Hoofdstuk 1. Dertien jaar later… Een oude visie met verrassend veel nieuwe vragen.
De Nationale Politie stond nog in de steigers. Er werd volop gediscussieerd over de toekomst van het politiewerk, de organisatie en de manier waarop veiligheid in Nederland vorm moest krijgen. Op verzoek van de leiding zette ik destijds mijn gedachten op papier. Geen beleidsnota, geen wetenschappelijke verhandeling en al helemaal geen managementtaal. Gewoon de visie van een wijkagent die dagelijks op straat stond, tussen de mensen.
Nu schrijven we 2026.
Onlangs las ik mijn eigen verhaal terug. Dat voelde alsof ik een oude collega tegenkwam. Iemand die ik door en door kende, maar die ik al jaren niet meer had gesproken.
Sommige gedachten zijn ingehaald door de tijd. Dat is maar goed ook. De samenleving verandert, de politie verandert en inzichten veranderen mee. Maar eerlijk gezegd schrok ik van iets anders: hoeveel onderwerpen na dertien jaar nog steeds actueel zijn.
De krapte op straat. Het oneigenlijk gebruik van de politie. De administratieve druk. Het geweld tegen politiemensen. De samenwerking met gemeenten, zorgpartners en justitie. De voortdurende zoektocht naar voldoende capaciteit. Veel van de discussies die vandaag worden gevoerd, speelden toen ook al.
Natuurlijk zou ik sommige passages vandaag anders formuleren. De jaren in het politiewerk, maar ook de jaren daarna, hebben mijn blik verder verdiept. Ik kijk inmiddels niet alleen meer door de ogen van de wijkagent, maar ook door die van iemand die de organisatie van een afstandje heeft kunnen bekijken. Dat levert nuance op, zonder dat de kern verandert.
Want die kern is eigenlijk heel eenvoudig.
Een sterke politie bouw je niet met nóg een reorganisatie. Niet met nóg een protocol. Niet met nóg een computersysteem.
Een sterke politie bouw je met vakmensen. Met vertrouwen. Met robuuste teams. Met bestuurders die keuzes durven maken. En met ketenpartners die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen taak, zonder die ongemerkt bij de politie neer te leggen.
Die overtuiging had ik in 2013. En die heb ik vandaag nog steeds.
Robuuste basisteams beginnen niet bij een gebouw
Toen ik mijn visie schreef, werd veel gesproken over huisvesting, schaalvergroting en nieuwe politiebureaus. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar ze vormen nooit het fundament van een goed functionerende politieorganisatie.
Een robuust basisteam ontstaat niet doordat je medewerkers onder één nieuw dak zet. Dat ontstaat doordat mensen elkaar kennen, elkaar vertrouwen en weten wat ze aan elkaar hebben wanneer het erop aankomt.
Een politiebureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenkomt, maar zeker ook voor de collega's die er dagelijks werken. Een bureau moet overzichtelijk, veilig en functioneel zijn. Geen architectonisch visitekaartje, maar een werkplek die is ontworpen voor het politiewerk.
Veiligheid begint namelijk al bij de inrichting van een gebouw. Denk aan verhoorkamers, publieksruimten, looproutes en balies. Een verkeerde keuze op de tekentafel kan in de praktijk grote gevolgen hebben. Dat zijn geen details. Dat zijn voorwaarden om veilig te kunnen werken.
Maar uiteindelijk bepalen niet de muren de kwaliteit van een basisteam.
Dat doen de mensen.
Een robuust team heeft voldoende omvang om ziekte, opleidingen, verlof, evenementen en onverwachte incidenten op te vangen zonder voortdurend collega's elders weg te trekken. Wie structureel capaciteit moet lenen uit andere districten, lost vandaag misschien een probleem op, maar creëert morgen een nieuw tekort ergens anders.
