Translate

donderdag 16 juli 2026

Verwarde personen, nog steeds een File op de A2

File op de A2

Een politie die moet blijven rijden terwijl de file steeds langer wordt

Ik ben niet gefrustreerd. Dat gevoel past niet bij mij en zeker niet bij mijn kijk op het politiewerk. Na 44 jaar dienstbaarheid aan dit prachtige vak voel ik mij nog altijd loyaal aan de organisatie en vooral aan de mensen die iedere dag opnieuw klaarstaan. 

Juist vanuit die loyaliteit wil ik soms de helpende hand bieden en benoemen wat ik zie gebeuren. Niet om af te rekenen met het verleden of om te zeggen dat vroeger alles beter was, want ook toen waren er genoeg uitdagingen, maar omdat ik zie dat mooie stappen soms worden uitgegumd door ontwikkelingen die het politiewerk niet altijd sterker maken.

Mijn gevoel bij de reorganisaties binnen de politie laat zich misschien het beste omschrijven als een file op de A2. Iedereen wil vooruit, iedereen moet vooruit, maar ondertussen staat het verkeer grotendeels vast. Er worden nieuwe routes bedacht, nieuwe structuren gebouwd en nieuwe plannen gemaakt, terwijl de bestuurder op de weg vooral merkt dat de druk blijft toenemen.

Vaak voelde een reorganisatie als navelstaren. Een stoelendans met ogenschijnlijk blije gezichten, terwijl achter veel van die gezichten ook onzekerheid schuilging. Niet iedereen werd er beter van. Banen kwamen op de tocht te staan, functies veranderden en in de slipstream werden belangrijke werkzaamheden gekortwiekt. Het gevolg was een enorme hoeveelheid bezwaarschriften en procedures. Uiteindelijk kostte dat de organisatie niet alleen veel energie, maar ook honderden miljoenen euro's door langdurige trajecten en gevolgen van keuzes die achter bureaus werden gemaakt.

Geld en tijd die uiteindelijk niet op straat terechtkomen.

Daarmee kom ik bij de heterdaadkracht van de politie. Juist het vermogen om zichtbaar aanwezig te zijn, snel te reageren en op het juiste moment door te pakken, vormt de kracht van het politiewerk. Toch zag ik de afgelopen jaren steeds vaker dat politieblauw naar binnen werd getrokken. Soms om de intake te ondersteunen, soms om administratieve achterstanden weg te werken en soms zelfs doordat een surveillance werd geschrapt om ruimte te maken voor administratieve processen.
En daar wringt het.

Het politiewerk lijkt vaak op een rollercoaster. Je weet dat er iets staat te gebeuren, alleen weet je niet waar of op welk moment. Dat vraagt om flexibiliteit, ervaring en mensen die buiten aanwezig zijn. Bureaucratie ontstaat echter vaak niet vanuit slechte bedoelingen. 

Veel regels en processen komen voort uit goedbedoelde denkmachines, professioneel of soms amateuristisch bedacht, met als doel meer grip, meer kwaliteit en meer controle te creëren.

Maar iedere nieuwe stroomlijn, ieder nieuw proces en iedere extra verantwoordingslijn heeft ook een keerzijde.

Wat binnen overzichtelijk lijkt, kan buiten een extra belasting worden.
Volgens mij hoort ondersteunend werk het politiewerk buiten te versterken. Het buitenwerk moet niet steeds zwaarder worden belast omdat binnen nieuwe administratieve verplichtingen ontstaan. 

De politiek zou zich daarbij moeten realiseren dat iedere verplichte registratie, iedere ad-hoc opdracht en iedere extra verantwoordingslijn gevolgen heeft voor de capaciteit op straat.

Terugbellen. Acties zoals I281. Internetaangiften.

Allemaal noodzakelijk vanuit een bepaald perspectief, maar allemaal vragen ze tijd. Tijd die ergens vandaan moet komen.

Bij processen zoals screening, BOSZ en andere administratieve, technische of recherchematige werkzaamheden wordt niet altijd gekeken wanneer een politiemedewerker daadwerkelijk ruimte heeft om deze taken goed uit te voeren. Vaak gebeurt dit ten koste van blauw op straat.

Ik noemde dat vroeger weleens de binnenpolitie die de buitenpolitie naar binnen trekt met een administratieve lasso om de nek.

De burger begrijpt dat steeds minder. Voor de burger is er één politie. Hij ziet niet alle interne processen, systemen en verplichtingen. Hij ziet alleen dat hij hulp nodig heeft en verwacht dat de politie er staat.

Uiteindelijk bepalen burgers via de gekozen politiek welke taken de politie krijgt. Dat is terecht. Maar burgers zouden zich ook moeten afvragen welke politie zij willen. 

Willen we een politie die steeds meer maatschappelijke problemen opvangt omdat andere voorzieningen geen oplossing bieden, of willen we een politie die voldoende ruimte houdt voor veiligheid, hulpverlening en opsporing?

Want boeven vangen komt steeds meer onder druk te staan.

De politie moet in alle geledingen meer doen met minder mensen en minder middelen. Vanuit krimp wordt geprobeerd het onderste uit de kan te halen. Alle opdrachten zijn ons even lief, maar sommige opdrachten zijn in de basis niet bedoeld voor de politie.
Toch komen ze op ons pad.

Niet omdat de politie dat zoekt, maar omdat er vaak geen andere uitweg is.

Vechtscheidingen, civielrechtelijke conflicten, omgangsregelingen en maatschappelijke problemen komen uiteindelijk toch bij de politie terecht. De politie wordt steeds vaker het vangnet van de samenleving.

