Translate

maandag 21 september 2026

Kabinet, gebruik in hemelsnaam een oortje ..


De politie draagt al jaren een oortje met directe verbinding naar de meldkamers. Direct en zakelijk to the point.

De Algemene Politieke Beschouwingen brengen mij terug in de tijd, naar mijn jaren als wijkagent en naar de manier waarop ik toen met verdeelde aandacht en twee typevingers mijn werk deed.

Tijdens de debatten, de twee dagen na Prinsjesdag, viel mij op hoeveel bewindslieden vooral, tijdens het spreken van een ander op hun telefoon zaten te kijken. Ik vroeg me af wat daar allemaal gebeurde. Misschien waren coaches, fractiemedewerkers en ingehuurde deskundigen op kosten van de belastingbetalers wel naarstig op zoek naar antwoorden, feiten of een gevatte vervolgvraag.

Of een gevatte kwinkslag om iemand publiekelijk belachelijk te maken.

Ik denk dan bij mezelf: leg dat ding toch even weg en kijk de spreker aan. Gewoon uit fatsoen. Ook als je het inhoudelijk nauwelijks met hem of haar eens bent.

Want ook ik zat als wijkagent regelmatig achter een scherm of ik was bezig in een van de vele wijken. Alleen kwam dat meestal nádat ik iemand eerst zijn verhaal had laten doen. Tegen een aangever of melder zei ik dan: “Nu gaan we uw aangifte of melding op papier zetten.” letterlijk op papier schrijven in het publieke domein, concept heette dat en dat met mijn hanen gekriebel!

Bij burenproblemen kon er vervolgens een complete doos van irritatie, ergernis en oude koeien uit de sloot worden opengetrokken. Soms kwamen er zelfs onhandelbare excessen voorbij. Meestal legde ik de pen dan meteen weg. Eerste beluisteren of het probleem des politie was of een verwijzing. Omdat mensen vertrouwen hadden in hun wijkagent, probeerden ze mij ook regelmatig voor ieder denkbaar civiel of andersoortig karretje te spannen. Ik kreeg het daardoor steeds drukker en drukker.

Op een gegeven moment zat ook mijn tijd aan zijn grens. Dan kaatste ik de bal terug: “Maak van uw probleem maar een mail aan mij. Zet alles wat u belangrijk vindt daarin.”

Dan kreeg ik soms casussen van tig kantjes. Alles erop en eraan. Bij bestudering bleek vervolgens regelmatig dat een deel helemaal geen politiewerk was, maar civielrechtelijk of iets voor een andere instantie of netwerkpartner. 

Ik knipte en plakte de informatie zo veel mogelijk onaangetast in ons systeem en besprak of stuurde het door naar de juiste partners. Of ik maakte een eind aan de illusie dat uw wijkagent het wel ff snel zou oplossen. Voordeel voor mij, nauwelijks typewerk en een casus die minuscuul uitgedokterd en beschreven was.

Deze aanpak leverde mij zeeën van tijd op. Bovendien had de melder  ondertussen zijn verhaal nog eens helemaal op papier gezet. Soms was dat bijna een herbeleving van alles wat hem  dwarszat. Of een herbezinning als ik niet meeging in zijn of haar vraag of verzoek.

Natuurlijk was niet iedereen daar blij mee. Mijn clientèle was ongeveer fiftyfifty: vijftig procent tevreden en vijftig procent ontevreden. Ik zei nu eenmaal waar het op stond en schoof verantwoordelijkheden niet zomaar richting politie. Toch heb ik, voor zover ik dat zelf mag beoordelen, in mijn wijken een goede naam behouden.

Eerst de mens, dan het scherm. Dat was voor mij de volgorde. Dat geldt voor de wijkagent, maar misschien net zo goed voor de volksvertegenwoordigers in alle rangen en standen.