Een robuust team beschikt bovendien over ervaring. Jong talent is onmisbaar, maar ervaring eveneens. Juist de combinatie van frisse energie en doorgewinterde praktijkkennis maakt een team sterk. Dat evenwicht mag nooit verloren gaan.
Daar hoort nog iets bij.
Een robuust team durft ook grenzen te stellen. Niet iedere veiligheidsvraag kan automatisch door de politie worden opgelost. De politie is een onmisbare schakel in de veiligheidsketen, maar niet de enige. Zodra andere organisaties hun verantwoordelijkheid niet nemen, ontstaat het risico dat de politie steeds meer taken overneemt waarvoor zij nooit bedoeld is geweest.
Hoofdstuk 2. Wie draagt de aap? Over samenwerking, verantwoordelijkheid en oneigenlijk politiegebruik,
Veiligheid maak je samen, maar verantwoordelijkheid kun je niet uitbesteden
Al in 2013 was ik ervan overtuigd dat veiligheid veel meer is dan een politietaak. Die overtuiging is in de loop der jaren alleen maar sterker geworden.
Een politieorganisatie kan nog zo professioneel zijn; wanneer gemeenten, zorginstellingen, justitie en andere netwerkpartners niet gelijktijdig optrekken, blijft de politie voortdurend achter de feiten aanlopen.
De politie is vaak degene die als eerste wordt gebeld. Niet omdat ieder probleem een politietaak is, maar omdat de politie altijd bereikbaar is. Vierentwintig uur per dag. Zeven dagen per week.
Dat is een groot goed. Maar tegelijkertijd schuilt daarin een valkuil.
De politie wordt daardoor steeds vaker de organisatie die problemen opvangt die eigenlijk ergens anders thuishoren. Niet omdat collega's dat graag willen, maar omdat de burger hulp nodig heeft en er op dat moment niemand anders beschikbaar is.
Dat is begrijpelijk. Maar het mag nooit de normale gang van zaken worden.
De gemeente als regisseur van veiligheid
Ik vond toen al – en vind dat nog steeds – dat de gemeente veel nadrukkelijker de regie moet voeren over de integrale veiligheid.
Niet vanuit macht, maar vanuit verantwoordelijkheid.
De burgemeester beschikt over bestuursrechtelijke instrumenten, de gemeenteraad bepaalt de kaders en de gemeentelijke organisatie beschikt over afdelingen die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan leefbaarheid en veiligheid.
Juist daarom moeten politie en gemeente elkaar niet alleen vinden op de werkvloer, maar ook op bestuurlijk niveau.
Te vaak zag ik dat politiemensen pragmatische oplossingen bedachten voor problemen waarvoor eigenlijk bestuurlijke keuzes nodig waren.
Dat lijkt efficiënt. Maar uiteindelijk is het oneigenlijk politiegebruik.
Iedere keer dat een politieagent structureel een probleem oplost waarvoor een andere organisatie verantwoordelijk is, verdwijnt kostbare politiecapaciteit. Niet één keer, maar telkens opnieuw.
Dat is dweilen met de kraan open. Zet de juiste mensen bij elkaar
In mijn oorspronkelijke verhaal pleitte ik ervoor om disciplines die elkaar voortdurend nodig hebben, ook fysiek dichter bij elkaar te brengen.
Die gedachte onderschrijf ik nog steeds.
Niet alleen de collega's van de basisteams, de recherche, het flexteam en de collega's die zich bezighouden met veelvoorkomende criminaliteit.
Ook vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de GGZ, schuldhulpverlening, ouderenzorg, woningcorporaties, jeugd- en gezinszorg en andere partners zouden veel vaker letterlijk aan dezelfde tafel moeten zitten.
Niet omdat iedereen elkaars werk moet overnemen.
Integendeel. Juist omdat iedere organisatie haar eigen expertise behoudt.
Samenwerken betekent namelijk niet dat verantwoordelijkheden vervagen. Samenwerken betekent dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt en elkaar versterkt wanneer dat nodig is.