Maar terwijl daar veel tijd en energie naartoe gaat, kunnen zaken die wel degelijk politiewerk zijn onder druk komen te staan. Zaken waarbij veiligheid direct een rol speelt en waarbij juist snel en doortastend handelen noodzakelijk is.

Daarom blijft het zo mooi om te zien wanneer burgers en politie samen resultaten boeken. Een buurtbewoner die alert is, een verdachte situatie meldt en daarmee helpt een dader te pakken. Dat is de kracht van de samenleving. De politie doet het niet alleen.

Ook verdienen de mensen van de intake een groot compliment. Vaak werken zij in relatieve anonimiteit, terwijl zij het eerste contact hebben met slachtoffers, melders en mensen die hulp zoeken. Zij krijgen emoties, frustraties en verdriet als eerste binnen. Hun werk vormt het fundament waarop veel politieoptreden verder bouwt.

Chapeau.

Het zou mooi zijn als processen en werkwijzen zich steeds meer zouden richten op bronaanpak. Aan de voorkant problemen voorkomen en criminaliteit aanpakken, in plaats van achteraf steeds meer bureaucratische vinkjes zetten omdat dat nu eenmaal vanuit beleid wordt gevraagd.

Een voorbeeld dat mij altijd is bijgebleven, is de straatroof van een dertienjarige jongen.

Hij komt samen met zijn moeder naar het bureau. Eén van de vele slachtoffers die bij de politie aankloppen. Ik neem de aangifte op, er volgen acties met betrekking tot getuigenverklaringen en informatie. Voor mijn gevoel moet zo'n zaak met de hoogste prioriteit worden opgepakt.

Want het gaat niet alleen om een aangifte.
Het gaat om veiligheid.
Het gaat om vertrouwen.
Het gaat om een kind dat weer veilig over straat moet kunnen.

Maar vervolgens staat het incident op de agenda en weet je niet altijd wie ermee bezig is of wanneer de volgende stap wordt gezet. Dan komt het moment dat je contact moet opnemen met de aangever. Dat wil je ook graag, want betrokkenheid hoort bij het vak.

Maar wat vertel je die moeder?
Dat het systeem nog bezig is?
Dat het dossier wacht?
Dat er capaciteit gezocht wordt?

Voor haar telt maar één ding: wordt haar kind beschermd en wordt de dader gevonden?

Politiewerk is soms rekverbanden aanleggen en eendaagse pleisters plakken. Om de krimp op te vangen worden steeds meer konijnen uit de hoed van de Magiër getoverd, verpakt in een beschermende folie van grafieken, cijfers en mooie woorden.

Maar de werkelijkheid op straat laat zich niet altijd vangen in een grafiek.

Ook binnen het wijkwerk bestaan grote verschillen. In sommige gebieden wordt ruimte gevonden om echt met de wijk bezig te zijn, terwijl elders iedere extra minuut voor wijkwerk bijna de planning lijkt te frustreren. Iedere wijkagent die tijd vraagt om daadwerkelijk aanwezig te zijn, lijkt soms een probleem te veroorzaken in plaats van een oplossing te bieden.

En dan kom ik terug bij de rollercoaster.

We staan stil in een lange file en moeten ondertussen met 120 kilometer per uur vooruit blijven manoeuvreren. Terwijl de politieauto's in die file proberen door te rijden, worden ze vanaf de kant bekogeld met allerlei opdrachten door de betere stuurlui en aandachttrekkers aan wal.

Ook opdrachten die geen echte politietaken zijn. Maar reageren is geboden. Doe je niets, dan is het fout. Doe je wel iets, dan ontstaat er weer een ander probleem.

Over een spagaat of perpetuum mobile gesproken.

Ook de aanpak van verwarde personen past helaas in dit beeld. Mijn respect voor de professionals in de GGZ is groot. Ook zij werken onder hoge druk en met moeilijke problematiek. Mijn kritiek richt zich niet op de individuele medewerkers, maar op systemen waarin verantwoordelijkheden soms botsen.

Ik heb regelmatig gezien dat verwarde personen in een fuik van protocollen terechtkwamen voordat een screening plaatsvond. Zorgvuldigheid is belangrijk, maar soms leek het alsof het proces belangrijker werd dan het oplossen van de situatie.
En ondertussen wachtte de politie.

Mijn geduld werd danig op de proef gesteld. Ik ben altijd iemand geweest die houdt van proactief en doelmatig handelen. Problemen signaleren is één ding, maar proberen ze daadwerkelijk op te lossen is waar mijn motivatie lag.

Tijdens het wachten leek het soms alsof er buiten juist meer dringende meldingen kwamen dan normaal. Je zat letterlijk op je handen, terwijl je wist dat er elders mensen waren die ook hulp nodig hadden.

Daarna bleef de vraag of iemand werd opgenomen of opnieuw terugkeerde in de maatschappij. Wanneer de oorzaak niet voldoende werd aangepakt, zag je dezelfde problemen vaak terugkomen.

Niet oplossen, maar beheersen.

Dat zorgt uiteindelijk voor een overvolle agenda bij alle betrokken partners.


Epiloog


Jaren geleden schreef ik dit verhaal al. Niet vanuit frustratie, maar vanuit betrokkenheid bij een vak waaraan ik een groot deel van mijn leven heb gegeven.

Een paar maanden geleden liep ik na ruim vijf jaar weer eens binnen op mijn oude werkplek. Het was bijzonder om daar opnieuw rond te lopen. Vertrouwde plekken, nieuwe gezichten en vooral veel herkenbare verhalen.

Ik sprak met verschillende collega's en ook met een wijkagent. Wat mij raakte, was dat veel van de zorgen die ik jaren geleden beschreef niet waren verdwenen.

Ze waren groter geworden.
Nog meer taken.
Nog meer verantwoordelijkheden.
Nog meer verantwoording.

