Een nachtelijke rondgang langs de grenzen van de politiezorg — geschreven rond 2013
Deze week lag ik weer aan het infuus van de geplande nachtdiensten. Een keur aan evenementen had de plaatselijke horeca als het ware tot de laatste druppel leeggeplunderd, waarbij ook de glazen hun bijdrage hadden geleverd. Voor de diverse festiviteiten was extra politiepersoneel ingezet en de verwachting was dat het op geweldsgebied wel rustig zou blijven. Met nog wat extra politietoezicht en een alcoholcontrole erbij kon er toch eigenlijk niets meer misgaan, zo leek de gedachte.
Maar de werkelijkheid heeft nu eenmaal de onhebbelijke gewoonte om zich niet aan onze planning te houden. Omstreeks 02.00 uur sloeg de vlam alsnog in de pan, alleen niet bij een van de evenementen, maar midden in de stad, waar iemand van de beveiliging van achteren op zijn hoofd werd geslagen. De dader was mij bekend en werd korte tijd later door de aangever en verschillende getuigen aangewezen. Hem dus maar als de wiedeweerga aangehouden. Van verzet of geweld tegen mijn collega en mij was geen sprake, al stonden wij op dat moment ook wel op een voor hem enigszins onverhoeds tijdstip voor zijn neus.
Weer een kerfje erbij op zijn geweldscv, maar of hij daar nu iets van opsteekt, is een heel andere vraag. Zijn verleden en heden lijken elkaar op dat punt namelijk weinig nieuws te vertellen. Misschien moet er bij deze man toch eens iets anders worden getuned, want wanneer iemand telkens opnieuw dezelfde fout maakt, kun je je afvragen of het bestaande recept nog wel de juiste ingrediënten bevat.
Ondertussen liepen de andere werkzaamheden gewoon door. Woninginbraken, aanhoudingen en allerlei vormen van maatschappelijk politiewerk wisselden elkaar af binnen het district waarin ik werkzaam was. Bij meerdere woninginbraken werden verdachten aangehouden en ook bij andere zaken werd door de collega's goed en naar behoren geacteerd. Als mensen eens wisten hoe snel wij tijdens zo'n dienst proberen daders aan te houden en misdrijven te stoppen, zouden sommigen zich misschien nog eens achter de oren krabben. Bij een spoedrit ruikt de dienstauto immers niet zelden naar burning rubber, en dat doen we doorgaans niet om de bandenleverancier aan extra omzet te helpen.
Toch waren het niet de woninginbraken of de geweldszaken die mij uit deze reeks nachtdiensten het meest zijn bijgebleven. De laatste nachtdienst begon rustig, maar vanaf 03.30 uur moesten we nog bij twee meldingen aantreden waarbij de menselijke hulpvraag veel groter bleek dan het strafrechtelijke belang.
De man die de diepvriezer niet meer vertrouwde
Bij de eerste melding ging het om een oudere heer die naar eigen zeggen last had van de airconditioning van zijn buren. Omdat het hinderlijke geluid maar niet ophield, was hij in de tegenaanval gegaan en had hij zijn radio in de slaapkamer tegen de muur van de buren gezet, waarna hij het volume kennelijk voldoende had opgeschroefd om ook hun nachtrust in de aanbieding te doen. Het resultaat was voorspelbaar: niemand sliep nog.
We belden bij hem aan en toen hij de deur opendeed, kreeg ik al snel een indruk van de situatie. Er was geen sprake van een strafbaar feit dat onze aandacht opeiste, maar wel van een intriest verhaal waarin noodzakelijke begeleiding en zelfs behoorlijke nachtkleding niet langer vanzelfsprekend leken. De man maakte een kwetsbare indruk en het was moeilijk te begrijpen hoe hij zijn dagelijkse leven nog zelfstandig kon organiseren.
Naar mijn oordeel was een andere woon- en begeleidingssituatie dringend noodzakelijk, maar zo'n verandering regel je in Nederland nu eenmaal niet door even een sleutel om te draaien. Er zijn procedures, instanties, beoordelingen en afspraken nodig, terwijl de mens om wie het allemaal draait ondertussen gewoon verder moet leven.
