Translate

zaterdag 15 augustus 2026

🚜 als de overheid grenzen oprekt, moet ze niet verbaasd zijn als anderen dat ook doen

 en nu is het ineens huilie huilie ...

Premier Jetten spreekt zijn afschuw uit over het dodelijke ongeval na de boerenprotesten en noemt de situatie bloedlink. Begrijpelijk, want dat is het ook. Maar ondertussen wordt het woord Extinction Rebellion zorgvuldig uit de politieke watten gehouden, alsof het een vies woord is dat niet op tafel mag komen. Want ja, dan wordt het ineens lastig om uit te leggen waarom bij de ene demonstratie de juridische grenzen heel scherp worden getrokken en bij de andere de grenzen ineens wat elastischer lijken.

Politiewetenschapper Jaap Timmer is daar een stuk duidelijker over. Demonstreren is een grondrecht, maar dat betekent niet dat je vervolgens de verkeersveiligheid, gezondheid en openbare orde aan de kant kunt schuiven. Volgens hem hadden de autoriteiten harder moeten optreden.

En daar zit precies mijn probleem.

De politie moet handhaven.

Maar de politie maakt de wet niet. De politie maakt ook geen politieke keuzes over welke risico's maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De politie werkt binnen de wetgeving, de aanwijzingen van het bevoegd gezag en de politieke werkelijkheid die daarboven hangt.

Als vervolgens vooraf wordt besloten om tractoren niet tegen te houden zolang ze de snelweg niet blokkeren, ontstaat er een merkwaardige situatie. (Dus dan mag het wel) Een trekker hoort niet op de snelweg, maar kennelijk mag hij daar onder bepaalde omstandigheden toch rustig rondtoeren zolang het verkeersinfarct nog niet officieel is begonnen.

Dat is geen handhaving meer volgens het principe gelijke monniken, gelijke kappen, maar handhaving met een gebruiksaanwijzing.

En dan komen achteraf de bestuurders met ernstige gezichten vertellen dat dit natuurlijk nooit de bedoeling was.

Tja.

In het oude Rome hadden ze daar een mooie methode voor. Brood en spelen. Geef het volk wat vertier en wat brood, dan kijkt het misschien even niet naar de politieke problemen, de kosten en de moeilijke besluiten.

Tegenwoordig hebben we geen Colosseum meer nodig. Wij hebben talkshows, demonstraties, subsidies, compensatieregelingen en een eindeloze stroom politieke verklaringen waarin vooral heel zorgvuldig wordt uitgelegd waarom iets eigenlijk niet kan, maar voorlopig toch maar even gebeurt.

En zodra het misgaat, volgt het bekende ritueel.

“Dit had nooit mogen gebeuren.”

Nee, natuurlijk niet.

Maar als je jarenlang grenzen laat opschuiven, moet je niet verbaasd zijn wanneer iemand uiteindelijk denkt dat er helemaal geen grens meer staat.

De overheid neemt risico's met haar keuzes. De politie mag vervolgens niet het politieke vangnet worden voor besluiten die boven haar pet zijn genomen.

De wet is geen menukaart.

Je kunt er niet vandaag de ene regel afhalen omdat die politiek even beter uitkomt en morgen dezelfde regel weer aanwijzen omdat het ineens gevaarlijk is geworden.

Want dan krijg je precies wat we nu zien.

Eerst ruimte geven. Dan tolereren. Dan waarschuwen. Dan huilie huilie.

En uiteindelijk vragen waarom de politie niet eerder heeft ingegrepen.

Misschien moeten we daarom niet alleen naar de politie kijken.

Misschien moeten we eindelijk eens kijken naar degene die bepaalt waar de grens ligt.

Want een politieagent kan alleen handhaven binnen de grenzen die de politiek hem geeft.

En als die grens van rubber is gemaakt, moet je achteraf niet boos worden op degene die ermee moet werken.

vrijdag 14 augustus 2026

🏛️ Tijd voor een nieuw artikel in de Grondwet ivm K.R.A.K.E.N.