Ook het probleem rond verwarde personen bleek niet kleiner geworden. Mijn ervaringen uit het verleden waren geen afgesloten hoofdstuk. De werkelijkheid van vandaag liet zien dat de druk verder was toegenomen.

Toch zag ik ook iets positiefs. De mensen. De betrokkenheid. De wil om te helpen. Die is er nog steeds.

De zorg zit niet bij de politiemensen die iedere dag hun best doen. De zorg zit in een systeem dat steeds meer vraagt, terwijl de ruimte om het echte politiewerk te doen steeds verder onder druk komt te staan.

Een sterke politieorganisatie wordt uiteindelijk niet gebouwd door alleen protocollen, cijfers en systemen.

Een sterke politieorganisatie wordt gebouwd door mensen die de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen.

Want uiteindelijk blijft de vraag:

Hebben we een politie die vooral bezig is met het registreren van problemen, of een politie die voldoende ruimte krijgt om ze daadwerkelijk op te lossen?

Wie het weet, mag het zeggen ...


zondag 12 juli 2026

Een gestolen fiets, een wereld aan verhalen

Intro: Over kryptonietstaal, intakewerk, vertrouwen en de werkelijkheid achter politiewerk.

Fietsers begrijpen elkaar

Een mooie gedachte om mee te beginnen.

Want fietsers en dieven hebben één ding gemeen: ze fietsen allebei als een wervelwind. De één voor zijn plezier, de ander om een gestolen fiets zo snel mogelijk uit beeld te krijgen.

Maar daar houdt de vergelijking ook meteen op.

Voor de één betekent een fiets vrijheid, ontspanning en gemak. Voor de ander is het slechts een middel om snel geld te verdienen.

Een fiets wordt vaak onderschat. Voor veel mensen is het echter geen luxeartikel, maar hun enige vervoersmiddel. Ik heb mij in mijn politietijd regelmatig afgevraagd: wat gebeurt er als iemand zijn fiets kwijtraakt en geen alternatief heeft?

Niet iedereen heeft een auto voor de deur. Niet iedereen heeft de financiële ruimte om zomaar een nieuwe fiets te kopen. Een gestolen fiets kan betekenen dat iemand problemen krijgt om op tijd op school, de studieplek of het werk te komen.

Dan verdwijnt niet alleen een fiets.

Dan verdwijnt een stukje zekerheid en zelfstandigheid.

Er wordt tegenwoordig veel gewaarschuwd: zet je fiets goed vast, gebruik een degelijk slot en maak gebruik van bewaakte stallingen. Maar dan gebeurt het toch. Juist op het moment dat het helemaal niet uitkomt, is je trouwe tweewieler verdwenen.

De persoonlijke levenssfeer krijgt dan een behoorlijke mentale deuk.

De politie kent tegenwoordig de digitale aangifte. Een praktische ontwikkeling waarbij mensen vanuit huis melding kunnen doen. Maar achter iedere aangifte zit een verhaal. Soms een verhaal dat meer aandacht verdient dan alleen het invullen van een formulier.

Ik wil twee casussen uit mijn politietijd beschrijven. Twee fietsen die uiteindelijk terugkwamen bij hun rechtmatige eigenaar. Maar ook twee voorbeelden waarin duidelijk wordt dat politiewerk niet altijd zo eenvoudig is als het van buitenaf lijkt.

Casus 1: een slot van kryptonietstaal

Tijdens mijn dienst mocht ik de intake verzorgen.

Niet mogen, maar moeten is misschien een betere omschrijving. Een aantal intakecollega's had de overstap gemaakt en mocht zich voor drie jaar politiestudent noemen. Dat betekende plaatsvervanging binnen de intake.

Iedereen draagt zijn steentje bij, dus ook ik.

Maar voordat ik verder ga, eerst een welgemeende pluim voor de collega's van de intake.

Deze collega’s werken vaak in relatieve anonimiteit. De burger ziet meestal alleen het eerste contact met de politie, maar niet altijd wat daarachter gebeurt.

Intake is meer dan een verhaal aannemen en gegevens invoeren.

Het is luisteren. Doorvragen. Emoties opvangen. Inschatten wat belangrijk is. En bepalen welke vervolgstappen nodig zijn.

Vaak begint het politiewerk daar.

Deze collega’s staan misschien minder vaak in de schijnwerpers, maar zijn een belangrijke schakel binnen de politieorganisatie.

Chapeau.

Dan komt er een gedupeerde aangever naar het bureau. Hij herkent zijn gestolen fiets.

De fiets staat gestald vlak bij het bureau in een fietsenstalling en is afgesloten met een slot waar je U tegen zegt.

Dit was geen gewoon slot.

Dit was een slot van kryptonietstaal.

Een gehard antidiefstalslot dat bijna onverwoestbaar leek. Een ware uitdaging voor iedereen die dacht het zomaar even open te krijgen.

De brandweer wordt erbij gehaald om te helpen. De pneumatische knipper wordt ingezet, maar het staal geeft geen krimp.

Zelfs de enorme kracht van dit apparaat krijgt geen vat op het slot.

Uiteindelijk moet de slijptol eraan te pas komen.

De schijf draait op bijna bovenaardse snelheid door het geharde staal. De vonken dalen als een vuurwerkshow neer op de stoep.

Het slot verliest uiteindelijk de strijd.

Maar de strijd kost ook wat.

De knipper raakt beschadigd en gemeenschapsgeld verdwijnt door een onverwachte totaalschadepost.

Maar de klus is geklaard.

De fiets gaat terug naar de rechtmatige eigenaar.

Ik maak melding van deze mooie afloop op Facebook.

En dan gebeurt wat tegenwoordig vaker gebeurt: de publieke opinie roert zich.