Dat is iets wezenlijk anders dan het bekende 'aapmanagement': het probleem over de schutting gooien naar degene die toevallig het snelst beschikbaar is.
Die reflex kost de samenleving uiteindelijk veel meer tijd, geld en capaciteit.
De zorgvraag groeit. De politie groeit niet mee.
Ook dertien jaar geleden zag ik al dat het aantal mensen met psychische problematiek toenam.
Daar kwamen ouderen met dementie bij.
Zorgmijders.
Mensen die tussen wal en schip vielen.
Verslaafden.
Mensen met verward gedrag.
De politie kwam steeds vaker als eerste in beeld.
Dat is begrijpelijk.
Maar de politie is geen zorginstelling.
Een politieagent kan een crisis tijdelijk stabiliseren. Hij of zij kan veiligheid creëren, escalatie voorkomen en de eerste noodzakelijke maatregelen nemen.
Maar daarna moet de juiste hulp het overnemen.
Wanneer die hulp niet beschikbaar is of te lang op zich laat wachten, verandert een tijdelijke inzet ongemerkt in een structurele politietaak.
Dat is voor niemand goed.
Niet voor de burger.
Niet voor de hulpverlening.
En zeker niet voor de politiemedewerker.
Durf ook 'nee' te zeggen
Misschien is dat wel een van de moeilijkste lessen.
De politie wil helpen.
Dat zit in het DNA van vrijwel iedere collega.
Maar juist daarom moeten bestuurders soms de moed hebben om duidelijk te maken dat niet iedere maatschappelijke wens automatisch een politietaak is.
Veiligheid vraagt om keuzes.
Niet alles kan tegelijk.
Niet ieder evenement kan doorgaan wanneer daarvoor politiemensen uit andere districten moeten worden weggehaald.
Niet iedere extra taak kan worden uitgevoerd zonder dat ergens anders capaciteit verdwijnt.
Een organisatie die voortdurend alles probeert te doen, loopt uiteindelijk het risico haar kerntaak uit het oog te verliezen.
Dat geldt voor iedere organisatie.
Ook voor de politie.
Samen sterker
Als ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, valt mij vooral één ding op.
Ik schreef toen niet over méér politie. Ik schreef over bétere samenwerking. Dat verschil is wezenlijk. Veiligheid ontstaat niet doordat één organisatie steeds groter wordt.
Veiligheid ontstaat wanneer iedere partner zijn eigen verantwoordelijkheid serieus neemt, elkaar weet te vinden en bereid is werkelijk samen op te trekken.
Niet alleen tijdens een crisis. Maar iedere dag opnieuw.
Hoofdstuk 3. De straat geeft geen herkansing. Vakmanschap laat zich niet afvinken
Wanneer het gesprek over geweld tegen politiemensen weer eens oplaait, en dat gebeurt helaas met een zekere regelmaat, verschuift de aandacht vaak naar zwaardere straffen, betere beschermingsmiddelen of uitbreiding van de bewapening. Allemaal onderwerpen die ertoe doen en die ik zeker niet wil bagatelliseren. Toch heb ik mij al die jaren afgevraagd of we daarmee niet te vaak naar de gevolgen kijken, terwijl de oorzaak veel minder aandacht krijgt.
Mijn stiefkindje, zoals ik het zelf altijd noemde, was en is geweld tegen politiemensen.
Niet omdat wij een uitzonderingspositie verdienen, maar omdat iedere politieman en politievrouw het recht heeft om na een dienst weer gezond thuis te komen. Dat zou eigenlijk zo vanzelfsprekend moeten zijn dat we er nauwelijks over hoeven te discussiëren. De werkelijkheid is helaas anders.
Toen ik mijn visie in 2013 schreef, noteerde ik dat er in de eerste vier maanden van dat jaar al honderden geweldsincidenten tegen politiemensen waren geregistreerd. Dertien jaar later is het onderwerp nog steeds actueel. Dat stemt mij eerlijk gezegd niet optimistisch.