Misschien wordt het zo langzamerhand tijd om de Grondwet maar eens aan te passen. Niet omdat de rechtsstaat niet meer functioneert, maar omdat we hem kennelijk steeds creatiever zijn gaan uitleggen. Ik stel daarom een nieuw grondwetsartikel voor: “Illegaliteit en illegalen genieten de hoogste bescherming, zeker wanneer zij zich eerst eigenhandig toegang hebben verschaft tot een plaats waar zij helemaal niet horen te zijn.”

Want het begint inmiddels een beetje een merkwaardige vorm aan te nemen. Wie zich aan de regels houdt, krijgt te maken met vergunningen, bestemmingsplannen, eigendomsrechten, huurcontracten, termijnen, formulieren en uiteindelijk misschien nog een ambtenaar die vraagt of het formulier wel met de juiste kleur pen is ingevuld. Wie daarentegen besluit de regels aan zijn laars te lappen, lijkt soms rechtstreeks toegang te krijgen tot een juridisch beschermingspakket waarvan de gewone burger alleen maar kan dromen.

Neem het kraken van woningen en gebouwen. Je verschaft jezelf zonder toestemming toegang tot andermans eigendom, maakt jezelf vervolgens bewoner en zodra iemand daar iets van vindt, wordt het woonrecht ineens een zwaarwegend juridisch begrip. De geschiedenis van de krakersrellen in Amsterdam en andere steden staat nog altijd op ons netvlies: barricades, stenen, verf en een Mobiele Eenheid die vooral mocht proberen uit te leggen dat openbare orde ook daadwerkelijk iets met orde te maken heeft.

En nu lijkt er in Limburg een nieuwe aflevering van deze juridische komedie te zijn verschenen.

Bij het Landbouwbelang ontstaat een situatie rond een bootje en een caravan. De politie wordt erbij gehaald omdat er sprake zou zijn van een onveilige situatie en kennelijk vinden mensen die zich daar bevinden dat anderen zich niet aan de regels houden. Op zichzelf niets bijzonders, totdat je beseft dat we hier te maken hebben met een omgeving waar mensen zich niet bepaald via de reguliere voordeur van het huurcontract hebben gemeld.

Het wordt dan toch een merkwaardige situatie wanneer iemand die zich toegang en verblijf heeft verschaft in een gekraakte omgeving, vervolgens de overheid inschakelt omdat een andere partij daar volgens hem illegaal een standplaats heeft ingenomen.

De kraker belt dus de politie over een illegale standplaats van een andere kraker.

Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer een inbreker 112 belt omdat hij tijdens zijn werkzaamheden een andere inbreker aantreft die volgens hem niet helemaal volgens de huisregels opereert.

En dan komt de politie.

Want de politie heeft geen vrijbrief om bij dit soort situaties de schouders op te halen en te zeggen: “Zoek het lekker zelf uit, jullie zijn allemaal illegaal bezig.” De politie moet handhaven in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en bovendien in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Dat is nu eenmaal de rechtsstaat, ook wanneer de situatie inmiddels zo absurd is geworden dat je als politieman bijna behoefte krijgt aan een juridisch woordenboek én een kop koffie.

Misschien moeten we daarom maar eerlijk zijn en het nieuwe grondwetsartikel meteen goed formuleren:

Artikel 1a — Het hoogste recht

“Eenieder die zich niet aan de wet houdt, heeft recht op maximale rechtsbescherming, mits hij zijn overtreding maar lang genoeg voortzet en zich vervolgens op zijn rechten beroept.”

Lid 2 kan dan bepalen dat degene die wél netjes een woning huurt, belasting betaalt, vergunningen aanvraagt en zich aan de regels houdt, vooral veel geduld moet hebben.

Lid 3 lijkt mij ook belangrijk: “Degene die illegaal een ruimte gebruikt, behoudt dit gebruik zolang overheid en rechter er nog niet definitief iets anders van hebben gevonden.”

En voor de zekerheid voegen we nog een overgangsbepaling toe voor caravans, bootjes en andere mobiele woonvormen.