Misschien is dat ook waarom ik bij de Tweede Kamer soms het gevoel krijg dat er iets wezenlijks verloren gaat: het luisteren naar elkaar.

Vragen en antwoorden lijken soms al duizend keer te zijn voorgekauwd. Hetzelfde vaste riedeltje wordt opnieuw opgediend. En nog een keer. En nog een keer. Tot vervelens toe. Men praat tegen elkaar, maar de indruk ontstaat dat men nauwelijks nog mét elkaar praat.

Ondertussen wordt de tent verbaal vakkundig afgebroken en vliegen de verwijten over en weer. En van diezelfde burger wordt vervolgens verwacht dat hij of zij elkaar met respect tegemoet treedt, naar elkaar luistert en vooral ook visie toont.

Dat vind ik op zijn minst opmerkelijk.

Het bracht mij bij een film met William Hurt, Broadcast News. Hij speelt daarin een journalist die tijdens interviews via een oortje voortdurend informatie krijgt aangereikt. Hij weet daardoor gewiekste vragen te stellen en blijft ondertussen ogenschijnlijk uitstekend geïnformeerd.

Misschien moeten we dat systeem in Den Haag maar invoeren. Kabinet, gebruik een oortje. Dan kan de denktank geruisloos het werk doen en kunnen de Kamerleden ondertussen gewoon de spreker aankijken. Zakelijk ipv persoonlijk als adagium. Meerderheden kweken door fatsoen, eerlijkheid en respect naar elkaar toe ...

Uiteraard heb ik het daarmee niet over de richting en inhoud van de gesprekken van dit minderheidskabinet. Dat is weer een heel andere discussie. In een zg slangenkuil,

De foto dan, daarmee wordt mijn hele verhaal eigenlijk in één plaatje samengevat.

Over het democratisch proces van miljoenen kiezers die stemmen op bewindslieden, die elkaar daarna omarmen maar ook stevig uitsluiten, om een coalitie te smeden. Alsof zij daarmee de intenties van hun kiezers dienen ...


woensdag 16 september 2026

Extinction Rebellion wees gewaarschuwd of toch niet?

Voor de één het CJIB, voor de ander een waarschuwing?

Weer ligt de A12 in Den Haag eruit. Op 13 september blokkeerde Extinction Rebellion opnieuw de Utrechtsebaan. De actie was niet aangekondigd. De burgemeester gaf opdracht de blokkade te beëindigen en uiteindelijk hield de politie 38 actievoerders aan. Volgens de politie was het merendeel van hen twee weken eerder ook al aangehouden en had die groep toen een waarschuwing gekregen. 

Als oud-wijkagent kijk ik daar met een iets andere blik naar dan iemand die alleen de beelden op televisie ziet.

Ik zie namelijk ook de politieman en -vrouw die daar staan. Zij krijgen de opdracht om een blokkade te beëindigen, moeten mensen van de rijbaan halen, aanhouden en vervolgens hun administratie op orde brengen. Dat doen zij niet omdat zij toevallig iets tegen XR hebben, maar omdat er een besluit ligt en omdat een snelweg nu eenmaal geen wandelpad of demonstratieterrein is.

De politie zegt zelf dat demonstreren op een snelweg onaanvaardbare risico's met zich meebrengt en dat het demonstratierecht geen vrijbrief is om herhaaldelijk een weg te blokkeren.

Daar kan ik als oud-politieman heel goed inkomen.

Maar dan komt voor mij de volgende vraag: wat gebeurt er ná die aanhouding?

Want de gewone burger kent het systeem maar al te goed. Een verkeersovertreding kan via een proces-verbaal bij het CJIB belanden en daar staat vervolgens geen vriendelijke uitnodiging voor een kop koffie in. Het CJIB int jaarlijks enorme aantallen feitgecodeerde zaken; de boetebedragen worden door het OM vastgesteld. 

