintig uur op het toilet

Eerder die week moesten we bij een oudere, alleenstaande mevrouw de voordeur openbreken. Ze zat naar schatting al zo'n twintig uur op het toilet nadat zij door een herseninfarct was getroffen. Ze kon zich niet meer bewegen en was ernstig verstijfd. Het was een beeld dat je niet gemakkelijk van je netvlies krijgt: de mondhoeken omlaag, het lichaam niet meer in staat om te doen wat het hoofd misschien nog wel wilde.

Gelukkig was de thuiszorg ons voor geweest en hoefden wij alleen nog het grove breekwerk voor onze rekening te nemen. Ook moest het gas worden uitgezet van een pan waarin het water inmiddels drooggekookt was. Gelukkig stond er deze keer geen frituurpan op het vuur, want ook dat soort verrassingen hebben we in de loop der jaren al mogen meemaken.

De vrouw werd met spoed per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ik hoopte dat zij daar de noodzakelijke behandeling zou krijgen en voldoende zou herstellen om haar leven weer enigszins op de rails te krijgen, liefst met een sociaal vangnet dat beter bestand was tegen de kwetsbaarheid die bij ouder worden en ziekte kan ontstaan.

Maar wat als iemand niet meer zelfstandig kan functioneren, terwijl de omgeving dat niet op tijd ziet? Wat als er geen familie in de buurt is, de thuiszorg slechts op bepaalde momenten langskomt en de hulp pas op gang komt wanneer iemand niet meer in staat is zelf alarm te slaan?

Dan is een voordeur soms het laatste obstakel tussen leven en dood, en staat er toevallig een politieagent met een breekijzer voor.

Drie mensen, één ongemakkelijke werkelijkheid

Deze drie situaties zijn slechts een minuscuul voorbeeld van wat de Nederlandse samenleving de komende jaren te wachten staat. Gelukkig hoefde ik tijdens deze diensten niet te constateren dat mensen al weken eerder voor het laatst waren gezien en inmiddels vrijwel onopgemerkt in hun woning waren overleden. Ook zulke gevallen komen voor, en ze laten een kant zien van onze welvarende maatschappij die minder gemakkelijk in een folder over vooruitgang past.

We leven in een materialistische consumptiemaatschappij waarin steeds meer mogelijk lijkt, maar waarin mensen desondanks tussen de mazen van het sociale vangnet kunnen verdwijnen. We kopen, bouwen, vernieuwen en organiseren, terwijl een oudere buurman soms niet meer weet waar het gezoem vandaan komt en een alleenstaande vrouw urenlang hulpeloos op haar toilet kan zitten.

Iedere diender in Nederland kan duizenden vergelijkbare verhalen vertellen. Verhalen die zich niet altijd laten vangen in cijfers, registraties of een keurige rapportage, maar die wel iets blootleggen over de manier waarop we met kwetsbare mensen omgaan.

En dan kom ik bij een punt dat mij als politieman bezighoudt. De politie heeft een belangrijke taak wanneer iemand in nood verkeert, wanneer er gevaar dreigt of wanneer onmiddellijk optreden noodzakelijk is. We zijn er om te helpen, te beschermen en waar nodig op te treden. Maar de politie kan niet het sluitstuk worden van ieder probleem waarvoor elders geen plaats, tijd of oplossing beschikbaar is.

Wanneer wij nachtenlang moeten leuren om passende aandacht, begeleiding of huisvesting voor kwetsbare mensen geregeld te krijgen, gaat er iets mis in de aansluiting tussen politie en zorg. Niet omdat een agent zich te goed zou voelen om iemand te helpen, maar omdat hulp bieden iets anders is dan structurele zorg organiseren.

De eerste nood moet worden gelenigd, vanzelfsprekend. Daarna moet er echter een instantie zijn die de verantwoordelijkheid overneemt en ervoor zorgt dat de volgende nacht niet opnieuw dezelfde politiemensen bij dezelfde voordeur staan.

Want ondertussen wachten er ook slachtoffers van woninginbraken, worden geweldszaken gemeld en moet de politie haar andere wettelijke taken uitvoeren. Tijd is niet onbeperkt en mensen zijn dat evenmin. Je kunt een organisatie wel steeds meer taken toeschuiven, maar daarmee creëer je nog geen extra mensen, deskundigheid of capaciteit.

Daar heb ik eerder over geschreven en ik vrees dat ik er nog wel vaker op terug zal komen.

Van zoemtrauma naar TBS

Dan de krant van vandaag, waarin een artikel stond over Anders Breivik en de uiteenlopende psychiatrische beoordelingen die destijds rond zijn zaak naar buiten waren gekomen.

De ene beoordeling kwam tot de conclusie dat hij psychotisch was en daardoor mogelijk ontoerekeningsvatbaar moest worden geacht, terwijl andere deskundigen die conclusie niet deelden. In de berichtgeving werd onder meer betoogd dat zijn extreme politieke overtuigingen niet zonder meer het gevolg waren van een geestesziekte.

Dat verschil is van wezenlijk belang. Een afschuwelijke daad of een radicale overtuiging levert op zichzelf geen psychiatrische diagnose op. Evenmin betekent een psychiatrische diagnose automatisch dat iemand juridisch ontoerekeningsvatbaar is. Daarvoor zijn deskundige beoordelingen en uiteindelijk een rechterlijke beslissing nodig.

De vraag wat er met Breivik moest gebeuren, ging dan ook veel verder dan de vraag of hij levenslang gevangen moest blijven of dat een psychiatrische maatregel aan de orde was. Het ging ook over de bescherming van de samenleving, de verantwoordelijkheid van de dader en de manier waarop het recht omgaat met mensen die zeer ernstige misdrijven hebben gepleegd.

Welke beslissing er uiteindelijk ook wordt genomen, de gevolgen zijn ingrijpend en de kosten kunnen aanzienlijk zijn. Maar kosten alleen kunnen nooit de doorslag geven bij de vraag of iemand psychiatrische behandeling nodig heeft of een gevaar vormt voor anderen. Daarvoor zijn andere afwegingen nodig, gebaseerd op feiten, deskundigheid en de wet.

Toch raakt die discussie aan een bredere vraag die mij ook tijdens mijn politiewerk bezighield: hoe organiseren we zorg en veiligheid op een manier die zowel de samenleving als de betrokken persoon recht doet?

De rekening van onze keuzes

Als we het totale zorgpakket bekijken, wordt het hoog tijd om de juiste keuzes te maken. Niet door mensen die hulp nodig hebben simpelweg af te schrijven, maar door eerder te erkennen wanneer zelfstandig wonen niet meer verantwoord is, wanneer begeleiding tekortschiet en wanneer een andere vorm van zorg noodzakelijk wordt.