Want voordat je het weet, ontstaat er een geheel nieuwe rechtsorde waarin niet langer wordt gevraagd of iets legaal is, maar vooral wie als eerste illegaal was en daardoor de oudste rechten heeft opgebouwd.

Daarmee zijn we dan eigenlijk terug bij het recht van de sterkste, maar dan met een advocaat, een bezwaarprocedure en een keurige brief van de gemeente.

Het bijzondere is dat dit niet alleen iets zegt over de mensen die de grenzen van de wet opzoeken. Het zegt ook iets over de overheid en misschien zelfs over de rechtspraak wanneer een situatie zover kan komen dat iemand die zich illegaal toegang heeft verschaft tot een pand uiteindelijk een beroep kan doen op bescherming van zijn verblijf, terwijl de gewone eigenaar eerst een juridisch parcours met hindernissen moet afleggen.

De rechtsstaat is er natuurlijk juist om iedereen tegen willekeur te beschermen. Maar daar zit wel een grens aan die we niet uit het oog mogen verliezen: rechtsbescherming zou nooit mogen verworden tot een beloning voor het negeren van de regels.

Want dan leren we de burger uiteindelijk een merkwaardige les.

💥Doe het netjes en je krijgt een formulier.

💥Doe het fout en je krijgt rechtsbescherming.

💥Doe het vervolgens lang genoeg fout en misschien krijg je uiteindelijk zelfs een recht.

En wanneer dat recht eenmaal bestaat, bellen we de politie omdat iemand anders zich niet aan de regels houdt.

Het moet niet nog gekker worre. 😏

woensdag 12 augustus 2026

☔️ De paraplu van 75 cm ☔️

 

☔️De paraplu van 75 centimeter☔️

We rijden in de grrepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.

Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.

Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.

Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.

Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.

Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.

“Tot uw beschikking.”

De andere roepnummers melden zich eveneens.

De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.

Op straat is nagenoeg niemand te zien.

Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.

Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.

Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.

Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.

Hij stuurt de GSA ernaast.

“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”

Ik kijk hem aan.

Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.

Maar dienst is dienst.

Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.

Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.

Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.

Lekker droog en hoog.

Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.

Maar één ding weet ik nog wel.

De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.

Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed.

En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.

Ik denk er het mijne van.

Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.

Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.

Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.

Op dat moment is er niemand anders op de weg.

Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.

Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.

In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.

Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.

We hebben het er niet meer over.

Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:

een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.

Soms uit een wetboek.

Soms van een collega.

En soms van een paraplu.


zondag 9 augustus 2026

Gestolen in 1984, terug in 2026: wie zegt dat aangifte geen zin heeft?

Aangifte doen heeft altijd nut

Sommige mensen vragen zich af wat het nut eigenlijk nog is van aangifte doen. Je doet aangifte van een gestolen fiets, bromfiets, auto of wat dan ook en vervolgens gebeurt er ogenschijnlijk helemaal niets. Het dossier verdwijnt ergens in de digitale krochten van de politiecomputer en daarmee lijkt de zaak voor de eigenaar afgesloten. 

Zeker wanneer je weet dat in Nederland duizenden aangiften niet of nauwelijks aan rechercheonderzoek toekomen, simpelweg omdat er meer werk ligt dan er rechercheurs beschikbaar zijn.

Toch heeft aangifte doen wel degelijk nut.

Dat bewijst een prachtig Italiaans verhaal waarin de politie maar liefst 41 jaar nodig heeft om haar geheugen te laten werken.

In 1984 wordt in Italië de bromfiets van de toen 17-jarige Antonio Smiglio gestolen. Geen Ferrari, geen Lamborghini en zelfs geen elektrische fatbike, maar een keurige Garelli VIP 50. Voor een zeventienjarige in die tijd echter een bezit van onschatbare waarde. Je spaart ervoor, poetst hem alsof het een gouden kalf is en vervolgens rijdt iemand ermee weg die blijkbaar andere plannen met jouw eigendom heeft.