Dus gingen wij op zoek naar het zoemende geluid. Van boven naar beneden en van beneden naar boven, want wij dienders zijn van nature natuurlijk ook een soort zoemspecialisten. Je krijgt tijdens je loopbaan van alles op je bord, maar een nachtelijke zoektocht naar een verdachte diepvriezer hoort niet direct tot de onderdelen waarvoor je bij de politieopleiding een apart certificaat ontvangt.
Uiteindelijk vonden we de bron van alle ellende in de keuken. Het was de diepvriezer die stond te zoemen.
SSSSSSTTTTTT!
Op dat moment was de man het met ons eens en leek het probleem daarmee opgelost. Voor even, althans. Want wat gebeurt er wanneer wij weer vertrekken en het geluid later opnieuw zijn aandacht trekt? Hoe lang houdt zijn geheugen vast wat we hem hebben uitgelegd, zeker wanneer dementie of de gevolgen van een herseninfarct mogelijk een rol spelen? Op de keukenkast lagen medicijnen en afspraken met psychiaters en psychologen, maar papier op een kast is nog geen begeleiding aan huis.
Na de melding heb ik met het wijksecretariaat afgesproken dat we verder zouden inzoomen op de situatie, om te kijken welke ondersteuning mogelijk was en hoe het welzijn van deze man beter kon worden gewaarborgd.
Het zoemen was gevonden, maar daarmee was de werkelijke oorzaak van de ellende niet verdwenen.
Een inbraak zonder buit, maar met een hulpvraag
Omstreeks 06.00 uur werden we opnieuw bij een melding geroepen. Ditmaal zou er zijn ingebroken, maar er bleek niets gestolen en niets opengebroken te zijn. We kregen wel een verhaal te horen over wie er gebeld moest worden, alleen werd ons niet duidelijk waarvoor die persoon precies gebeld moest worden.
Ook hier trof ik iemand aan van wie de toestand en de manier van spreken vragen opriepen over de mogelijkheid om zelfstandig te blijven wonen. De gedachten sprongen van de hak op de tak en het verhaal was nauwelijks te volgen. Het was geen kwestie die je met een proces-verbaal of een vermanend woord kon oplossen, want daarvoor lag het probleem kennelijk veel dieper.
We hebben niet meteen de complete pillenfabriek nagetrokken om vervolgens met een diagnose onder de arm naar buiten te lopen. Dat is ons werk niet en daarvoor zijn andere deskundigen nodig. Maar je hoeft geen arts te zijn om te zien dat iemand mogelijk niet meer in staat is zijn eigen situatie goed te overzien en dat er iets moet gebeuren voordat het echt misgaat.
Alleen begint daar vaak het volgende hoofdstuk: wie neemt de verantwoordelijkheid, wie beoordeelt wat noodzakelijk is en wie zorgt ervoor dat de hulp niet bij een melding of een doorverwijzing blijft steken?
De politie kan signaleren, vastleggen, overleggen en aan de bel trekken. Maar we kunnen niet iedere keer opnieuw aanbellen om vast te stellen dat dezelfde problemen nog altijd bestaan. Er moet na onze constatering ook iemand zijn die de zorg daadwerkelijk oppakt.
Twintig uur op het toilet
Eerder die week moesten we bij een oudere, alleenstaande mevrouw de voordeur openbreken. Ze zat naar schatting al zo'n twintig uur op het toilet nadat zij door een herseninfarct was getroffen. Ze kon zich niet meer bewegen en was ernstig verstijfd. Het was een beeld dat je niet gemakkelijk van je netvlies krijgt: de mondhoeken omlaag, het lichaam niet meer in staat om te doen wat het hoofd misschien nog wel wilde.
Gelukkig was de thuiszorg ons voor geweest en hoefden wij alleen nog het grove breekwerk voor onze rekening te nemen. Ook moest het gas worden uitgezet van een pan waarin het water inmiddels drooggekookt was. Gelukkig stond er deze keer geen frituurpan op het vuur, want ook dat soort verrassingen hebben we in de loop der jaren al mogen meemaken.