Soms moet je de sleutel inderdaad niet langer bij iemand laten liggen zonder te controleren of die persoon nog veilig met die verantwoordelijkheid kan omgaan. Maar de oplossing is niet om de deur dicht te gooien en vervolgens te doen alsof het probleem daarmee verdwenen is. Er moet een alternatief zijn, met passende begeleiding, een veilige woonomgeving en mensen die daadwerkelijk verantwoordelijkheid nemen.

Ook behandeling kent grenzen, maar wie bepaalt waar die liggen en op welke gronden? Dat zijn geen beslissingen die een politieman tijdens een nachtdienst tussen twee meldingen door kan nemen. Daarvoor zijn zorgprofessionals, wettelijke kaders en een samenleving nodig die bereid is haar verantwoordelijkheid onder ogen te zien.

De rekening van onze keuzes bestaat namelijk uit meer dan geld. Ze bestaat ook uit de uren waarin iemand onnodig alleen zit, uit de nachten waarin een kwetsbare oudere niet meer weet wat er gebeurt en uit de momenten waarop hulp pas verschijnt wanneer het al bijna te laat is.

En soms bestaat die rekening uit een politieman die midden in de nacht een diepvriezer aanwijst en probeert uit te leggen dat het geluid uit de keuken komt.

Dat is misschien een klein probleem, vergeleken met geweld, zware criminaliteit of een zaak als die van Breivik. Maar voor die oudere man was het op dat moment zijn hele wereld.

En daar begint voor mij de werkelijke vraag over zorg en verantwoordelijkheid: niet hoeveel een probleem kost wanneer het eenmaal is geëscaleerd, maar hoeveel menselijk leed we hadden kunnen voorkomen als we eerder hadden gezien wat er werkelijk aan de hand was.

Naschrift: De man met het zoemtrauma wist mij tijdens onze zoektocht ook nog te vertellen wat het verschil is tussen een psychiater en een psycholoog. Een psychiater is arts en heeft zich gespecialiseerd in de psychiatrie; een psycholoog heeft een andere opleiding en kan niet op grond van die titel alleen medicatie voorschrijven. Dat wist u uiteraard allang.

Maar het was wel bijzonder dat juist deze man, die op dat moment zo'n kwetsbare indruk maakte, mij die uitleg kon geven. Mensen zijn nu eenmaal niet altijd wat je op het eerste gezicht denkt te zien.

En gelukkig maar, want ik ben ook geen dokter, nietwaar?

Terugbellen?

Terugbellen, call centre of postbode?

Een politiepraktijkverhaal uit de lade, geschreven tussen 2013 en 2015.

Soms kom je bij het opruimen iets tegen waarvan je denkt: verdorie, heb ik dat geschreven? En als je het dan terugleest, blijkt dat de jaren er weliswaar overheen zijn gegaan, maar dat niet iedere gedachte met de tijd is verdwenen. Sommige woorden zijn gedateerd, de communicatiemiddelen hebben een ontwikkeling doorgemaakt en de beleidsmakers hebben ongetwijfeld weer nieuwe plannen bedacht, maar de vragen die eronder liggen, zijn niet automatisch met pensioen gegaan.

Dit verhaal schreef ik ergens tussen 2013 en 2015, toen ik nog midden in de politiepraktijk stond en mij regelmatig verbaasde over de groeiende hoeveelheid regels, registraties en verwachtingen waarmee de diender op straat te maken kreeg. Het is geen wetenschappelijk onderzoek en evenmin een beleidsnota, maar een persoonlijke kijk op het werk, de burger en de organisatie, opgeschreven zoals ik dat toen beleefde.

De toon is soms stevig, de humor niet altijd fijnbesnaard en hier en daar schiet de schrijver bewust uit de bocht. Dat hoort bij het origineel. Ik laat het daarom vooral spreken voor zichzelf, want een oud verhaal hoeft niet te worden vermomd als een nieuw verhaal om vandaag nog iets te kunnen betekenen.

De vraag die ik er nu, ruim tien jaar later, aan toevoeg, is eenvoudig: wat is er werkelijk veranderd?

Zijn we minder tijd kwijt aan bureaucratie, of hebben we er alleen modernere middelen bij gekregen om dezelfde administratieve molen draaiende te houden? Is de verantwoordelijkheid van de burger groter geworden, of wordt van de politie nog steeds verwacht dat zij ieder probleem overneemt zodra iemand de telefoon pakt?

En wanneer we spreken over klantgerichtheid, vergeten we dan weleens dat achter die klant een mens zit, maar dat achter die politieagent óók een mens zit, die keuzes moet maken met beperkte tijd en middelen?

Lees het verhaal gerust met de kennis van nu, maar beoordeel het ook in de tijd waarin het is ontstaan. Want de tand des tijds mag best aan een tekst knagen; het zou alleen jammer zijn als we daardoor vergeten welke vragen er destijds al werden gesteld.

Terugbellen, call centre of postbode

Vanochtend las ik 24/7, oftewel het personeelsblad van de politie. Ik vind het een heel interessant boekwerkje, vooral wanneer het onderwerpen bevat die mijn grijze massa in beweging zetten. Mijn aandacht werd meteen getrokken door het onderwerp ALTIJD TERUGBELLEN. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar hoe interpreteren we dat in onze hausse aan bureaucratie? Juist ja, alweer een aanleiding om de administratieve molen wat harder te laten draaien. Volgens mij moet het minder worden, maar ach, denktanks hebben kennelijk beslist dat er meer teruggecommuniceerd moet worden met de klant.

De klant is koning, maar kan tegelijkertijd een veelkoppig monster zijn dat luistert naar de naam Hydra. De samenleving zou moeten co-existeren, maar in plaats daarvan gaan we als een kip zonder kop door het leven, gedwarsboomd door actualiteiten die we liever niet willen zien of horen. We sluiten de ramen, de rolluiken en de gordijnen en sturen de door onszelf verwekte pubers de straat op. Dan hebben we tenminste RUST na een dag van hard werken, arbeidsstress en gezeur over normafwijkend gedrag.

Yes we can! Na een dag van arbeids(on)vreugde kunnen we eindelijk gaan sporten in de woonkamer, met het trainingspak aan en de afstandsbediening binnen handbereik. Het onderdeel bankdrukken, gecombineerd met zappen en de mond volproppen, blijkt vooral bij mannen een uitstekend ontwikkelde vorm van multitasking. Wat een wonderlijke samenloop van (on)gelukkige omstandigheden.

Dat bankdrukken brengt mij gevoelsmatig bij een trechter, waarvan de uitloop steeds smaller wordt. Van bovenaf kieperen we er allerlei problemen in: ruzie met de buren, civielrechtelijke kwesties, gedoe met de ex, aansprakelijkheid, problemen met de omgeving en op het werk, belastingen, uitkeringsfraude en het afsluiten van de omgeving en de wereld. En last but not least: aapmanagement.