En juist daarom ontstaat bij mij enige wrijving wanneer iemand keer op keer bewust dezelfde grens opzoekt en de consequentie daarvan niet altijd direct duidelijk is.

Ik zeg nadrukkelijk niet dat XR boven de wet staat. Dat zou feitelijk onjuist zijn.

Sterker nog, de rechter heeft onlangs zes mensen veroordeeld voor het blokkeren van een snelweg tijdens een XR-demonstratie. Zij kregen ieder 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. 

De rechtbank benadrukte daarbij dat het demonstratierecht een essentieel grondrecht is, maar dat het opzettelijk blokkeren van een snelweg daarmee niet automatisch wordt toegestaan. 

Daarmee ligt de juridische werkelijkheid dus genuanceerder dan de krantenkop misschien doet vermoeden.

Maar mijn zorg gaat ergens anders over.

Hoe houden we het vertrouwen van de gewone burger in stand wanneer die het gevoel krijgt dat regels niet voor iedereen hetzelfde uitpakken?

Als wijkagent heb ik jarenlang geprobeerd mensen uit te leggen waarom bepaalde regels bestaan. Soms waren mensen het daar absoluut niet mee eens. Dat hoefde ook niet. Een politieagent is er niet om iedereen tevreden naar huis te sturen. Hij moet de regels handhaven, ook wanneer degene tegenover hem daar een andere mening over heeft.

En daar zit voor mij de steun aan de hedendaagse politie.

Geef die politieman en -vrouw duidelijke grenzen én duidelijke rugdekking.

Laat hen niet iedere keer opnieuw tussen demonstratierecht, openbare orde, politiek en publieke verontwaardiging worden gemanoeuvreerd. Als een burgemeester een blokkade laat beëindigen, moet de politie dat kunnen uitvoeren. Als iemand opnieuw dezelfde grens overgaat, moet vervolgens helder zijn wat daarvan de juridische consequentie is.

Niet omdat XR geen recht heeft om te demonstreren. Dat recht moet juist worden beschermd.

Maar omdat rechtsgelijkheid óók een grondwaarde van onze rechtsstaat is.

Voor mij is daarom niet de vraag of XR een elite is. Daarvoor is geen feitelijke basis.

De veel interessantere vraag is:

Waarom moet de gewone burger soms geloven dat regels keihard zijn, terwijl bij burgerlijke ongehoorzaamheid kennelijk eerst uitgebreid moet worden uitgezocht waar de grens precies ligt?

Voor de één een waarschuwing.

Voor de ander een envelop van het CJIB.

Dat verschil hoeft juridisch misschien helemaal niet zo groot te zijn als het op straat voelt. Maar als het vertrouwen van mensen erdoor wordt aangetast, hebben we wel een probleem.

En daar mag je als oud-wijkagent best eens iets van vinden.

Bronnen: politie.nl over de A12-blokkades van 29 augustus en 13 september 2026; Rechtspraak.nl over de veroordelingen van 9 september 2026; Openbaar Ministerie over verkeershandhaving en boetebedragen; CJIB over de afhandeling van feitgecodeerde zaken. 

Aanhouding, Inbraak op heterdaad met hulp van maglite

Het is ongeveer 32 jaren geleden. De politie draagt de blauwe broek en de witte hemden en we dragen de Walther P5 als dienstwapen. Het is de tijd dat ik nog nachtdiensten draai – in mijn oude kloffie – op een midsummernacht. Buiten is het stil, het is laat of eigenlijk is het heel erg vroeg, net nog voor het ochtendgloren. De meeste normale mensen doen hun ding, d.w.z. ze liggen onder de wol en slapen of proberen hele dikke boomstammen door te zagen met een enorme ronkende kracht. 

We zijn met een paar patrouilles onderweg deze nacht. Het is buiten te mooi om binnen te blijven zitten. De bureaucratie in deze tijden is nog goed uit te houden. Op dat punt liggen de huidige perikelen rondom de Nationale Politie nog in het verschiet. Een idee-fixe. Ik bedoel hiermee niet het hondje van Obelix, Idefix genaamd! 