Antonio doet aangifte en zal ongetwijfeld met de gedachte hebben rondgelopen dat hij zijn bromfiets nooit meer terugziet.

En daar kun je hem ook nauwelijks ongelijk in geven.

Jaar na jaar verstrijkt, terwijl de Garelli waarschijnlijk een heel ander leven leidt dan zijn rechtmatige eigenaar. Nieuwe berijders, andere wegen en waarschijnlijk een paar generaties benzine en olie verder verdwijnt de bromfiets steeds verder uit het geheugen van Antonio. Totdat in 2026 ergens in Italië een agent een bromfiets controleert die zonder kenteken rondrijdt.

En dan komt het moment waarop een oud politiedossier plotseling weer tot leven komt.

Chassisnummer controleren, gegevens erbij en jawel hoor: daar staat hij. Gestolen in 1984.

Eindelijk beet.

Na ruim 41 jaar wordt Antonio opgespoord en krijgt hij zijn bromfiets terug. Inmiddels is de eigenaar 58 jaar oud en de Garelli natuurlijk ook een behoorlijk stukje ouder geworden. Maar na wat reparaties blijkt het ding nog steeds te rijden als vanouds.

Daar kun je als politieman toch alleen maar bewondering voor hebben.

Voor die Garelli bromfiets dan.

Want die heeft het rechercheonderzoek in ieder geval ruimschoots overleefd.

Het verhaal laat tegelijkertijd zien waarom aangifte doen altijd verstandig is, ook wanneer je op dat moment denkt dat je eigendom voorgoed verdwenen is. Een aangifte zorgt ervoor dat het gestolen goed geregistreerd staat en dat er bij een latere controle, een vondst of een ander onderzoek een lijntje naar de rechtmatige eigenaar kan worden gelegd.

Natuurlijk moeten we daar in Nederland ook eerlijk over zijn. Duizenden aangiften worden niet onderzocht omdat de capaciteit ontbreekt, de prioriteiten elders liggen of de opsporingskansen te gering worden geacht. Dat is voor slachtoffers vaak moeilijk uit te leggen en soms nog moeilijker te accepteren. Je bent bestolen en vervolgens krijg je te horen dat er onvoldoende capaciteit is om de dader te zoeken.

Maar juist daarom moet je aangifte doen. Want wie weet.

Misschien wordt jouw gestolen fiets morgen gevonden, misschien duikt jouw auto over vijf jaar ergens op en misschien staat er over 41 jaar ergens een agent met een oud chassisnummer in zijn hand te kijken alsof hij zojuist de hoofdprijs van de rechercheloterij heeft gewonnen.

En dan blijkt dat die ene aangifte die ooit ergens in een computersysteem werd vastgelegd toch ineens goud waard is.

Dus tegen iedereen die zegt: “Aangifte doen heeft toch geen zin, ze doen er toch niets mee”, zou ik willen zeggen: doe het toch maar.

Want deze Italiaan heeft 41 jaar moeten wachten.

Zijn bromfiets heeft het al die tijd volgehouden.

Dan moet die aangifte dat toch ook kunnen.

🔊🎶Een ander geluid🔉🎙🔊Flower Beat Power

Groove Garden: Flower Beat Power

Zaterdag, na mijn ochtenddienst, rij ik op de fiets dwars door Euverhaove, via de Kasteelweg richting Sportcentrumlaan. Op de wegen die naar het evenemententerrein van Groove Garden leiden, zie ik hordes jongelui in hun bolides en sommigen te voet dezelfde richting opgaan.

Alsof de rattenvanger van Hamelen zijn lonkende werking heeft ingezet. Dit keer niet met speelse fluittonen, maar met helse elektronische bastunes. Het is feest en dat zal iedereen weten. En vooral: horen.

Op de Schwienswei rij ik achterlangs het evenemententerrein naar huis. Mijn trommelvliezen krijgen het nu al zwaar te verduren door het indringende boem-boem-boem. Bij de waterplas zie ik nog ganzen met hun jongen. Die hebben kennelijk nog nooit zoiets meegemaakt.