Vervolgens kom je niet meer van de bank af, maar weet je wel de wijkagent of de politie te informeren over alle misstanden die je hebt waargenomen, zonder dat je zelf ook maar een vinger hebt uitgestoken. Uiteraard probeer je de aap op de mouw van de politie te spelden. Dat noemen we tegenwoordig de zelfredzaamheid van iedere burger. Bij mij lukt deze opstelling in ieder geval niet zomaar. Een metafoor die ik weleens gebruik, is de volgende: wanneer je naar de slager of de bakker gaat, laat je daar toch ook niet meteen je auto een onderhoudsbeurt geven?

In mijn regio is het gebruikelijk om na bijvoorbeeld een woninginbraak contact op te nemen met de gedupeerde. Dat is verplicht, want anders krijg je verbaal op je sodemieter van je chef. Bij andere zaken die nog niet zijn uitgekristalliseerd, is terugbellen eveneens gewenst, maar dan vooral op basis van het gevoel van de diender, met de nodige Feinfühligkeit en Fingerspitzengefühl.

De minister van Veiligheid en Justitie wil dit nu grootschaliger aanpakken en de dienders daartoe opdracht geven. Goh, zouden wij in mijn regio op dit punt dan toch al vooruitstrevend te noemen zijn?

Met het donkere dagen offensief — bah, wat een benaming — zijn er uiteraard weer heel wat gedupeerden van woninginbraken die teruggebeld moeten worden. De laatste weken bel ik me dan ook een ongeluk. Mijn ervaringen zijn dat zelfs met 06-nummers de telefoon lang niet altijd wordt opgenomen. Wij dienders bellen nu eenmaal met een onbekend nummer, waardoor mensen herhaaldelijk niet opnemen, zelfs niet wanneer we het opnieuw proberen.

Heb je een keer nachtdienst, dan vindt men het ongewenst wanneer je na 22.00 uur terugbelt. Op een ander tijdstip bellen lukt niet altijd, omdat je dan buiten de spreekwoordelijke deadline valt. Het is een merkwaardige paradox: we moeten terugbellen, maar wel op een tijdstip dat de ontvanger schikt en binnen de termijn die de organisatie voorschrijft. De praktijk laat zich kennelijk niet altijd in een spreadsheet vangen.

Meestal hoor ik aan de andere kant van de lijn dat men zit te wachten op het uitgetikte proces-verbaal, inclusief de uitgewerkte bijlage met gestolen goederen, omdat de verzekering daarom vraagt. Ik heb zelf meegemaakt dat iemand na een inbraak in een flat geen aangifte deed, omdat hij niet verzekerd was en aangifte doen alleen maar extra moeite betekende.

Dat is voor mij ook meteen de tendens die ik bespeur. Wij doen buurtonderzoeken, verrichten sporenonderzoek, plaatsen foto's op Twitter en proberen ondertussen alle deadlines te halen. Je zou je haast afvragen hoeveel aangiften er zouden worden gedaan wanneer de verzekeraar niet om een proces-verbaal vroeg. Dat is natuurlijk geen bewijs dat iedereen zo denkt, maar het roept wel een vraag op over de verwachtingen die we van elkaar hebben.

Ik heb via Twitter nog nooit meegemaakt dat er bruikbare aanwijzingen binnenkwamen. Toch blijf ik hopen dat het een keer gebeurt, want hoop doet leven. Al pak ik maar één boef in honderd jaar, dan is de moeite mij nog altijd waard, nietwaar? Daar mag mijn aanpak en professionaliteit in ieder geval niet onder lijden. Mijn duimen beginnen inmiddels een behoorlijke eeltlaag te ontwikkelen van al dat getwitter.

De pakkans van de dader is bijzonder klein te noemen. Daar spelen verschillende factoren een rol, waaronder de bewijsbaarheid van feiten, de beschikbare opsporingscapaciteit en de manier waarop strafzaken uiteindelijk worden afgedaan. In mijn beleving sluiten de werelden van de onderzoekende politie en de rechterlijke macht niet altijd even goed op elkaar aan.

Ook zaken die ad informandum worden gevoegd, tellen niet op dezelfde manier mee als afzonderlijk bewezen en bestrafte delicten. Ik zou in dat verband ook eens naar Duitsland kijken. Daar zag ik destijds verschillen in de manier waarop delicten werden geregistreerd en afgedaan, waardoor de cijfers niet zonder meer met de Nederlandse cijfers te vergelijken waren. Maar ja, het is natuurlijk veel gemakkelijker om met cijfers te zwaaien dan om eerst eens goed te onderzoeken wat die cijfers nu werkelijk zeggen.

Ondertussen waarschuwen we via de sociale media voor oplichters, criminelen en andere onverlaten die gegevens proberen te ontfutselen, waarna je bankrekening sneller onder nul staat dan je 'internetbankieren' kunt zeggen. Het gevolg is dat een telefoontje van de politie niet door iedereen als echt en onvervalst wordt ervaren. Het kan immers net zo goed een faker zijn die uit is op je gegevens en je geld. We vragen burgers alert te zijn op telefonische oplichting en moeten vervolgens niet verbaasd zijn wanneer ze een onbekend nummer wantrouwen. Ook dat hoort bij de werkelijkheid waarin we werken.

Dan lees ik nog een nieuwe term: ambassadeur van politie. Hoe word je dat eigenlijk? Zit het in je genen, word je uitverkoren of is het een willekeurige optie bij het rad van fortuin waarop een aantal gegadigden staat te wachten? Ik vraag het maar, want de ene burger wordt ambassadeur en de andere krijgt het advies om vooral zelfredzaam te zijn. Misschien moeten we daar nog eens een cursus met certificaat aan wijden.

Uiteraard ben ik hierboven ook een beetje aan het dollen. Het onderhouden van netwerken en het bevorderen van buurtpreventie zijn waardevol en kunnen bijdragen aan een veiligere leefomgeving. Daar bestaat geen twijfel over. Maar klantgerichtheid mag niet betekenen dat we burgers steeds minder aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid. We kunnen nu eenmaal niet iedere misstand uit handen van onze potentiële klanten nemen, alsof de politie een universele probleemoplosser is die op afroep aan huis verschijnt.

Ik zou zeggen: je kunt zelf toch ook nog iets betekenen voor de oplossing van je probleem, in plaats van uitsluitend de politie voor je karretje te spannen? Zelfredzaamheid moet immers meer zijn dan een mooi woord in een beleidsnota.