Wat mij misschien nog wel het meeste bezighoudt, is de vraag hoe wij onze collega's daarop voorbereiden.
Misschien kijkt de judoleraar in mij dan iets anders naar dit vraagstuk dan de gemiddelde politieman. Misschien spreekt ook de bokser mee. Feit is dat ik duizenden uren op de mat heb doorgebracht, zowel als leerling als instructeur. Daar heb ik één belangrijke les geleerd die ik later iedere dienst weer bevestigd zag.
Een gevecht begint zelden met de eerste klap.
Het begint veel eerder.
Met houding.
Met afstand.
Met spanning die langzaam oploopt.
Met een blik die verandert.
Met iemand die net iets dichterbij komt dan prettig voelt.
Met een hand die uit een jaszak verdwijnt.
Met een stem die steeds harder wordt.
Dat zijn de momenten waarop vakmanschap het verschil maakt.
Niet omdat je dan al geweld gebruikt, maar juist omdat je leert herkennen waar een situatie naartoe kan groeien. Wie die signalen op tijd ziet, voorkomt soms dat geweld überhaupt nodig is. Dat is misschien wel de hoogste vorm van professioneel optreden.
Judo heeft mij bovendien geleerd dat kracht zelden de doorslag geeft. Timing, balans, beheersing en techniek winnen het op de lange duur vrijwel altijd van spierkracht alleen. Eigenlijk geldt dat net zo goed voor het politiewerk. Een collega die rustig blijft, overzicht houdt en technisch vaardig is, heeft vaak minder geweld nodig dan iemand die uitsluitend op fysieke kracht vertrouwt.
Juist daarom heb ik mij jarenlang verbaasd over de manier waarop wij binnen de politie tegen opleidingen en trainingen aankeken. Begrijp mij niet verkeerd; de collega's die deze trainingen verzorgen doen dat met hart en ziel en vaak onder moeilijke omstandigheden. Mijn kritiek heeft zich nooit op hen gericht.
Mijn vraag was altijd een andere.
Waarom nemen wij genoegen met het afvinken van een verplicht programma, terwijl wij weten dat het straatwerk zich nooit laat afvinken?
Een RTGP-toets halen, een IBT-dag volgen of een fitheidstest afleggen zegt iets over een bepaald moment. Meer niet. De straat vraagt iets totaal anders. Daar krijg je geen tweede poging. Daar mag je niet zeggen dat je volgende week beter voorbereid bent. Daar moet het gebeuren, op dat ene moment waarop iemand besluit zich met geweld te verzetten of waarop een ogenschijnlijk rustige melding binnen enkele seconden volledig kantelt.
Dat vraagt om routine.
Niet de routine van sleur, maar de routine van vakmanschap.
Een pianist oefent zijn toonladders niet omdat hij die tijdens een concert wil laten horen, maar omdat zijn vingers automatisch moeten doen wat zijn hoofd bedenkt. Een judoka herhaalt een worp duizenden keren, niet omdat iedere tegenstander precies hetzelfde reageert, maar omdat zijn lichaam leert handelen zonder kostbare tijd te verliezen.
Waarom zouden wij voor politiemensen genoegen nemen met minder?
Misschien is dat wel de kern van mijn verhaal.
Een politieorganisatie investeert miljoenen in gebouwen, voertuigen, communicatiemiddelen en digitale systemen. Terecht, want zonder goede middelen kun je je werk niet goed uitvoeren. Maar uiteindelijk blijft de politiemedewerker het belangrijkste instrument waarover de organisatie beschikt. Dat instrument verdient onderhoud. Niet één of twee keer per jaar, maar voortdurend.