Sommigen zijn blij voor de gedupeerde. Anderen hebben direct hun oordeel klaar over het politieoptreden.

Maar de werkelijkheid achter politiewerk is vaak ingewikkelder.

Op dat moment was er geen mogelijkheid om langdurig te posten bij de fiets in de hoop dat de dader precies op het juiste moment zou verschijnen om het slot te openen.

Niet omdat de wil ontbrak.

Maar omdat capaciteit verdeeld moet worden over talloze andere meldingen, noodhulp en wettelijke taken.

Dat is soms moeilijk uit te leggen.

Facebook kent geen hoor en wederhoor. Emoties nemen soms de plaats in van feiten.

Ik ben ervan overtuigd dat wij binnen de beschikbare mogelijkheden en bevoegdheden de juiste keuze hebben gemaakt.

Het belangrijkste resultaat was dat de eigenaar haar fiets terugkreeg.

En daar ging het uiteindelijk om.

Casus 2: eerlijkheid opent soms andere deuren

Een andere avond had ik incidentenafhandeling met collega Roy.

Een gedupeerde meldde zich omdat zijn gestolen fiets op Marktplaats stond.

De fiets was eerder onafgesloten weggenomen.

Berouw komt soms na de zonde.

De aangever verwachtte eigenlijk dat de politie alles uit de kast zou halen om zijn fiets terug te halen. Dat wilden wij ook, maar politiewerk betekent altijd handelen binnen bevoegdheden.

Na overleg met de leidinggevende kregen wij ruimte om deze zaak op te pakken.

Wij maakten de aangever duidelijk dat ook van hem een inspanning werd verwacht.

Hij moest zelf naar de fiets gaan kijken en beoordelen of het daadwerkelijk zijn eigendom was.

Niet omdat wij geen moeite wilden doen, maar omdat zorgvuldig handelen noodzakelijk is.

Uiteindelijk ging hij kijken.

Wij reden mee als back-up.

Het bleek inderdaad zijn fiets te zijn.

Het adres was ons bekend. Samen met Roy klopte ik aan.

De deur ging open en de bewoner keek zichtbaar verrast toen hij twee mannen van de Hermandad voor zich zag staan.

De fiets stond in de gemeenschappelijke gang.

De verdachte werd aangehouden, geboeid en meegenomen naar het bureau.

Geen thuiskomst die avond, maar een verblijf in het bekende "hotel politie".

De volgende dag ging de fiets terug naar de eigenaar.

De verdachte had afstand getekend.

Een saillant detail: tijdens de fouillering werden ook de twee fietslampjes aangetroffen die bij de fiets hoorden.

Soms vallen de laatste puzzelstukjes precies op hun plaats.

Vertrouwen

Deze tweede casus kreeg nog een bijzonder vervolg.

Omdat ik eerlijk en realistisch was geweest tegenover de verdachte en hem correct had behandeld, kwam hij volgens afspraak later terug naar mij.

Niet als verdachte.

Maar als aangever.

Hij meldde andere misdrijven waarvan hij zelf slachtoffer was geworden.

Ook daar heb ik mijn stinkende best gedaan.

Want iedereen die bij de politie binnenkomt heeft recht op een correcte behandeling.

Ook iemand die eerder aan de andere kant van de tafel heeft gezeten.

Zo ontstond een hele waslijn aan meldingen en misstanden die allemaal aandacht verdienden.

Dat is soms de bijzondere kant van politiewerk.

Een verdachte van vandaag kan morgen gewoon een burger zijn die hulp nodig heeft.

Eerst luisteren, daarna schrijven

Een bijzonder onderdeel van mijn manier van werken tijdens de intake was dat mijn vingers niet altijd meteen het toetsenbord raakten.

Eerst luisteren.

Het verhaal begrijpen.

De mens achter de melding zien.

Pas daarna vroeg ik soms om aanvullende informatie per mail te sturen met alle bijzonderheden rond de casus.

Het voordeel was groot.

De aangever kreeg echte aandacht en ik kon mij richten op het gesprek in plaats van alleen op het invullen van schermen.

Daarna kon ik de informatie rustig teruglezen, controleren, kopiëren, bijsturen en verwerken.

Het bespaarde tijd en verbeterde vaak de kwaliteit van de aangifte.

Wanneer een aangifte of verhaal meer tijd nodig had dan gepland, liep ik regelmatig naar de balie en keek ik in de afsprakenagenda.

Door persoonlijk contact te maken met aanwezige mensen kon ik vaak beter inschatten wat nodig was.

Niet iedere melding hoefde dezelfde route te volgen.

Praktisch handelen.

Prioriteiten stellen.

Verantwoordelijkheid nemen.

Daar zat vaak de echte tijdwinst.

Slot

Het politievak kent vele gezichten.

Vroeger draaide ik plantondiensten bij de Rijkspolitie. Jaren later zat ik achter de intakebalie.

Andere werkzaamheden.

Andere tijden.

Maar dezelfde opdracht:

Mensen helpen en waar mogelijk het verschil maken.

Deze fietscasussen laten slechts een klein stukje zien van de werkelijkheid achter politiewerk.

Achter iedere fiets zit een eigenaar.

Achter iedere aangifte zit een verhaal.

En achter iedere politieactie zitten keuzes, bevoegdheden en mogelijkheden.

Maar achter iedere goede zaak staan ook collega’s.

Op straat. Achter het bureau. Aan de intake.

Soms zichtbaar. Vaak onzichtbaar.

Maar altijd belangrijk. Chapeau voor allemaal.


woensdag 8 juli 2026

De Japanse duizendknoop in de samenleving

 

De Japanse duizendknoop en mijn aha-moment 

Soms komt een inzicht uit een onverwachte hoek. Niet uit een dik beleidsrapport of een ingewikkelde analyse, maar gewoon uit een bericht over een plant.