Telefoneren lijkt tegenwoordig trouwens al bijna ingehaald door de moderne communicatiemiddelen. Sms'en, Twitter en Skype: daarin moet worden geïnvesteerd, zo lijkt het. Dat kan kennelijk ook bij KPN worden besteld, die daar alleen maar groter en dikker van wordt. Gewoon telefoneren begint zo langzamerhand op de fax te lijken, een communicatiemiddel waarvan je je afvraagt wie het nog gebruikt.

Tegenwoordig breng ik de aangifte zelf naar de benadeelde. Daarmee doe ik meteen aan nazorg en kan alles volgens BOS-Z worden afgevinkt en opgeborgen. Case closed. Tenzij het een cold case betreft, natuurlijk, want dan is de zaak nog niet klaar en blijft er werk aan de winkel.

De bureaucratie groeit ondertussen gewoon verder, ondanks toezeggingen van de minister dat deze juist moet worden afgekalfd. I rest my case.

Met betrekking tot terugbellen is er echter één uitzondering waarvoor ze mij gerust midden in de nacht wakker mogen maken. Namelijk om een boodschap door te geven waarvan ik destijds hoopte dat ik die ooit zelf aan de ouders van Nicky Verstappen zou mogen brengen: dat de moordenaar van hun kind was opgespoord en opgepakt.

Nicky Verstappen verdween in augustus 1998 tijdens een zomerkamp op de Brunssummerheide. Zijn lichaam werd een dag later gevonden. De zaak bleef jarenlang onopgelost, totdat Jos B. in 2018 in Spanje werd aangehouden. In 2022 volgde een veroordeling tot zestien jaar gevangenisstraf; de Hoge Raad liet die veroordeling in 2023 in stand, waarbij de straf wegens de lange duur van de procedure werd verminderd tot vijftien jaar en negen maanden.

Toen ik dit verhaal schreef, was die doorbraak er nog niet. Ik kon alleen maar hopen dat er ooit duidelijkheid zou komen voor de ouders van Nicky, die jarenlang met het verlies van hun kind en de onbeantwoorde vragen moesten leven.

Wat zou ik graag de diender zijn geweest die hun dat verlossende nieuws mocht brengen. Niet omdat een telefoontje het verdriet kan wegnemen, want dat zou een illusie zijn, maar omdat het na zoveel jaren onzekerheid misschien een stukje rust had kunnen geven. De energie die hun nog rest, zouden ze dan kunnen besteden aan hun dochter en aan elkaar, zonder dat die ene onbeantwoorde vraag iedere dag opnieuw als een donkere schaduw aanwezig hoefde te zijn.

Dat zou voor mij het mooiste telefoongeschenk voor zijn ouders zijn geweest, lijkt mij toch.

maandag 21 september 2026

Kabinet, gebruik in hemelsnaam een oortje ..


De politie draagt al jaren een oortje met directe verbinding naar de meldkamers. Direct en zakelijk to the point.

De Algemene Politieke Beschouwingen brengen mij terug in de tijd, naar mijn jaren als wijkagent en naar de manier waarop ik toen met verdeelde aandacht en twee typevingers mijn werk deed.

Tijdens de debatten, de twee dagen na Prinsjesdag, viel mij op hoeveel bewindslieden vooral, tijdens het spreken van een ander op hun telefoon zaten te kijken. Ik vroeg me af wat daar allemaal gebeurde. Misschien waren coaches, fractiemedewerkers en ingehuurde deskundigen op kosten van de belastingbetalers wel naarstig op zoek naar antwoorden, feiten of een gevatte vervolgvraag.

Of een gevatte kwinkslag om iemand publiekelijk belachelijk te maken.

Ik denk dan bij mezelf: leg dat ding toch even weg en kijk de spreker aan. Gewoon uit fatsoen. Ook als je het inhoudelijk nauwelijks met hem of haar eens bent.

Want ook ik zat als wijkagent regelmatig achter een scherm of ik was bezig in een van de vele wijken. Alleen kwam dat meestal nádat ik iemand eerst zijn verhaal had laten doen. Tegen een aangever of melder zei ik dan: “Nu gaan we uw aangifte of melding op papier zetten.” letterlijk op papier schrijven in het publieke domein, concept heette dat en dat met mijn hanen gekriebel!

Bij burenproblemen kon er vervolgens een complete doos van irritatie, ergernis en oude koeien uit de sloot worden opengetrokken. Soms kwamen er zelfs onhandelbare excessen voorbij. Meestal legde ik de pen dan meteen weg. Eerste beluisteren of het probleem des politie was of een verwijzing. Omdat mensen vertrouwen hadden in hun wijkagent, probeerden ze mij ook regelmatig voor ieder denkbaar civiel of andersoortig karretje te spannen. Ik kreeg het daardoor steeds drukker en drukker.

Op een gegeven moment zat ook mijn tijd aan zijn grens. Dan kaatste ik de bal terug: “Maak van uw probleem maar een mail aan mij. Zet alles wat u belangrijk vindt daarin.”

Dan kreeg ik soms casussen van tig kantjes. Alles erop en eraan. Bij bestudering bleek vervolgens regelmatig dat een deel helemaal geen politiewerk was, maar civielrechtelijk of iets voor een andere instantie of netwerkpartner. 

Ik knipte en plakte de informatie zo veel mogelijk onaangetast in ons systeem en besprak of stuurde het door naar de juiste partners. Of ik maakte een eind aan de illusie dat uw wijkagent het wel ff snel zou oplossen. Voordeel voor mij, nauwelijks typewerk en een casus die minuscuul uitgedokterd en beschreven was.

Deze aanpak leverde mij zeeën van tijd op. Bovendien had de melder  ondertussen zijn verhaal nog eens helemaal op papier gezet. Soms was dat bijna een herbeleving van alles wat hem  dwarszat. Of een herbezinning als ik niet meeging in zijn of haar vraag of verzoek.

Natuurlijk was niet iedereen daar blij mee. Mijn clientèle was ongeveer fiftyfifty: vijftig procent tevreden en vijftig procent ontevreden. Ik zei nu eenmaal waar het op stond en schoof verantwoordelijkheden niet zomaar richting politie. Toch heb ik, voor zover ik dat zelf mag beoordelen, in mijn wijken een goede naam behouden.

Eerst de mens, dan het scherm. Dat was voor mij de volgorde. Dat geldt voor de wijkagent, maar misschien net zo goed voor de volksvertegenwoordigers in alle rangen en standen.

Misschien is dat ook waarom ik bij de Tweede Kamer soms het gevoel krijg dat er iets wezenlijks verloren gaat: het luisteren naar elkaar.

Vragen en antwoorden lijken soms al duizend keer te zijn voorgekauwd. Hetzelfde vaste riedeltje wordt opnieuw opgediend. En nog een keer. En nog een keer. Tot vervelens toe. Men praat tegen elkaar, maar de indruk ontstaat dat men nauwelijks nog mét elkaar praat.