De vrouw werd met spoed per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ik hoopte dat zij daar de noodzakelijke behandeling zou krijgen en voldoende zou herstellen om haar leven weer enigszins op de rails te krijgen, liefst met een sociaal vangnet dat beter bestand was tegen de kwetsbaarheid die bij ouder worden en ziekte kan ontstaan.
Maar wat als iemand niet meer zelfstandig kan functioneren, terwijl de omgeving dat niet op tijd ziet? Wat als er geen familie in de buurt is, de thuiszorg slechts op bepaalde momenten langskomt en de hulp pas op gang komt wanneer iemand niet meer in staat is zelf alarm te slaan?
Dan is een voordeur soms het laatste obstakel tussen leven en dood, en staat er toevallig een politieagent met een breekijzer voor.
Drie mensen, één ongemakkelijke werkelijkheid
Deze drie situaties zijn slechts een minuscuul voorbeeld van wat de Nederlandse samenleving de komende jaren te wachten staat. Gelukkig hoefde ik tijdens deze diensten niet te constateren dat mensen al weken eerder voor het laatst waren gezien en inmiddels vrijwel onopgemerkt in hun woning waren overleden. Ook zulke gevallen komen voor, en ze laten een kant zien van onze welvarende maatschappij die minder gemakkelijk in een folder over vooruitgang past.
We leven in een materialistische consumptiemaatschappij waarin steeds meer mogelijk lijkt, maar waarin mensen desondanks tussen de mazen van het sociale vangnet kunnen verdwijnen. We kopen, bouwen, vernieuwen en organiseren, terwijl een oudere buurman soms niet meer weet waar het gezoem vandaan komt en een alleenstaande vrouw urenlang hulpeloos op haar toilet kan zitten.
Iedere diender in Nederland kan duizenden vergelijkbare verhalen vertellen. Verhalen die zich niet altijd laten vangen in cijfers, registraties of een keurige rapportage, maar die wel iets blootleggen over de manier waarop we met kwetsbare mensen omgaan.
En dan kom ik bij een punt dat mij als politieman bezighoudt. De politie heeft een belangrijke taak wanneer iemand in nood verkeert, wanneer er gevaar dreigt of wanneer onmiddellijk optreden noodzakelijk is. We zijn er om te helpen, te beschermen en waar nodig op te treden. Maar de politie kan niet het sluitstuk worden van ieder probleem waarvoor elders geen plaats, tijd of oplossing beschikbaar is.
Wanneer wij nachtenlang moeten leuren om passende aandacht, begeleiding of huisvesting voor kwetsbare mensen geregeld te krijgen, gaat er iets mis in de aansluiting tussen politie en zorg. Niet omdat een agent zich te goed zou voelen om iemand te helpen, maar omdat hulp bieden iets anders is dan structurele zorg organiseren.
De eerste nood moet worden gelenigd, vanzelfsprekend. Daarna moet er echter een instantie zijn die de verantwoordelijkheid overneemt en ervoor zorgt dat de volgende nacht niet opnieuw dezelfde politiemensen bij dezelfde voordeur staan.
Want ondertussen wachten er ook slachtoffers van woninginbraken, worden geweldszaken gemeld en moet de politie haar andere wettelijke taken uitvoeren. Tijd is niet onbeperkt en mensen zijn dat evenmin. Je kunt een organisatie wel steeds meer taken toeschuiven, maar daarmee creëer je nog geen extra mensen, deskundigheid of capaciteit.
Daar heb ik eerder over geschreven en ik vrees dat ik er nog wel vaker op terug zal komen.
Van zoemtrauma naar TBS
Dan de krant van vandaag, waarin een artikel stond over Anders Breivik en de uiteenlopende psychiatrische beoordelingen die destijds rond zijn zaak naar buiten waren gekomen.
De ene beoordeling kwam tot de conclusie dat hij psychotisch was en daardoor mogelijk ontoerekeningsvatbaar moest worden geacht, terwijl andere deskundigen die conclusie niet deelden. In de berichtgeving werd onder meer betoogd dat zijn extreme politieke overtuigingen niet zonder meer het gevolg waren van een geestesziekte.