Vanmorgen las ik over de bestrijding van de Japanse duizendknoop. Een plant die in Nederland voor grote problemen zorgt. 

Gemeenten, maar ook Rijkswaterstaat en mogelijk Provinciale Waterstaat binnen hun eigen werkgebied, besteden tonnen en soms miljoenen euro’s aan belastinggeld aan uitgraven, maaien, afdekken, stomen, elektriciteit en allerlei innovatieve methoden. 

En toch blijft de zoektocht naar hét wondermiddel doorgaan.

En toen kwam mijn aha-moment.

Ik had er al vaker over nagedacht tijdens mijn talloze fietstochten met mijn lief. Ook wij kwamen de Japanse duizendknoop steeds weer tegen: almaar uitdijende plekken, soms als groene muren die het zicht langs de weg letterlijk belemmeren.

In Japan groeit precies dezelfde plant al eeuwenlang. Geen nationale plaag. Geen enorme kostenpost. Geen voortdurende strijd.

Waarom?

Omdat daar het natuurlijke evenwicht nog bestaat. Insecten, schimmels en andere organismen houden de plant in balans. De natuur doet daar grotendeels wat wij hier met veel inspanning, tijd en geld proberen te herstellen.

Sterker nog: onderzoekers kijken inmiddels juist naar Japan. Naar de kennis die daar aanwezig is en zelfs naar natuurlijke bestrijders die mogelijk kunnen helpen. Misschien ligt de oplossing dus niet altijd in méér bestrijden, maar soms in beter begrijpen.

Misschien is de goedkoopste studiereis voor Nederland soms wel een retourtje Japan. Niet voor de sushi of de tempels, maar om te kijken hoe een ander een probleem al eeuwenlang beheerst.

En ineens dacht ik: misschien gaat dit helemaal niet alleen over een plant.

Hoe vaak proberen we niet de gevolgen te bestrijden, terwijl de oorzaak blijft bestaan?

Dat zien we bij allerlei maatschappelijke vraagstukken. Bij begrotingstekorten, bij overlast, bij veiligheid en bij andere ontwikkelingen die steeds opnieuw vragen om inzet, capaciteit en geld. Natuurlijk moeten problemen worden aangepakt wanneer ze ontstaan. Maar duurzaam beleid begint vaak eerder: bij het voorkomen van onbalans.

Het doet me denken aan hoogwater. Je kunt iedere keer opnieuw de schade herstellen, zandzakken stapelen en achteraf repareren. Maar uiteindelijk is het verstandiger om vooruit te kijken: rivieren de ruimte geven, dijken versterken en de oorzaak van kwetsbaarheid aanpakken.

Een samenleving werkt eigenlijk niet anders dan de natuur.

Een gezonde samenleving ontstaat niet door alleen maar achter problemen aan te lopen, maar door sterke fundamenten te bouwen. Daar ligt ook een belangrijke taak voor de overheid: niet alleen reageren wanneer het misgaat, maar de bouwstenen maken waarop burgers kunnen vertrouwen en verder kunnen bouwen.

Een samenleving waarin mensen verantwoordelijkheid nemen, waarin grenzen duidelijk zijn en waarin ruimte is voor mens, natuur en leefomgeving.

Iedereen op zijn plek. Niet door uitsluiting, maar door balans.

Van mens tot wolf. Van rivier tot duizendknoop.

Want misschien geeft juist die hardnekkige plant ons een eenvoudige, maar belangrijke les:

Wie alleen de gevolgen blijft bestrijden, blijft de rekening betalen. Wie de oorzaak begrijpt en het evenwicht herstelt, bouwt aan een oplossing die langer meegaat.

Soms ligt de natuur ons al eeuwen voor. De vraag is alleen of wij bereid zijn om te luisteren.


Slotgedachte 

Een belangrijke nuance: niet iedere duizendknoop is een probleem. Duizendknoopsoorten maken deel uit van de natuur en het feit dat een plant ergens groeit, maakt haar niet automatisch ongewenst. Het vraagstuk gaat specifiek over de invasieve Japanse duizendknoop, die buiten zijn oorspronkelijke leefgebied door het ontbreken van natuurlijke vijanden sterk kan uitbreiden en daarmee schade of overlast kan veroorzaken.

En misschien zit daar nu juist de bredere les…

Respect, een bamboestokje en een lat

Onlangs zag ik in de media beelden van een judoles in Japan. Ze bleven me bezighouden. 

Niet omdat ik geweld wil verheerlijken – integendeel – maar omdat ze mij opnieuw deden nadenken over een begrip dat tegenwoordig nogal verschillend wordt uitgelegd: respect.

Respect kent vele gezichten. De vraag is niet alleen wat respect is, maar ook hoe je het geeft, ontvangt en verdient.

Op de beelden zat een oude Sensei zwijgend langs de rand van de judomat. Hij keek aandachtig toe. Niet vluchtig, maar met de scherpe blik van iemand die elke houding, elke beweging en elke uitvlucht zag.

Plotseling riep hij een leerling bij zich. De jongen liep beheerst, maar zichtbaar gespannen naar voren. De meester sprak weinig woorden. Kort, krachtig en met een stem die geen ruimte liet voor discussie. In zijn hand hield hij een dun bamboestokje, waarmee hij tijdens zijn uitleg tegen de armen en benen van de leerling tikte. Niet om hem te mishandelen, maar om zijn boodschap kracht bij te zetten.

Als zo'n filmpje vandaag zonder context op sociale media zou verschijnen, zouden de verontwaardigde reacties waarschijnlijk niet lang op zich laten wachten.
Toen de meester uitgesproken was, gebeurde echter iets wat mij vooral opviel.