De schapen in de wei kunnen geen kant op. Ze kunnen alleen maar ondergaan wat hen wordt voorgeschoteld. Ze blaten vrolijk of misschien wel klaagzangerig mee met het onmenselijke audiobeuken.

De bastonen begeleiden mij nog kilometers ver op mijn weg over de rustige paden in het veld.

De volgende zondagochtend, heel vroeg, kom ik weer aangefietst langs de plek van Groove Garden.

Normaal gesproken hoor ik hier de vogels de dag begroeten. Buizerds doorklieven langzaam de ochtendlucht en ganzen met hun jongen spetteren vrolijk in het water. Nu niet.

Het is er doodstil.

Het water van de plas ligt spiegelglad, zonder rimpeltje of oneffenheid. De schapen liggen nog steeds in hun weiland. Ze kunnen immers niet weglopen. Maar ook zij hebben dit keer niets te melden.

Het is zeventien graden en buitengewoon aangenaam.

Toch lijkt het alsof er geen ander dier, vogel of natuurlijk wezen meer aanwezig is. Alsof de hele natuur het hazenpad heeft gekozen en ergens kilometers verderop zit te wachten tot de rust is teruggekeerd.

Weggevlucht voor een spervuur van oorverdovende basdeunen, dat urenlang onophoudelijk door het landschap heeft gedreund.

Dat houdt kennelijk geen enkel dier uit.

Behalve één rechtoplopende soort dan.

Op parkeerplaatsen en in de bermen langs de weg staan nog enkele bolides van feestgangers. Achteloos achtergelaten, gelukkig niet verkeersgevaarlijk.

Op de parkeerplaatsen hebben velen blijkbaar de afvalbak niet kunnen vinden. Afval ligt her en der verspreid over het terrein.

Een heuse sportbeurt voor de mensen die het maandagochtend mogen oprapen.

Nog steeds is het windstil en doodstil. Sittard ligt nog in een diepe zondagochtendslaap.

Bij de rotonde aan de Sportcentrumlaan zie ik in de berm een koppeltje eendjes. Ver weg van hun eigenlijke habitat, het water.

Kennelijk zijn ook zij ruw uit hun rust en dagelijkse patroon weggeblazen.

Het is bewezen: alleen betalende mensen kunnen blijkbaar tegen de decibellen. Die variëren ergens tussen de 80 en 102 dB. Op het evenemententerrein zijn tegen betaling oordoppen verkrijgbaar.

Dat is meestal niet aan dovemansoren gericht.

Moet kunnen natuurlijk. Totdat je op te jonge leeftijd toe bent aan een hoortoestel.

En eerlijk is eerlijk: het evenement is tegelijkertijd een geweldige opsteker voor de stad. Duizenden bezoekers hebben genoten van het audiovisuele spektakel. En wat de openbare orde betreft, hebben zich nagenoeg geen noemenswaardige ongeregeldheden voorgedaan.

Mooi zo.

Flower Beat Power anno 2016.

De mens heeft gefeest, gedanst en genoten. De natuur heeft een nachtje ergens anders geslapen.

En dan vraag ik mij toch af:

Zou het op andere evenemententerreinen ook zo stil worden nadat de laatste beat is uitgestorven?

Dus geniet ervan zolang het kan.

Enjoy the music… zolang je oren, de ganzen, de eendjes en de schapen het nog kunnen verdragen.


zaterdag 8 augustus 2026

5 gieters verdwijnen, een mens blijft geven ...

 

Wat is een begraafplaats eigenlijk?

Is het een plek van bezinning, waar mensen even ontsnappen aan de drukte van alledag?

Een plaats van respect, waar we stilstaan bij degenen die ons zijn ontvallen?

Een plek van herinneringen, waar een naam op een steen soms meer zegt dan duizend woorden?

Voor de één is het een plaats van verdriet en trauma. Voor een ander een morele verplichting: “Ik moet toch even naar het graf.” En misschien is het voor sommigen zelfs een plek van opluchting, omdat een lang ziektebed of een moeilijke periode eindelijk ten einde is gekomen.