Destijds wordt er een idee geopperd om provinciale politie in te voeren. De reorganisatie van 1993 heeft dan al vele haken en ogen en loopt niet gesmeerd. Het is een voorbode met vele politieke bijlagen en ombuigingen. De politieregio's zijn dan nog nagenoeg autonoom in doen en handelen. 

Ik kan me van deze lang geleden nachtdienst niet veel andere zaken meer herinneren. Wellicht zitten die nog in mijn grijze hersenmassa verscholen, wie zal het zeggen. Ik kan me nog de drie collega's herinneren met wie ik de nachtdienst heb gedraaid. Een is al lang geleden oneervol ontslagen. Een integriteitsvraagstuk dat opgedoemd is tijdens een lopend onderzoek, helaas. Ook dat komt voor. Dan wordt diep in eigen vlees gesneden. 
Enfin dit terzijde. 

We krijgen een melding van een heterdaad inbraak. De meldkamer stuurt ons aan naar een woning in het centrum, een groot herenhuis dat spic en span is opgeknapt en in oude luister is hersteld. Zoals zo vaak kunnen we het huisnummer niet traceren. Zouden mensen daarop bezuinigen? Lastig voor de hulpverlening als elke seconde telt en de politie op heterdaad boeven wil vangen of mensen wil helpen. 

In de directe omgeving stappen wij, broeders en zusters van de familie Blue – nachtdienstploeg – snel uit onze stalen bolides. We rennen naar de opgegeven locatie. Ik ren niet vooraan mee, maar in de middenmoot, waar het uit- en overzicht beter is. Deze straat, eigenlijk meer een steeg, heeft een aantal appartementen in een groot herenhuis gehuisvest. 

Diverse collega's rennen langs een raam van dit appartementencomplex met hun onverwoestbare Maglite lampen, met een felle witte, verspreidende gloed, in de aanslag. 

Ik ren ook langs, maar dan zie ik plots uit een van mijn ooghoeken een gevoelsmatige oneffenheid of schim opdagen, waarna mijn alarmbelletjes hard beginnen te rinkelen. Ik kijk om en zie in een hoofdbeweging dat er een groot gat in de ruit zit. Versere schade is onmogelijk, want buiten liggen diverse glassplinters als op een maagdelijke witte deken uitgestald. I2n een van mijn knuisten heb ik mijn ijzeren maatje, de Maglite-lamp, vast. 

Ik rem mijn lichaam af en slip met mijn schoenzolen mee in de slipstream van losliggende kiezels van de oprit naar dit amechtige herenhuis. Ik behoud mijn evenwicht en slip lekker mee met de rollende kiezelsteentjes. In dezelfde beweging schakel ik mijn Maglite aan. Ik dacht al een figuur te ontwaren, echter het is meer dan een gevoelsmatige, spookachtige schaduw. De stralenbundel verraadt een woonkamer met meubels, een lage kast en een televisie. Als aan de grond genageld kijkt iemand recht in de loop – ik bedoel hiermee de geconcentreerde stralenbundel – van de Maglite. Dat verblindende licht blijft als een mitrailleur onophoudelijk afvuren op alles in de woonkamer.  

Ook een menselijk object – Tussaud zelf – staat daar als aan de grond genageld, met de geroofde spullen nog in zijn handen, die hij pardoes laat vallen. Betrapt is hij op heterdaad voor de volle 100%. Zijn ogen zijn verblind door toedoen van mijn heetgebakerde Maglite. Zijn lichaam wil niet meer vluchten. Zijn verzet is gebroken. Je bent erbij, kip, ik heb je en meer van dergelijke superlatieven bedenk ik mij in een ijltempo. 