De leerling boog diep, vroeg toestemming om te mogen spreken en bedankte de Sensei. Hij zei dat hij het een grote eer vond dat de meester de moeite had genomen juist hem te corrigeren. Blijkbaar vond de meester hem de moeite waard om beter te worden.

Dat zette mij aan het denken. Vroeger kreeg je soms een tik om iets af te leren. Tegenwoordig krijg je soms helemaal niets meer te horen, uit angst iemand te kwetsen. Ik vraag me weleens af welk uiterste uiteindelijk de meeste schade aanricht.
Terwijl ik naar die beelden keek, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar mijn eigen lagere school. Ook daar werd, zij het op een heel andere manier, duidelijk gemaakt wat wel en niet mocht.

Ik ben nog van de generatie die met de lat kennismaakte. Links schrijven was ongewenst. Pats op je linkerhand en voortaan rechts schrijven. Ik schreef bovendien met een kroontjespen, wat het er niet makkelijker op maakte. Het gevolg is dat ik nu, ruim zestig jaar later, soms nog moeite heb om mijn eigen handschrift te ontcijferen. Ik heb dus niet alleen respect voor kalligrafen, maar ook voor iedereen die mijn boodschappenlijstje zonder tolk kan lezen.

Dat verschil is interessant. De Japanse Sensei corrigeerde vanuit discipline en vorming, hoe hard dat tegenwoordig ook overkomt. Op mijn school draaide het vooral om aanpassen aan de norm. Beide voorbeelden stammen uit een andere tijd en beide zouden vandaag de dag terecht veel discussie oproepen.

Gelukkig zijn de bamboestok en de schoollat verleden tijd. Dat is winst. Maar soms bekruipt mij het gevoel dat we naar het andere uiterste zijn doorgeschoten. Feedback wordt al snel opgevat als een aanval, terwijl een goedbedoelde correctie juist een blijk van betrokkenheid kan zijn.

Ergens tussen keiharde discipline en de angst om iemand nog aan te spreken, ligt een gezonde middenweg.

Respect is niet hetzelfde als angst. Echte groei begint bij iemand die de moeite neemt je iets te leren én bij iemand die bereid is daarvan te leren.

Misschien is dat wel de belangrijkste les die die beelden mij hebben meegegeven.
Corrigeren is niet hetzelfde als kleineren. Soms is het juist een teken dat iemand de moeite waard wordt gevonden 

maandag 6 juli 2026

Weerbaarheidstraining bij de politie

Opleiding in Baexem 1977
In het politievak is training bedoeld om je sterker te maken voor de straat — niet om je daar al op te breken.

De discussie over weerbaarheidstraining binnen de politie is niet nieuw. In 2013 kwamen politiestudenten in het nieuws nadat zij tijdens een weerbaarheidsoefening gewond raakten, met onder meer gekneusde ribben en een gebroken kaak als gemelde letsels. Het ging om een situatie binnen de Politieacademie waarbij realistische geweldssimulaties werden toegepast. Naar aanleiding hiervan werd onderzoek ingesteld en volgden later aanpassingen in het betreffende trainingsonderdeel.

Wat dit destijds al duidelijk maakte, is dat de balans tussen realisme en veiligheid in training een blijvend spanningsveld vormt. En dat gesprek is vandaag de dag niet minder actueel geworden.


TRAINING

Bij de politie is weerbaarheidstraining al jaren onderwerp van discussie. Het vak vraagt om realistische voorbereiding op geweldssituaties, maar die realiteit kent altijd duidelijke grenzen.

Sport en fysieke training vormen een belangrijk fundament, maar nooit het enige ingrediënt in het politievak. Naast training, motivatie, herstel en voeding zijn er cruciale elementen zoals samenwerken, specificiteit, veiligheid, communicatie, werken binnen bevoegdheden en het behalen van het operationele doel.

Al deze factoren bepalen of training daadwerkelijk overdraagbaar is naar de praktijk.

Wat in dit soort casuïstiek telkens terugkomt, is het belang van duidelijke kaders vooraf. Ongeacht de trainingsvorm moet helder zijn wat het doel is, welke risico’s acceptabel zijn en waar de grenzen liggen.

Realistisch trainen mag nooit betekenen dat veiligheid en controle verdwijnen.


WEERBAARHEID

Krachttraining en fitness zijn belangrijk, maar vormen vooral de basis van grove motoriek binnen een breder geheel.

Weerbaarheid in het politievak is een samenspel van kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid en coördinatie. Minstens zo belangrijk zijn mentale weerbaarheid, besluitvorming onder stress en het vermogen om te blijven handelen binnen de wet en je bevoegdheden.

De praktijk op straat is onvoorspelbaar. Incidenten ontstaan vaak onverwacht en vragen directe keuzes. In die momenten moet je kunnen vertrouwen op training, ervaring en samenwerking, maar altijd binnen de grenzen van proportionaliteit en professionaliteit.


PRAKTIJK

Een top-prestatie in het politievak ontstaat alleen als lichaam en geest als één geheel functioneren.

Dat is een samensmelting van ervaring, fysieke conditie, psychische belasting, technische vaardigheden, tactisch inzicht en sociale samenwerking.

Samenwerken blijft daarin cruciaal. Politiewerk is zelden individueel werk. Vertrouwen in je collega, duidelijke communicatie en wederzijds waarnemen maken vaak het verschil tussen controle en chaos.

Daarom moet training niet alleen individueel gericht zijn, maar juist ook op teamfunctioneren onder druk.

Herhaling blijft daarbij het sleutelwoord. Wat niet wordt herhaald, komt niet automatisch beschikbaar op het moment dat het nodig is.

Misschien is één belangrijk ingrediënt nog niet genoemd: geluk.