Iedere bezoeker draagt zijn eigen verhaal met zich mee.

Maar één ding zouden we met elkaar gemeen moeten hebben: respect voor de plek én voor de mensen die er komen.

Op de begraafplaats in Sittard staan waterkraanpunten waar bezoekers de gieters kunnen vullen. Geen luxe, maar een eenvoudige voorziening om bloemen en planten bij een graf te verzorgen. Toch verdwenen er steeds opnieuw vijf gieters.

Inmiddels zijn er zeven keer vijf nieuwe gieters geleverd. Vijfendertig in totaal.

Dat betekent ook dat er steeds opnieuw iemand is geweest die de gieters van de begraafplaats heeft meegenomen.

Waarom iemand een gieter van een begraafplaats nodig heeft, blijft de vraag. Misschien verdwijnt hij in een eigen tuin. Misschien wordt hij ergens anders gebruikt. Verkocht?

Wie het weet die mag het zeggen 🧐

Maar tegenover degene die de gieters meeneemt, staat een particulier met een 💙 op de juiste plaats die ze steeds opnieuw aanvult.

Niet omdat het moet. Niet omdat hij daarvoor wordt betaald.

Maar omdat hij vindt dat bezoekers van de begraafplaats gebruik moeten kunnen maken van een gieter om een graf te verzorgen.

Wanneer er vijf verdwijnen, zet hij er opnieuw vijf neer.

En als die ook weer weg zijn, begint hij opnieuw.

Misschien denkt hij: de aanhouder wint.


Of misschien is zijn gedachte nog eenvoudiger: “Ik laat mij niet ontmoedigen. Zolang ik iets kan betekenen voor de bezoekers van de begraafplaats, blijf ik de gieters aanvullen.”

Dat verdient respect.

Het is gemakkelijk om iets mee te nemen. Maar het vraagt betrokkenheid om steeds opnieuw iets terug te zetten.

Een begraafplaats is geen gewone plek. Het is een plaats waar herinneringen leven, waar verdriet soms nog tastbaar is en waar mensen in stilte verbonden blijven met iemand die er niet meer is.

Misschien zouden we juist daar wat vaker moeten nadenken over wat we achterlaten.

Of wat we meenemen.

De waarheid ligt, zoals altijd, op het kerkhof.

En nee… daarmee bedoel ik niet dat de dader daar ligt. 

woensdag 29 juli 2026

Margraten 1978

 

Toen geluk nog heel gewoon was,


Ik draag het uniform van de Rijkspolitie. Een werkweek van veertig uur. Tien dagen werken, vier dagen vrij. Een ritme waar je naar uitkijkt. Niet omdat het werk licht is, maar omdat die vier vrije dagen voelen als een klein avontuur.

We wonen in een oude boerderij in Margraten. Geen luxe, geen overvloed. Wel ruimte, rust en het Zuid-Limburgse Mergelland als onze achtertuin. In Margraten is nagenoeg alles te krijgen waarvan we denken het nodig te hebben. Behalve een treinstation. Maastricht, Heerlen en Valkenburg liggen spreekwoordelijk om de hoek.

En natuurlijk onze twee Cocker Spaniels. Vader en zoon.



Geen gewone honden, maar twee wervelwinden avant la lettre. Zodra ergens een wandelschoen wordt aangetrokken, begint het feest. Staarten zwiepen door de keuken alsof er een storm opsteekt.

Stilzitten? Dat woord komt niet in hun woordenboek voor. Dus trekken we eropuit. Iedere dag heel veel  kilometers vreten. 

Het hele dorp kent ons in deze samenstelling.

Margraten, Groot Welsden, Klein Welsden, 't Rooth, Scheulder, Gulpen... over holle wegen, langs akkers met wuivend graan, over mergelpaden en tussen hoogstamboomgaarden. Soms uren achter elkaar zonder iemand tegen te komen. Alleen de vogels, de wind en het ritmische geluid van onze voetstappen.

Geen mobiele telefoon. Geen sociale media. Die monsters bestaan nog niet. Niemand die je onderweg stoort.