Ondertussen wordt de tent verbaal vakkundig afgebroken en vliegen de verwijten over en weer. En van diezelfde burger wordt vervolgens verwacht dat hij of zij elkaar met respect tegemoet treedt, naar elkaar luistert en vooral ook visie toont.

Dat vind ik op zijn minst opmerkelijk.

Het bracht mij bij een film met William Hurt, Broadcast News. Hij speelt daarin een journalist die tijdens interviews via een oortje voortdurend informatie krijgt aangereikt. Hij weet daardoor gewiekste vragen te stellen en blijft ondertussen ogenschijnlijk uitstekend geïnformeerd.

Misschien moeten we dat systeem in Den Haag maar invoeren. Kabinet, gebruik een oortje. Dan kan de denktank geruisloos het werk doen en kunnen de Kamerleden ondertussen gewoon de spreker aankijken. Zakelijk ipv persoonlijk als adagium. Meerderheden kweken door fatsoen, eerlijkheid en respect naar elkaar toe ...

Uiteraard heb ik het daarmee niet over de richting en inhoud van de gesprekken van dit minderheidskabinet. Dat is weer een heel andere discussie. In een zg slangenkuil,

De foto dan, daarmee wordt mijn hele verhaal eigenlijk in één plaatje samengevat.

Over het democratisch proces van miljoenen kiezers die stemmen op bewindslieden, die elkaar daarna omarmen maar ook stevig uitsluiten, om een coalitie te smeden. Alsof zij daarmee de intenties van hun kiezers dienen ...


woensdag 16 september 2026

Extinction Rebellion wees gewaarschuwd of toch niet?

Voor de één het CJIB, voor de ander een waarschuwing?

Weer ligt de A12 in Den Haag eruit. Op 13 september blokkeerde Extinction Rebellion opnieuw de Utrechtsebaan. De actie was niet aangekondigd. De burgemeester gaf opdracht de blokkade te beëindigen en uiteindelijk hield de politie 38 actievoerders aan. Volgens de politie was het merendeel van hen twee weken eerder ook al aangehouden en had die groep toen een waarschuwing gekregen. 

Als oud-wijkagent kijk ik daar met een iets andere blik naar dan iemand die alleen de beelden op televisie ziet.

Ik zie namelijk ook de politieman en -vrouw die daar staan. Zij krijgen de opdracht om een blokkade te beëindigen, moeten mensen van de rijbaan halen, aanhouden en vervolgens hun administratie op orde brengen. Dat doen zij niet omdat zij toevallig iets tegen XR hebben, maar omdat er een besluit ligt en omdat een snelweg nu eenmaal geen wandelpad of demonstratieterrein is.

De politie zegt zelf dat demonstreren op een snelweg onaanvaardbare risico's met zich meebrengt en dat het demonstratierecht geen vrijbrief is om herhaaldelijk een weg te blokkeren.

Daar kan ik als oud-politieman heel goed inkomen.

Maar dan komt voor mij de volgende vraag: wat gebeurt er ná die aanhouding?

Want de gewone burger kent het systeem maar al te goed. Een verkeersovertreding kan via een proces-verbaal bij het CJIB belanden en daar staat vervolgens geen vriendelijke uitnodiging voor een kop koffie in. Het CJIB int jaarlijks enorme aantallen feitgecodeerde zaken; de boetebedragen worden door het OM vastgesteld. 

En juist daarom ontstaat bij mij enige wrijving wanneer iemand keer op keer bewust dezelfde grens opzoekt en de consequentie daarvan niet altijd direct duidelijk is.

Ik zeg nadrukkelijk niet dat XR boven de wet staat. Dat zou feitelijk onjuist zijn.

Sterker nog, de rechter heeft onlangs zes mensen veroordeeld voor het blokkeren van een snelweg tijdens een XR-demonstratie. Zij kregen ieder 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. 

De rechtbank benadrukte daarbij dat het demonstratierecht een essentieel grondrecht is, maar dat het opzettelijk blokkeren van een snelweg daarmee niet automatisch wordt toegestaan. 

Daarmee ligt de juridische werkelijkheid dus genuanceerder dan de krantenkop misschien doet vermoeden.

Maar mijn zorg gaat ergens anders over.

Hoe houden we het vertrouwen van de gewone burger in stand wanneer die het gevoel krijgt dat regels niet voor iedereen hetzelfde uitpakken?

Als wijkagent heb ik jarenlang geprobeerd mensen uit te leggen waarom bepaalde regels bestaan. Soms waren mensen het daar absoluut niet mee eens. Dat hoefde ook niet. Een politieagent is er niet om iedereen tevreden naar huis te sturen. Hij moet de regels handhaven, ook wanneer degene tegenover hem daar een andere mening over heeft.

En daar zit voor mij de steun aan de hedendaagse politie.

Geef die politieman en -vrouw duidelijke grenzen én duidelijke rugdekking.

Laat hen niet iedere keer opnieuw tussen demonstratierecht, openbare orde, politiek en publieke verontwaardiging worden gemanoeuvreerd. Als een burgemeester een blokkade laat beëindigen, moet de politie dat kunnen uitvoeren. Als iemand opnieuw dezelfde grens overgaat, moet vervolgens helder zijn wat daarvan de juridische consequentie is.

Niet omdat XR geen recht heeft om te demonstreren. Dat recht moet juist worden beschermd.

Maar omdat rechtsgelijkheid óók een grondwaarde van onze rechtsstaat is.

Voor mij is daarom niet de vraag of XR een elite is. Daarvoor is geen feitelijke basis.

De veel interessantere vraag is:

Waarom moet de gewone burger soms geloven dat regels keihard zijn, terwijl bij burgerlijke ongehoorzaamheid kennelijk eerst uitgebreid moet worden uitgezocht waar de grens precies ligt?

Voor de één een waarschuwing.

Voor de ander een envelop van het CJIB.

Dat verschil hoeft juridisch misschien helemaal niet zo groot te zijn als het op straat voelt. Maar als het vertrouwen van mensen erdoor wordt aangetast, hebben we wel een probleem.

En daar mag je als oud-wijkagent best eens iets van vinden.

Bronnen: politie.nl over de A12-blokkades van 29 augustus en 13 september 2026; Rechtspraak.nl over de veroordelingen van 9 september 2026; Openbaar Ministerie over verkeershandhaving en boetebedragen; CJIB over de afhandeling van feitgecodeerde zaken. 

Aanhouding, Inbraak op heterdaad met hulp van maglite

Het is ongeveer 32 jaren geleden. De politie draagt de blauwe broek en de witte hemden en we dragen de Walther P5 als dienstwapen. Het is de tijd dat ik nog nachtdiensten draai – in mijn oude kloffie – op een midsummernacht. Buiten is het stil, het is laat of eigenlijk is het heel erg vroeg, net nog voor het ochtendgloren. De meeste normale mensen doen hun ding, d.w.z. ze liggen onder de wol en slapen of proberen hele dikke boomstammen door te zagen met een enorme ronkende kracht. 