Want hoe goed je ook traint en voorbereidt, elke geweldsituatie blijft afhankelijk van factoren die je nooit volledig kunt controleren.

Daarom is de vraag niet alleen hoe realistisch we trainen, maar vooral hoe we zorgen dat we mensen voorbereiden op de werkelijkheid, zonder ze onderweg onnodig te beschadigen.

Ik ben benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek. Niet om te oordelen, maar om te leren. Want goede politietraining moet politiemensen beter maken voor de straat — niet slechter voordat ze daar überhaupt komen.


NAREDE

In de nasleep van dit soort casuïstiek is destijds binnen de Politieacademie gekeken naar de inrichting van de training, de veiligheidsborging en de mate waarin realisme en controle in balans waren. Dat heeft geleid tot evaluaties en aanscherping van de kaders rond weerbaarheidstraining.

De kern die daarbij overeind blijft, is dat realisme in training waardevol is, maar nooit los kan staan van strakke regie, duidelijke leerdoelen en een onbetwiste borging van veiligheid.

Want zodra die balans verschuift, verliest training haar waarde: het voorbereiden van professionals op de praktijk, niet het blootstellen van studenten aan risico's die juist in opleiding beheerst moeten worden.

Tegelijkertijd is de praktijk op straat de afgelopen jaren niet milder geworden. Geweld en agressie tegen politie, brandweer, ambulancepersoneel en andere hulpverleners lijken steeds vaker onderdeel van het dagelijkse werk. Dat is een ontwikkeling die niemand normaal zou mogen vinden.

De overheid reageert daarop regelmatig met nieuwe onderzoeken, beleidsmaatregelen of aanvullende wetgeving. Dat kan zinvol zijn, maar naar mijn overtuiging ligt de grootste winst niet altijd in méér regels. Nederland beschikt al over een uitgebreid wettelijk instrumentarium en de politie over ruime bevoegdheden. Waar het vooral om gaat, is een consequente toepassing daarvan, ondersteund door duidelijke rugdekking vanuit de overheid, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak.

Wie van politiemensen verwacht dat zij daadkrachtig optreden, zal hen ook de ruimte en het vertrouwen moeten geven om dat professionele optreden waar te maken. Dáár begint echte weerbaarheid. 

Mijn opinie over operationeel leiderschap,

Inleiding

Soms kom je een oud stuk tegen waarvan je hoopt dat het inmiddels door de tijd is ingehaald. En soms ontdek je dat het vooral een blauwdruk bleek... of misschien wel een vriendelijke waarschuwing vooraf.

Onderstaande reactie schreef ik in 2013, naar aanleiding van het Ontwerpplan Nationale Politie en de toen aangekondigde rol van de operationeel leidinggevende. Destijds was het niet meer dan een visie op papier. De vraag was of die ook de weerbarstige praktijk zou overleven.

Hoe kijk ik tegen operationeel leiderschap aan?

Het is een interessante omslag in denken. En hopelijk straks ook in handelen. Toch lees ik met een gezonde dosis scepsis dat het vooralsnog een ontwerp is. Een mooie luchtballon blijft immers een luchtballon totdat we daadwerkelijk geproefd hebben van de nieuwe operationele leidinggevende.

Voor sommigen zal deze toekomstgedachte wellicht enige gewenning vragen. Operationeel leiderschap laat zich namelijk niet vangen in een functiebeschrijving alleen. Wie werkelijk tussen de mensen en de operatie staat, kan zich niet verschuilen achter processen of systemen. Zichtbaarheid brengt verantwoordelijkheid met zich mee. En misschien is dat wel precies zoals leiderschap bedoeld is.

Misschien zit daarin ook wel de grootste misvatting. Operationeel leiderschap hangt wat mij betreft niet aan een rang, een functiebeschrijving of een extra streep op de schouder. Het hangt aan de mens. Aan iemand die met beide voeten in de klei staat, de operatie door en door kent en van daaruit richting geeft. Naast zijn mensen als het kan, vóór zijn mensen als het moet.

Leiderschap bewijst zich niet tijdens kantooruren of aan de vergadertafel. Het krijgt zijn ware betekenis op straat, vierentwintig uur per dag. Juist op de momenten waarop de meeste mensen genieten van hun nachtrust en politiemensen waken over de veiligheid van anderen. Dáár wordt een operatie niet alleen geleid, maar soms ook geleden. En juist daar blijkt wie werkelijk leiding geeft.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van operationeel leiderschap. Ik heb in mijn loopbaan meer dan eens meegemaakt dat een goede leidinggevende mij, terwijl ik met beide voeten in de modder van de menselijke arena stond, simpelweg vroeg: "Han, wat is volgens jou op dit moment het beste om te doen?"

Niet uit onzekerheid, maar uit vertrouwen. Omdat hij wist dat degene die midden in de situatie staat soms nét iets scherper ziet dan degene die er van een afstand naar kijkt. Daarna nam hij zijn verantwoordelijkheid als leidinggevende, met alle consequenties die daarbij horen. Dat is geen zwakte. Dat is kracht. Geen hiërarchie om de hiërarchie, maar leiderschap dat de praktijk als kompas neemt.

Als de leidinggevende niet langer wordt dichtgetimmerd met beheer en administratie, krijgt hij eindelijk de ruimte waarvoor de functie ooit bedoeld was: aanwezig zijn in de operatie. Meedenken, aansturen, meelopen, keuzes maken en achteraf samen met de collega's reflecteren op basis van eigen waarnemingen en ervaringen die zijn opgedaan tijdens de vaak complexe en soms verhitte interventies.