Dat verschil is van wezenlijk belang. Een afschuwelijke daad of een radicale overtuiging levert op zichzelf geen psychiatrische diagnose op. Evenmin betekent een psychiatrische diagnose automatisch dat iemand juridisch ontoerekeningsvatbaar is. Daarvoor zijn deskundige beoordelingen en uiteindelijk een rechterlijke beslissing nodig.
De vraag wat er met Breivik moest gebeuren, ging dan ook veel verder dan de vraag of hij levenslang gevangen moest blijven of dat een psychiatrische maatregel aan de orde was. Het ging ook over de bescherming van de samenleving, de verantwoordelijkheid van de dader en de manier waarop het recht omgaat met mensen die zeer ernstige misdrijven hebben gepleegd.
Welke beslissing er uiteindelijk ook wordt genomen, de gevolgen zijn ingrijpend en de kosten kunnen aanzienlijk zijn. Maar kosten alleen kunnen nooit de doorslag geven bij de vraag of iemand psychiatrische behandeling nodig heeft of een gevaar vormt voor anderen. Daarvoor zijn andere afwegingen nodig, gebaseerd op feiten, deskundigheid en de wet.
Toch raakt die discussie aan een bredere vraag die mij ook tijdens mijn politiewerk bezighield: hoe organiseren we zorg en veiligheid op een manier die zowel de samenleving als de betrokken persoon recht doet?
De rekening van onze keuzes
Als we het totale zorgpakket bekijken, wordt het hoog tijd om de juiste keuzes te maken. Niet door mensen die hulp nodig hebben simpelweg af te schrijven, maar door eerder te erkennen wanneer zelfstandig wonen niet meer verantwoord is, wanneer begeleiding tekortschiet en wanneer een andere vorm van zorg noodzakelijk wordt.
Soms moet je de sleutel inderdaad niet langer bij iemand laten liggen zonder te controleren of die persoon nog veilig met die verantwoordelijkheid kan omgaan. Maar de oplossing is niet om de deur dicht te gooien en vervolgens te doen alsof het probleem daarmee verdwenen is. Er moet een alternatief zijn, met passende begeleiding, een veilige woonomgeving en mensen die daadwerkelijk verantwoordelijkheid nemen.
Ook behandeling kent grenzen, maar wie bepaalt waar die liggen en op welke gronden? Dat zijn geen beslissingen die een politieman tijdens een nachtdienst tussen twee meldingen door kan nemen. Daarvoor zijn zorgprofessionals, wettelijke kaders en een samenleving nodig die bereid is haar verantwoordelijkheid onder ogen te zien.
De rekening van onze keuzes bestaat namelijk uit meer dan geld. Ze bestaat ook uit de uren waarin iemand onnodig alleen zit, uit de nachten waarin een kwetsbare oudere niet meer weet wat er gebeurt en uit de momenten waarop hulp pas verschijnt wanneer het al bijna te laat is.
En soms bestaat die rekening uit een politieman die midden in de nacht een diepvriezer aanwijst en probeert uit te leggen dat het geluid uit de keuken komt.
Dat is misschien een klein probleem, vergeleken met geweld, zware criminaliteit of een zaak als die van Breivik. Maar voor die oudere man was het op dat moment zijn hele wereld.
En daar begint voor mij de werkelijke vraag over zorg en verantwoordelijkheid: niet hoeveel een probleem kost wanneer het eenmaal is geëscaleerd, maar hoeveel menselijk leed we hadden kunnen voorkomen als we eerder hadden gezien wat er werkelijk aan de hand was.
Naschrift: De man met het zoemtrauma wist mij tijdens onze zoektocht ook nog te vertellen wat het verschil is tussen een psychiater en een psycholoog. Een psychiater is arts en heeft zich gespecialiseerd in de psychiatrie; een psycholoog heeft een andere opleiding en kan niet op grond van die titel alleen medicatie voorschrijven. Dat wist u uiteraard allang.
Maar het was wel bijzonder dat juist deze man, die op dat moment zo'n kwetsbare indruk maakte, mij die uitleg kon geven. Mensen zijn nu eenmaal niet altijd wat je op het eerste gezicht denkt te zien.
En gelukkig maar, want ik ben ook geen dokter, nietwaar?