We zijn met een paar patrouilles onderweg deze nacht. Het is buiten te mooi om binnen te blijven zitten. De bureaucratie in deze tijden is nog goed uit te houden. Op dat punt liggen de huidige perikelen rondom de Nationale Politie nog in het verschiet. Een idee-fixe. Ik bedoel hiermee niet het hondje van Obelix, Idefix genaamd! 

Destijds wordt er een idee geopperd om provinciale politie in te voeren. De reorganisatie van 1993 heeft dan al vele haken en ogen en loopt niet gesmeerd. Het is een voorbode met vele politieke bijlagen en ombuigingen. De politieregio's zijn dan nog nagenoeg autonoom in doen en handelen. 

Ik kan me van deze lang geleden nachtdienst niet veel andere zaken meer herinneren. Wellicht zitten die nog in mijn grijze hersenmassa verscholen, wie zal het zeggen. Ik kan me nog de drie collega's herinneren met wie ik de nachtdienst heb gedraaid. Een is al lang geleden oneervol ontslagen. Een integriteitsvraagstuk dat opgedoemd is tijdens een lopend onderzoek, helaas. Ook dat komt voor. Dan wordt diep in eigen vlees gesneden. 
Enfin dit terzijde. 

We krijgen een melding van een heterdaad inbraak. De meldkamer stuurt ons aan naar een woning in het centrum, een groot herenhuis dat spic en span is opgeknapt en in oude luister is hersteld. Zoals zo vaak kunnen we het huisnummer niet traceren. Zouden mensen daarop bezuinigen? Lastig voor de hulpverlening als elke seconde telt en de politie op heterdaad boeven wil vangen of mensen wil helpen. 

In de directe omgeving stappen wij, broeders en zusters van de familie Blue – nachtdienstploeg – snel uit onze stalen bolides. We rennen naar de opgegeven locatie. Ik ren niet vooraan mee, maar in de middenmoot, waar het uit- en overzicht beter is. Deze straat, eigenlijk meer een steeg, heeft een aantal appartementen in een groot herenhuis gehuisvest. 

Diverse collega's rennen langs een raam van dit appartementencomplex met hun onverwoestbare Maglite lampen, met een felle witte, verspreidende gloed, in de aanslag. 

Ik ren ook langs, maar dan zie ik plots uit een van mijn ooghoeken een gevoelsmatige oneffenheid of schim opdagen, waarna mijn alarmbelletjes hard beginnen te rinkelen. Ik kijk om en zie in een hoofdbeweging dat er een groot gat in de ruit zit. Versere schade is onmogelijk, want buiten liggen diverse glassplinters als op een maagdelijke witte deken uitgestald. I2n een van mijn knuisten heb ik mijn ijzeren maatje, de Maglite-lamp, vast. 

Ik rem mijn lichaam af en slip met mijn schoenzolen mee in de slipstream van losliggende kiezels van de oprit naar dit amechtige herenhuis. Ik behoud mijn evenwicht en slip lekker mee met de rollende kiezelsteentjes. In dezelfde beweging schakel ik mijn Maglite aan. Ik dacht al een figuur te ontwaren, echter het is meer dan een gevoelsmatige, spookachtige schaduw. De stralenbundel verraadt een woonkamer met meubels, een lage kast en een televisie. Als aan de grond genageld kijkt iemand recht in de loop – ik bedoel hiermee de geconcentreerde stralenbundel – van de Maglite. Dat verblindende licht blijft als een mitrailleur onophoudelijk afvuren op alles in de woonkamer.  

Ook een menselijk object – Tussaud zelf – staat daar als aan de grond genageld, met de geroofde spullen nog in zijn handen, die hij pardoes laat vallen. Betrapt is hij op heterdaad voor de volle 100%. Zijn ogen zijn verblind door toedoen van mijn heetgebakerde Maglite. Zijn lichaam wil niet meer vluchten. Zijn verzet is gebroken. Je bent erbij, kip, ik heb je en meer van dergelijke superlatieven bedenk ik mij in een ijltempo. 

Het raam staat half geopend. Ik moet snel binnenklimmen om bij de inbreker te komen. Uiteraard roep ik mijn collega's op, die abrupt afremmen en mijn kant op komen rennen. De woning is op de begane grond en is overzichtelijk en gelijkvloers. De instap doe ik heel snel en sportief van lijf en leden. Ik duw de geforceerde ruit verder open en klim naar binnen. In a split of a second ben ik bij de inbreker en pak hem snel vast, overmeester hem en deel hem mede dat hij is aangehouden.

Dan blijkt ons dat de verdachte alleen is. Een kleine tunnelvisie heeft zich dan al bij mij opgedrongen, maar is mij nog net niet de baas. Ik blijf koel en berekenend. Ik sla hem in de boeien zonder tegenspartelen of verzet. Dan schijnen mijn collega's een lichtje bij. 

Overal ligt bloed in de woonkamer. De inbreker heeft bij het inslaan van de ruit zijn handen beschadigd en bloedt als een rund. Ik draag op dat moment geen handschoenen of andere bescherming die overdraagbare ziektes eventueel een halt kunnen toeroepen. 

Mijn collega's waarschuwen mij voor het bloed. Ik heb hem dan al geboeid. Ik kijk en zie dat ook mijn handen onder het bloed zitten. De ziekte HIV maakt op dat moment een ware funeste rage door. Later aan het bureau was ik snel mijn handen en ontsmet mijn grijs-grauwe, met een rode bloedtint doordrenkte handboeien. Waarom heb ik dat niet in de woning gedaan waar ingebroken is! Jeetje, stom hé. Maar dat is achteraf geouwehoer. 

De inbreker is een junk die ik, maar ook mijn collega's, al vaak betrapt hebben. Je zou hem een draaideurcrimineel kunnen noemen. In de woning is verder niemand aanwezig. Dat heeft de inbreker bij zijn kraak kennelijk ook geroken. Zo goed als mogelijk dichten we het kapotgegane raam i.v.m. zaakwaarneming. 

De inbreker wordt voorgeleid en is afgestraft op een wijze die in Nederland alledaags is. Of de inbreker is voorgeleid bij de rechter of in het voortraject met een taakstraf is tegemoetgekomen, dat weet ik allang niet meer. Ik denk het laatste met eventueel een bezwerende vinger van de rechter.

Dat maakt mij ook niets uit. Mijn collega's en ik hebben de straten en het publieke domein weer een stukje veiliger gemaakt. Niet dat iemand iets gemerkt heeft van dit prima politieoptreden, want iedereen ligt nog steeds te slapen of zo. 