Juist daarin zit de meerwaarde. Niet sturen vanuit een bureau, maar vanuit de praktijk. Samen komen tot de kern van het politiewerk. Samen beoordelen welke afwegingen zijn gemaakt, welke interventies passend waren en hoe je daarvan leert. Zeggen wat we doen, doen wat we zeggen en daar gezamenlijk verantwoordelijkheid voor nemen. No matter what. Zo ontstaat uiteindelijk een beter politieproduct.

Maar dat is slechts één kant van het verhaal.

De operationeel leidinggevende zal ook zelf ervaren hoe weerbarstig de praktijk kan zijn. Als BVH opnieuw niet meewerkt en collega's noodgedwongen creatief moeten worden op een manier waarvoor het systeem nooit bedoeld was. Als er opnieuw taken op het bord van de politie belanden die daar eigenlijk niet thuishoren. Als protocollen vooral de belangen van netwerkpartners dienen, terwijl politiemensen daardoor kostbare tijd verliezen en opnieuw moeten wachten op besluiten van anderen.

Juist dan kan een operationeel leidinggevende vanuit eigen ervaring het gesprek voeren. Niet alleen binnen de politie, maar ook met de eigenaar van de integrale veiligheidszorg: de gemeente. Vanuit die positie kan hij of zij partners aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid en de balans in de keten helpen herstellen.

De belangrijkste randvoorwaarde? Dat ook de organisatie achter haar mensen gaat staan. Dat er werkelijk vertrouwen wordt gegeven. Dat erkend wordt hoe complex het politiewerk is. Dat wet- en regelgeving weer meer werkbaar en billijk wordt. En dat de politie zich weer maximaal kan richten op haar kerntaak: het leveren van professionele politiezorg aan de samenleving.

Dertien jaar later lees ik dit terug met een glimlach, maar ook met verwondering. Niet omdat ik destijds gelijk wilde krijgen, maar omdat veel van de vragen van toen nog altijd actueel zijn. Structuren veranderen op papier vaak sneller dan de praktijk.

Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie. Operationeel leiderschap ontstaat niet uit een organisatiemodel of een rangonderscheidingsteken. Het ontstaat uit vakmanschap, vertrouwen, zichtbaarheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen. Midden tussen de mensen. Met de voeten in de klei. Daar waar de samenleving de politie het hardst nodig heeft.


Hondje Remie of Remia in de Drechtunnel op de A16

Remie in de Drechttunnel

Een hond die doodgemoedereerd door de Drechttunnel van de A16 wandelt. Je leest zo'n bericht en mijn fantasie slaat meteen op hol.

Misschien is hij weggelopen. Misschien uitgezet. Misschien was hij gewoon onderweg naar huis. Zijn interne TomTom zegt immers niet: "Neem afslag 23," maar: "Volg je neus."

Daar gaat Remie. Alleen. Dwars door velden, wegen en uiteindelijk... een tunnel waar zelfs de gemiddelde wandelaar zich nog eens achter de oren zou krabben.

Niemand die naar hem omkijkt. Tranen in de hondenoogjes.

"Waarom ben ik alleen? Dat wil ik helemaal niet..."

Een landkaart lezen zit er niet in. De weg vragen ook niet. En dus blijft alleen dat onovertroffen navigatiesysteem over: de speurneus, gemonteerd op het voorste punt van zijn aangezicht.

Om hem heen razen alleen maar Max Verstappens voorbij. Oorverdovend lawaai. Uitlaten zo groot als de hoogovens van weleer. Een stalen storm waarin iedere snuffel verdrinkt.

De paniek begint langzaam terrein te winnen... maar net niet helemaal. Want honden beschikken gelukkig over iets wat wij mensen onderweg nogal eens verliezen: hoop.

Hoop dat achter iedere bocht het gouden mandje weer opduikt.

Tenzij...

Tenzij dat mandje er niet meer staat. Omdat het baasje de kosten niet meer kon dragen. Of omdat Remie simpelweg als oud vuil aan de kant is gezet.

En terwijl mijn fantasie verder afdwaalt, dient zich ook een minder vrolijke gedachte aan.

Het is vakantietijd. Helaas worden juist in deze periode ook huisdieren achtergelaten. Omdat de vakantie al geboekt is. Omdat pensions vol zitten of te duur zijn. Of simpelweg omdat een hond ineens niet meer in de planning past.

Ik hoop oprecht dat dit voor Remie niet geldt. Dat hij gewoon een avonturier is die iets te enthousiast achter zijn snuffel is aangelopen. Dat zou een veel mooier verhaal zijn.

Of misschien is dit allemaal grote onzin en liep hij gewoon zijn dagelijkse inspectieronde.

Wie het weet, mag het zeggen.

Dan wordt het ineens rustig in de tunnel.

Aan het einde van deze tunnel is licht... en gelukkig geen tegemoetkomende koplampen meer.

In de verte naderen voorzichtig enkele voertuigen. Er stappen mensen uit. Gek uitgedost in zwart-geel. Net menselijke wespen.

Ze roepen. Ze lokken. Ze proberen hem gerust te stellen.

Dan ziet Remie het.

"Hé... de politie! Vriend en helper!"

Of toch niet?

Want tegenwoordig hoor je zoveel over nepagenten. En die brengen zelden iets goeds. Dus kiest Remie eieren voor zijn hondenbrokken en zet het opnieuw op een lopen.

De menselijke wespen geven echter niet op.

Na een korte achtervolging wordt Remie – of misschien was het toch Remia – veilig ingevangen.

Nu maar hopen dat hij of zij gechipt is. Dat ergens een baasje de telefoon opneemt. Dat het mandje nog bestaat.

Sommige achtervolgingen eindigen met handboeien. Deze gelukkig met een hondenriem. Dat is toch een stuk gezelliger voor alle betrokkenen.

Eind goed... al goed.