Het raam staat half geopend. Ik moet snel binnenklimmen om bij de inbreker te komen. Uiteraard roep ik mijn collega's op, die abrupt afremmen en mijn kant op komen rennen. De woning is op de begane grond en is overzichtelijk en gelijkvloers. De instap doe ik heel snel en sportief van lijf en leden. Ik duw de geforceerde ruit verder open en klim naar binnen. In a split of a second ben ik bij de inbreker en pak hem snel vast, overmeester hem en deel hem mede dat hij is aangehouden.

Dan blijkt ons dat de verdachte alleen is. Een kleine tunnelvisie heeft zich dan al bij mij opgedrongen, maar is mij nog net niet de baas. Ik blijf koel en berekenend. Ik sla hem in de boeien zonder tegenspartelen of verzet. Dan schijnen mijn collega's een lichtje bij. 

Overal ligt bloed in de woonkamer. De inbreker heeft bij het inslaan van de ruit zijn handen beschadigd en bloedt als een rund. Ik draag op dat moment geen handschoenen of andere bescherming die overdraagbare ziektes eventueel een halt kunnen toeroepen. 

Mijn collega's waarschuwen mij voor het bloed. Ik heb hem dan al geboeid. Ik kijk en zie dat ook mijn handen onder het bloed zitten. De ziekte HIV maakt op dat moment een ware funeste rage door. Later aan het bureau was ik snel mijn handen en ontsmet mijn grijs-grauwe, met een rode bloedtint doordrenkte handboeien. Waarom heb ik dat niet in de woning gedaan waar ingebroken is! Jeetje, stom hé. Maar dat is achteraf geouwehoer. 

De inbreker is een junk die ik, maar ook mijn collega's, al vaak betrapt hebben. Je zou hem een draaideurcrimineel kunnen noemen. In de woning is verder niemand aanwezig. Dat heeft de inbreker bij zijn kraak kennelijk ook geroken. Zo goed als mogelijk dichten we het kapotgegane raam i.v.m. zaakwaarneming. 

De inbreker wordt voorgeleid en is afgestraft op een wijze die in Nederland alledaags is. Of de inbreker is voorgeleid bij de rechter of in het voortraject met een taakstraf is tegemoetgekomen, dat weet ik allang niet meer. Ik denk het laatste met eventueel een bezwerende vinger van de rechter.

Dat maakt mij ook niets uit. Mijn collega's en ik hebben de straten en het publieke domein weer een stukje veiliger gemaakt. Niet dat iemand iets gemerkt heeft van dit prima politieoptreden, want iedereen ligt nog steeds te slapen of zo. 

Mijn collega's en ik brengen de bureaucratie in overeenstemming met strafvordering nog een flinke typ-slag toe.

Ps: Ik had mijn altijd betrouwbare, onverwoestbare ijzeren maatje, de Maglite, in mijn knuist. Over die lamp deden destijds de wildste verhalen de ronde. Er zou zelfs een exemplaar vanaf grote hoogte uit een helikopter zijn gegooid, waarna het ding gewoon weer dienstdeed. Of dat verhaal helemaal waar was, weet ik niet, maar wij vertrouwden die Maglite blindelings. Bijna, of gevoelsmatig helemaal, een volwaardige collega. 👍👊💙

donderdag 10 september 2026

De kaarsjes brandden nog steeds

Een maand na het dodelijke zinloze geweld in Sittard, in juni 2012, sta ik deze avond opnieuw op de plek waar het drama zich heeft afgespeeld. Wat mij daar treft, is dat mensen kennelijk niet zijn vergeten wat andere mensen hier hebben aangericht.

Op de plek van de foto's zijn heldere, sprankelende lichtpunten aangebracht, weliswaar in de vorm van kaarsen en waxinelichtjes, maar dan toch. Het oogt er bijna vredig en sereen. Een paar mensen staan er rustig en ingetogen bij te mijmeren, ongetwijfeld met eerbied en met het verdriet van familie, nabestaanden en vrienden van het slachtoffer in hun gedachten.