Daar komt nog iets bij. *Goede training maakt collega's niet agressiever*
Integendeel. *Zij worden er juist rustiger van*
Wie weet wat hij kan, hoeft veel minder te bewijzen. Wie vertrouwen heeft in zijn eigen vaardigheden, straalt dat uit. En juist die rust werkt vaak de-escalerend. Dat heb ik niet alleen in de dojo of bokszaal gezien, maar minstens zo vaak zelf op straat meegemaakt..
Als ik mijn eigen woorden uit 2013 teruglees, merk ik dat mijn overtuiging niet wezenlijk is veranderd. Misschien zou ik de toon vandaag iets milder kiezen. Misschien zou ik minder snel zeggen dat de trainingen 'in de kinderschoenen' staan. Maar de kern blijft voor mij overeind.
Vakmanschap is geen cursus.
Vakmanschap is geen certificaat.
Vakmanschap is ook geen hokje dat je ieder jaar opnieuw kunt afvinken.
Vakmanschap is een houding. Een manier van leven. Een voortdurende bereidheid om te blijven leren, jezelf kritisch te bekijken en beter te willen worden.
Volgens mij is dat de beste bescherming die een politieman of politievrouw ooit kan krijgen.
Hoofdstuk 4. Van bakstenen, bureaucratie en een kop koffie
Wanneer ik mijn verhaal uit 2013 teruglees, moet ik af en toe glimlachen. Niet omdat ik mezelf zo geweldig vond, maar omdat ik zie hoe bloedserieus ik toen was. Alsof ik de Nationale Politie in een paar A4'tjes opnieuw ging uitvinden. De werkelijkheid bleek, zoals zo vaak, een tikkeltje weerbarstiger.
Toch blijf ik erbij dat een goed politiebureau veel meer is dan een verzameling bakstenen met een blauw logo op de gevel.
Een bureau moet rust uitstralen. Niet alleen voor de burger die binnenloopt, maar vooral voor de collega's die er soms midden in de nacht, na een reanimatie, een dodelijk verkeersongeval, een huiselijk drama of een geweldsincident even op adem proberen te komen. Een gebouw moet vóór je werken en niet tégen je.
In Sittard heb ik vaak gedacht dat de architect waarschijnlijk een prachtig cijfer heeft gekregen voor zijn ontwerp. Misschien zelfs een staande ovatie. Ik gun het hem van harte. Alleen had ik hem daarna graag een nachtdienst mee laten lopen. Gewoon eens kijken hoe het voelt wanneer een boze verdachte besluit dat een hekje in een verhoorkamer eerder een hordenwedstrijd is dan een veiligheidsvoorziening.
Sommige oplossingen zien er op papier fantastisch uit. Totdat de praktijk zich ermee gaat bemoeien.
Dat geldt overigens niet alleen voor gebouwen.
Wie ooit als wijkagent heeft gewerkt, weet dat hetzelfde opgaat voor formulieren.
Ik heb in mijn loopbaan processen-verbaal geschreven waar Tolstoj waarschijnlijk nog een vervolg op had kunnen bedenken. Soms kreeg je na dagen werk de vraag of je nog één zinnetje wilde toevoegen. Daarna nog een foto. Daarna nog een verklaring. Daarna nog een aanvulling op de aanvulling. Op een gegeven moment begon ik mij af te vragen of de verdachte inmiddels niet met pensioen was voordat het dossier compleet zou zijn.
Begrijp me niet verkeerd.
Een goed proces-verbaal is goud waard. Zorgvuldigheid hoort bij ons vak en daar mag nooit aan worden getornd. Maar er is een wereld van verschil tussen zorgvuldig werken en bureaucratie bedrijven omdat een systeem nu eenmaal daarom vraagt.
Ik heb altijd gevonden dat een politieman zijn tijd zoveel mogelijk buiten moet doorbrengen en zo weinig mogelijk achter een beeldscherm. Een beeldscherm houdt geen boeven aan. Een toetsenbord sust geen burenruzie. Een muis verleent geen eerste hulp.