Mijn collega's en ik brengen de bureaucratie in overeenstemming met strafvordering nog een flinke typ-slag toe.

Ps: Ik had mijn altijd betrouwbare, onverwoestbare ijzeren maatje, de Maglite, in mijn knuist. Over die lamp deden destijds de wildste verhalen de ronde. Er zou zelfs een exemplaar vanaf grote hoogte uit een helikopter zijn gegooid, waarna het ding gewoon weer dienstdeed. Of dat verhaal helemaal waar was, weet ik niet, maar wij vertrouwden die Maglite blindelings. Bijna, of gevoelsmatig helemaal, een volwaardige collega. 👍👊💙

donderdag 10 september 2026

De kaarsjes brandden nog steeds

Een maand na het dodelijke zinloze geweld in Sittard, in juni 2012, sta ik deze avond opnieuw op de plek waar het drama zich heeft afgespeeld. Wat mij daar treft, is dat mensen kennelijk niet zijn vergeten wat andere mensen hier hebben aangericht.

Op de plek van de foto's zijn heldere, sprankelende lichtpunten aangebracht, weliswaar in de vorm van kaarsen en waxinelichtjes, maar dan toch. Het oogt er bijna vredig en sereen. Een paar mensen staan er rustig en ingetogen bij te mijmeren, ongetwijfeld met eerbied en met het verdriet van familie, nabestaanden en vrienden van het slachtoffer in hun gedachten.

Een paar meter verderop, op de Markt, speelt zich ondertussen een heel ander tafereel af. Drie cafés puilen uit van de mensen en ook de terrassen zitten vol. De zweem van de kaarsen en waxinelichtjes lijkt vanaf de onheilsplek bijna contact te zoeken met de Markt en het uitgaanspubliek.

Althans, zo spinde zich bij mij die gedachte af.

Ik hoopte op rust en piëteit, maar niets is misschien zo vergankelijk als het menselijke geweten en het vermogen om te vergeten. Drank, drugs en een flinke dosis overmoed kunnen bij sommige mensen kennelijk genoeg zijn om het gezonde verstand tijdelijk buiten werking te stellen. Een soort egoïsme dat wat mij betreft uit het menselijke DNA ontkloond zou mogen worden. U merkt het, ik ben toch een beetje sciencefiction-minded.

Mijn eerdere column over cameratoezicht en zinloos geweld kwam eveneens bij mij op. Camera's kunnen achteraf helpen bij het vinden van een dader, maar voorkomen niet dat geweld plotseling ontstaat.

Dat zou deze nacht opnieuw blijken.

Omstreeks 02.00 uur krijgen mijn collega en ik een melding van een medewerkster van een café op de Markt. Er is ruzie geweest en de situatie blijft volgens haar explosief. Haar houding spreekt boekdelen en haar angst is duidelijk zichtbaar.

Binnen is het mudjevol. Hier en daar liggen krukken en andere voorwerpen omver, maar het uitgaanspubliek lijkt zich daar weinig van aan te trekken. De medewerkster wijst ons op een man in de rokersruimte, een soort aquarium maar dan zonder water. In zo'n ruimte hoef je volgens mij geen sigaret meer op te steken, want je geniet er sowieso mee van de verwerpelijke dampen en giftige uitstoot van tabaksbladeren.

Bah, wat vies.

De man heeft een bebloed gezicht, bebloede handen en een bebloede handdoek voor zijn gezicht. Hij lijkt één van de betrokkenen bij de ruzie en vechtpartij te zijn. We verzoeken hem mee naar buiten te gaan, hetgeen zonder problemen verloopt. Buiten proberen we zijn identiteit vast te stellen en maken we enkele notities. Inmiddels is ook politieassistentie gearriveerd.

De rust lijkt teruggekeerd.

Totdat ik plotseling vanuit mijn ooghoek een schim van een persoon in een licht hemd voorbij zie vliegen. Het volgende moment krijgt de man van wie ik de gegevens aan het noteren ben een keiharde klap in zijn gezicht, waardoor hij pardoes vanaf zijn stoel achterover slaat en onzacht op de straatklinkers terechtkomt.

De enige mogelijkheid in deze superheterdaadsituatie is om de 'voorbijvlieger' aan te houden.

Pas dan zie ik wie het is.

Onder normale omstandigheden ken ik hem als een aimabel mens, maar op dit moment lijkt hij door een verkeerde grote wesp te zijn gestoken. Hij heeft kennelijk even alle redelijkheid verloren, maar beseft vrijwel onmiddellijk dat hij verkeerd heeft gehandeld en laat zijn aanhouding zonder verder morren over zich heen komen.

Gelukkig, want als hij zich tegen de politie had verzet, hadden personen uit zijn groep zich mogelijk met de situatie kunnen bemoeien en was de korte uitbarsting zomaar verder geëscaleerd.

Het slachtoffer wordt eveneens aangehouden, omdat tegen hem aangifte is gedaan door een andere betrokkene.

En zo levert een paar seconden zinloos geweld opnieuw uren politie-inzet op.

Tot ongeveer 04.00 uur blijf ik op de Markt aanwezig, mede vanwege de preventieve werking. Het uitgaanspubliek schuift aan mij voorbij en de cafés blijven vol. Toch plaats ik vraagtekens bij het steeds maar toelaten van zwaar beschonken mensen. Het kortdurende gewin kan uiteindelijk zomaar omslaan in overlast, geweld en een slechte naam voor het uitgaansgebied.

Tevreden met iets minder, maar wel comfortabel, plezierig en veilig. Of heb ik nu weer een waanidee?

Wanneer ik na 04.00 uur opnieuw langs de plek van het dodelijke geweld kom, branden de kaarsjes nog steeds.

Een paar meter verderop gaat het feest door.

Hier brandt de herinnering.

Na mijn nachtdienst mag ik overigens nog even door, want in een wijk vindt opnieuw zinloos geweld plaats. Ook daar wordt de dader opgepakt en met de nodige Salduz-liefde ingepakt en afgeleverd aan het politiebureau.

Elke dag weer opnieuw is het uitkijken voor werk en aandacht op ons politieparcours. Vaak mooi en vaak een uitdaging ...


vrijdag 4 september 2026

Bewijs dat u geen robot bent

Ergens moet het allemaal begonnen zijn met een mens die dacht: dat moet gemakkelijker kunnen. Een nieuwsgierige uitvinder die niet tevreden was met hoe de wereld werkte en zich afvroeg of elektriciteit, beweging, licht of een andere natuurkracht niet zo kon worden gebruikt dat de mens er iets aan had. Gelukkig maar, want zonder die nieuwsgierigheid zaten we nu waarschijnlijk nog met een kaars naast de krant en mochten we zelf de koffiebonen fijnstampen. Alhoewel, sommige mensen zouden dat tegenwoordig waarschijnlijk weer duurzaam noemen.