Een paar meter verderop, op de Markt, speelt zich ondertussen een heel ander tafereel af. Drie cafés puilen uit van de mensen en ook de terrassen zitten vol. De zweem van de kaarsen en waxinelichtjes lijkt vanaf de onheilsplek bijna contact te zoeken met de Markt en het uitgaanspubliek.

Althans, zo spinde zich bij mij die gedachte af.

Ik hoopte op rust en piëteit, maar niets is misschien zo vergankelijk als het menselijke geweten en het vermogen om te vergeten. Drank, drugs en een flinke dosis overmoed kunnen bij sommige mensen kennelijk genoeg zijn om het gezonde verstand tijdelijk buiten werking te stellen. Een soort egoïsme dat wat mij betreft uit het menselijke DNA ontkloond zou mogen worden. U merkt het, ik ben toch een beetje sciencefiction-minded.

Mijn eerdere column over cameratoezicht en zinloos geweld kwam eveneens bij mij op. Camera's kunnen achteraf helpen bij het vinden van een dader, maar voorkomen niet dat geweld plotseling ontstaat.

Dat zou deze nacht opnieuw blijken.

Omstreeks 02.00 uur krijgen mijn collega en ik een melding van een medewerkster van een café op de Markt. Er is ruzie geweest en de situatie blijft volgens haar explosief. Haar houding spreekt boekdelen en haar angst is duidelijk zichtbaar.

Binnen is het mudjevol. Hier en daar liggen krukken en andere voorwerpen omver, maar het uitgaanspubliek lijkt zich daar weinig van aan te trekken. De medewerkster wijst ons op een man in de rokersruimte, een soort aquarium maar dan zonder water. In zo'n ruimte hoef je volgens mij geen sigaret meer op te steken, want je geniet er sowieso mee van de verwerpelijke dampen en giftige uitstoot van tabaksbladeren.

Bah, wat vies.

De man heeft een bebloed gezicht, bebloede handen en een bebloede handdoek voor zijn gezicht. Hij lijkt één van de betrokkenen bij de ruzie en vechtpartij te zijn. We verzoeken hem mee naar buiten te gaan, hetgeen zonder problemen verloopt. Buiten proberen we zijn identiteit vast te stellen en maken we enkele notities. Inmiddels is ook politieassistentie gearriveerd.

De rust lijkt teruggekeerd.

Totdat ik plotseling vanuit mijn ooghoek een schim van een persoon in een licht hemd voorbij zie vliegen. Het volgende moment krijgt de man van wie ik de gegevens aan het noteren ben een keiharde klap in zijn gezicht, waardoor hij pardoes vanaf zijn stoel achterover slaat en onzacht op de straatklinkers terechtkomt.

De enige mogelijkheid in deze superheterdaadsituatie is om de 'voorbijvlieger' aan te houden.

Pas dan zie ik wie het is.

Onder normale omstandigheden ken ik hem als een aimabel mens, maar op dit moment lijkt hij door een verkeerde grote wesp te zijn gestoken. Hij heeft kennelijk even alle redelijkheid verloren, maar beseft vrijwel onmiddellijk dat hij verkeerd heeft gehandeld en laat zijn aanhouding zonder verder morren over zich heen komen.

Gelukkig, want als hij zich tegen de politie had verzet, hadden personen uit zijn groep zich mogelijk met de situatie kunnen bemoeien en was de korte uitbarsting zomaar verder geëscaleerd.

Het slachtoffer wordt eveneens aangehouden, omdat tegen hem aangifte is gedaan door een andere betrokkene.

En zo levert een paar seconden zinloos geweld opnieuw uren politie-inzet op.