De straat wel.
En daar hoort de politieman thuis.
Misschien is dat uiteindelijk wel de rode draad van mijn hele verhaal.
Ik heb nooit gedroomd van méér formulieren, méér protocollen of méér reorganisaties.
Ik droomde van betere samenwerking.
Van gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen.
Van zorgpartners die bereikbaar zijn wanneer de politie hen nodig heeft.
Van een Openbaar Ministerie dat net zo praktisch durft te denken als de diender die om drie uur 's nachts nog steeds op straat loopt.
Van politiemensen die de ruimte krijgen om politieman of politievrouw te zijn.
En ja... misschien droomde ik soms iets te groot. Maar dromen zijn als een wijkagent.
Ze lopen zelden precies de route die je van tevoren hebt uitgestippeld.
Dertien jaar nadat ik deze visie opschreef, weet ik één ding zeker.
Ik had lang niet overal gelijk. Sommige ideeën zijn ingehaald door de tijd. Andere bleken niet uitvoerbaar.
Maar over één ding ben ik niet van mening veranderd. Een sterke politie begint niet bij een minister. Niet bij een korpschef. Niet bij een burgemeester. En zelfs niet bij een splinternieuw bureau.
Zij begint iedere ochtend opnieuw wanneer een politieman of politievrouw het uniform aantrekt, de autosleutel pakt, een kop koffie naar binnen werkt die eigenlijk veel te heet is, tegen een collega zegt: 'Kom, veer gaon weer' en zonder precies te weten wat de dienst gaat brengen de straat op rijdt.
Daar, en nergens anders, begint veiligheid.
Epiloog
Terugkijkend besef ik dat ik in 2013 vooral een betere politieorganisatie probeerde te beschrijven. Zonder dat ik het wist, beschreef ik misschien ook wel de valkuil van mijzelf. Altijd oplossen. Altijd doorgaan. Altijd nog een stap extra zetten. Luctor et emergo — ik worstel en kom boven. Dat lukte gelukkig vaak, tot lichaam en geest op een dag zeiden: nu is het genoeg geweest.
Toch overheerst geen bitterheid. Daarvoor heb ik te veel mooie mensen ontmoet, te veel collega's zien groeien en te veel burgers mogen helpen. Als ik één wens heb voor politiemensen van nu, dan is het deze: blijf vakman. Zorg voor elkaar. En vergeet onderweg vooral jezelf niet. Want een organisatie kan worden gereorganiseerd. Een mens niet.
Opiniestukken zijn voor mij nooit een doel op zich geweest. Ze zijn een spiegel van mijn gevoel, van hoe ik naar de soms boze, soms mooie en vaak ingewikkelde wereld kijk. Ik schrijf niet omdat ik de waarheid in pacht heb, maar omdat ik mij blijf afvragen of het ook anders kan.
Vaak zoek ik daarbij bewust de randen van de gebaande paden op. Niet om dwars te zijn, maar omdat vooruitgang zelden ontstaat door steeds dezelfde route te blijven lopen. Binnen de cirkel van mijn invloed probeer ik iets in beweging te krijgen. Soms goedschiks, soms — als het echt niet anders kan — een beetje kwaadschiks. Altijd met de bedoeling om de samenleving, de politie of gewoon de mensen om mij heen een stukje verder te helpen.
Misschien kleur ik daarbij af en toe buiten de lijntjes.
Maar juist daar ontstaan vaak de mooiste ontdekkingen.
Niet op de keurig aangelegde wandelpaden, maar op de olifantenpaadjes die mensen zelf maken. Omdat ze voelen dat er een betere, kortere of logischere route bestaat.
Misschien zijn mijn verhalen uiteindelijk niets anders dan een zoektocht naar die olifantenpaadjes.
En als ik één ding heb geleerd in al die jaren, dan is het dat de mooiste routes zelden de vooraf uitgestippelde zijn.