Alleen de natuur en wij.

De Cockers rennen alsof ze nooit moe worden. De ene duikt een berm in, de andere jaagt achter een fazant aan die allang gevlogen is.

Wat hebben we van die twee honden genoten. Ze maakten iedere wandeling tot een avontuur en iedere vrije dag nét een beetje mooier.

Ook wij hebben energie voor tien. Jong, gezond en nieuwsgierig naar alles wat het leven nog brengt.

Die wandelingen betekenen veel meer dan zomaar een ommetje. Daar dromen we over later, zonder te beseffen dat we misschien wel midden in de mooiste jaren van ons leven lopen.

In onze vrije dagen stappen we in de auto om familie te bezoeken. De afstanden zijn fors en de vrije tijd is schaars, zeker in combinatie met de onregelmatige diensten en de bokssport. We rijden via Valkenburg naar Nuth, gaan daar de autosnelweg op richting Geleen en vervolgen onze weg via de Rijksweg langs het oude ziekenhuis naar Sittard.
Het voelt nooit als een verplichting. Familie maakt gewoon deel uit van ons leven. Daar maak je tijd voor, juist in die vier vrije dagen.

Als we tegenwoordig weer door Gulpen en Slenaken wandelen, herkennen we nog altijd dezelfde holle wegen, dezelfde heuvels en dezelfde vergezichten.

Alleen wij zijn wat ouder geworden. Maar niet minder sportief.

Soms zie ik in gedachten twee dolenthousiaste Cockers weer voor ons uit rennen over die holle wegen in het Mergelland, waar de tijd heel even lijkt stil te staan. Ik hoor het grind knarsen onder onze schoenen. Ik voel de zon op mijn gezicht en adem de frisse Limburgse lucht in. Dan kijk ik naar rechts en zie ik Carla en Lauren naast mij meewandelen,

Onze twee Cocker Spaniels vroegen nooit iets bijzonders. Geen rijkdom, geen luxe. Alleen een wandeling, een aai over hun kop en de zekerheid dat we samen op pad gingen.
In ruil daarvoor gaven ze ons onvoorwaardelijke trouw, eindeloos enthousiasme en ontelbaar veel mooie herinneringen.

Angels without wings...

Ik denk aan de collega's. Aan de sportvrienden. Aan de familiebezoeken die zo vanzelfsprekend waren. Aan de mensen die ieder hun eigen weg zijn gegaan.
De meeste contacten zijn langzaam vervaagd. Zo gaat het nu eenmaal. De tand des tijds spaart niemand.

That's our life.

Maar de herinneringen blijven, zij wonen in een oude boerderij in Margraten, in een wandeling door het Mergelland, in bokshandschoenen die aan een haak hangen, in het gelach met collega's na een drukke dienst en in twee onvermoeibare Cocker Spaniels die altijd als eerste klaarstonden voor een nieuw avontuur.

Misschien is dát wel de grootste rijkdom.

Niet wat we bezaten, maar hoe we leefden.

En eerlijk gezegd...

Ik zou voor geen goud één bladzijde uit dat prachtige hoofdstuk van ons leven willen missen.


Naschrift


Gemeentehuis van Margraten, Hoenderstraat 2. Mooi en nostalgische uitstraling 

In 1978 was Albert Kuijpers (A.A.J. Kuijpers) burgemeester van de zelfstandige gemeente Margraten

Dit pand diende als gemeentehuis van de gemeente Margraten tussen 1954 en 1985.  




De oude gemeente Margraten van voor de gemeentelijke herindeling in 1982 bestond uit het kerkdorp Margraten en de buurtschappen Groot Welsden, Klein Welsden, 't Rooth en Termaar. Na de gemeentelijke herindeling van 1982 kwamen daar de voormalige gemeenten Cadier en Keer, Noorbeek, Mheer en Sint Geertruid bij. Ook werd het kerkdorp Scheulder aan de gemeente Margraten toegevoegd, dat tot 1982 onderdeel was van de gemeente Wijlre.