Daar komt Magnus (comic strip) om de hoek kijken.

Magnus, de Robot Fighter, verscheen in 1963 en leefde in een toekomst waarin robots een groot deel van het menselijke leven hadden overgenomen. Werken, vervoeren, bewaken en allerlei andere taken werden door machines uitgevoerd. Magnus zag daarin niet alleen een leger metalen tegenstanders, maar vooral een mens die zijn eigen kracht en zelfstandigheid dreigde kwijt te raken.

En dus vocht Magnus.

Niet omdat iedere robot slecht was, maar omdat hij vond dat de mens mens moest blijven. Sterk, zelfstandig en in staat om zichzelf te redden wanneer de machine het een keer liet afweten.

Als je daar vandaag naar kijkt, wordt die oude strip ineens verdacht actueel. Wij hebben inmiddels geen robot nodig die ons letterlijk komt vertellen wat we moeten doen. We hebben een smartphone die onthoudt waar we zijn, een navigatiesysteem dat vertelt waar we heen moeten, een algoritme dat bepaalt wat we op internet te zien krijgen en kunstmatige intelligentie die inmiddels kan schrijven, rekenen, analyseren, adviseren en gezellig met ons kan kletsen.

Over robotmaaiers gesproken.

Daar hebben we misschien wel de meest onschuldige robotveroveraar van allemaal rondrijden. Vanuit zijn eigen kleine cave komt hij tevoorschijn zodra hij vindt dat het gazon weer aandacht nodig heeft. Geen koffie, geen pauze, geen vakantie, geen cao en vooral geen discussie over arbeidsomstandigheden. Hij rijdt zijn rondjes en maait alles wat boven de door de mens ingestelde grens uitkomt.

Een grasspriet van vier centimeter? Overtreding. Een paardenbloem die het waagt zijn kop boven het maaiveld uit te steken? Geen pardon.

Een stukje gras dat zich niets aantrekt van de menselijke behoefte aan een strak gazon? Binnen de kortste keren verdwenen. De robotmaaier heeft geen hekel aan de natuur. Hij heeft alleen een opdracht. En daar zit misschien precies de clou.

De mens heeft machines gemaakt die geen eigen mening nodig hebben om hun werk uitstekend te doen.

Dat geldt inmiddels ook voor drones. Die vliegen boven bosbranden om hulpdiensten te helpen zien waar het vuur zich verspreidt, worden ingezet bij zoekacties en politiewerk en kunnen plaatsen bereiken waar een mens moeilijk of gevaarlijk kan komen. Tegelijkertijd zien we in oorlogen hoe dezelfde technologie verandert in een instrument voor verkenning en vernietiging. Eén technisch wonder, verschillende toepassingen, afhankelijk van de mens die aan de knoppen zit.

Want hier komt George Orwell weer binnenlopen.

Orwell waarschuwde in zijn boek met de titel 1984 gepubliceerd in 1949 niet voor een robotmaaier die zijn gazon te kort knipt, maar voor een samenleving waarin macht, informatie, toezicht en taal gebruikt kunnen worden om mensen te beïnvloeden en te controleren. Dat is een ander soort robotisering. 

Niet de machine die het lichaam overneemt, maar de mens die langzaam zijn eigen oordeel uit handen geeft.

En dat is misschien wel de interessantste robot van allemaal. De mens die zelf gaat functioneren als een robot.

Niet omdat hij van staal is gemaakt, maar omdat hij alleen nog maar doet wat hem wordt verteld. Niet meer nadenkt, niet meer twijfelt en vooral niet meer vraagt waarom. Gewoon de opdracht uitvoeren, de juiste knop indrukken en vervolgens tevreden vaststellen dat iedereen hetzelfde heeft gedaan.

Magnus zou daar waarschijnlijk behoorlijk zenuwachtig van worden.

Hij vocht immers tegen robots om de mens vrij en zelfstandig te houden, terwijl wij tegenwoordig vrijwillig allerlei systemen binnenhalen die voor ons denken, onthouden, zoeken, rijden, maaien, communiceren en zelfs onze koffie zetten.

Ja, zelfs de koffie.

Mijn eerste bak wordt tegenwoordig door een machine gezet. Ik hoef alleen nog maar op een knop te drukken en even later staat daar het zwarte levenselixer klaar. Als Magnus dat had gezien, had hij waarschijnlijk niet eens zijn vuisten gebald. Hij had eerst gewoon een kop koffie genomen.

En daar komt nog een wonderlijke uitvinding bij: de elektrische step en zijn forse evenknie, de fatbike.

De mens heeft miljoenen jaren benen ontwikkeld om zich voort te bewegen en heeft daarna een elektromotor bedacht om die benen vooral zo weinig mogelijk te hoeven gebruiken. De elektrische step brengt ons zonder noemenswaardige inspanning naar de overkant van de straat en de fatbike ziet eruit alsof hij rechtstreeks uit een poolexpeditie komt, terwijl hij in de praktijk ook uitstekend geschikt is om met elektrische ondersteuning een stukje verderop een broodje te halen.

Magnus zou waarschijnlijk vragen waar onze benen gebleven zijn.

We zouden hem uitleggen dat ze er nog wel zitten, maar dat ze tegenwoordig vooral handig zijn om op de step te blijven staan.

En zo wordt de wereld langzaam een merkwaardige combinatie van gemak, techniek en afhankelijkheid. Tesla gaf ons mogelijkheden die zijn tijd ver vooruit waren, Magnus waarschuwde voor een mens die door machines afhankelijk zou worden, Orwell waarschuwde voor controle over informatie en het menselijk denken, The Terminator maakte er in 1984 een nachtmerrie van waarin machines uiteindelijk hun eigen oorlog tegen de mens voeren en wij zitten in 2026 rustig tussen de koffie, drones, AI, smartphones, elektrische fietsen en robotmaaiers.

Daarbij hoeven we helemaal niet bang te zijn voor iedere nieuwe uitvinding. Integendeel. Technologie kan levens redden, mensen helpen, gevaarlijk werk overnemen en ons mogelijkheden geven waarvan vorige generaties alleen maar konden dromen.

Maar misschien moeten we af en toe wel even stoppen met vragen wat de machine allemaal voor ons kan doen en ons afvragen wat wij zelf nog willen blijven doen.

Want als een machine voor ons rijdt, vliegt, rekent, schrijft, zoekt, maait, koffiezet en denkt, blijft er uiteindelijk één belangrijke taak over.

Zelf nadenken.

En zelfs dat kunnen we tegenwoordig uitbesteden.