Tot ongeveer 04.00 uur blijf ik op de Markt aanwezig, mede vanwege de preventieve werking. Het uitgaanspubliek schuift aan mij voorbij en de cafés blijven vol. Toch plaats ik vraagtekens bij het steeds maar toelaten van zwaar beschonken mensen. Het kortdurende gewin kan uiteindelijk zomaar omslaan in overlast, geweld en een slechte naam voor het uitgaansgebied.

Tevreden met iets minder, maar wel comfortabel, plezierig en veilig. Of heb ik nu weer een waanidee?

Wanneer ik na 04.00 uur opnieuw langs de plek van het dodelijke geweld kom, branden de kaarsjes nog steeds.

Een paar meter verderop gaat het feest door.

Hier brandt de herinnering.

Na mijn nachtdienst mag ik overigens nog even door, want in een wijk vindt opnieuw zinloos geweld plaats. Ook daar wordt de dader opgepakt en met de nodige Salduz-liefde ingepakt en afgeleverd aan het politiebureau.

Elke dag weer opnieuw is het uitkijken voor werk en aandacht op ons politieparcours. Vaak mooi en vaak een uitdaging ...


vrijdag 4 september 2026

Bewijs dat u geen robot bent

Ergens moet het allemaal begonnen zijn met een mens die dacht: dat moet gemakkelijker kunnen. Een nieuwsgierige uitvinder die niet tevreden was met hoe de wereld werkte en zich afvroeg of elektriciteit, beweging, licht of een andere natuurkracht niet zo kon worden gebruikt dat de mens er iets aan had. Gelukkig maar, want zonder die nieuwsgierigheid zaten we nu waarschijnlijk nog met een kaars naast de krant en mochten we zelf de koffiebonen fijnstampen. Alhoewel, sommige mensen zouden dat tegenwoordig waarschijnlijk weer duurzaam noemen.

Daar komt Magnus (comic strip) om de hoek kijken.

Magnus, de Robot Fighter, verscheen in 1963 en leefde in een toekomst waarin robots een groot deel van het menselijke leven hadden overgenomen. Werken, vervoeren, bewaken en allerlei andere taken werden door machines uitgevoerd. Magnus zag daarin niet alleen een leger metalen tegenstanders, maar vooral een mens die zijn eigen kracht en zelfstandigheid dreigde kwijt te raken.

En dus vocht Magnus.

Niet omdat iedere robot slecht was, maar omdat hij vond dat de mens mens moest blijven. Sterk, zelfstandig en in staat om zichzelf te redden wanneer de machine het een keer liet afweten.

Als je daar vandaag naar kijkt, wordt die oude strip ineens verdacht actueel. Wij hebben inmiddels geen robot nodig die ons letterlijk komt vertellen wat we moeten doen. We hebben een smartphone die onthoudt waar we zijn, een navigatiesysteem dat vertelt waar we heen moeten, een algoritme dat bepaalt wat we op internet te zien krijgen en kunstmatige intelligentie die inmiddels kan schrijven, rekenen, analyseren, adviseren en gezellig met ons kan kletsen.

Over robotmaaiers gesproken.

Daar hebben we misschien wel de meest onschuldige robotveroveraar van allemaal rondrijden. Vanuit zijn eigen kleine cave komt hij tevoorschijn zodra hij vindt dat het gazon weer aandacht nodig heeft. Geen koffie, geen pauze, geen vakantie, geen cao en vooral geen discussie over arbeidsomstandigheden. Hij rijdt zijn rondjes en maait alles wat boven de door de mens ingestelde grens uitkomt.

Een grasspriet van vier centimeter? Overtreding. Een paardenbloem die het waagt zijn kop boven het maaiveld uit te steken? Geen pardon.

Een stukje gras dat zich niets aantrekt van de menselijke behoefte aan een strak gazon? Binnen de kortste keren verdwenen. De robotmaaier heeft geen hekel aan de natuur. Hij heeft alleen een opdracht. En daar zit misschien precies de clou.

De mens heeft machines gemaakt die geen eigen mening nodig hebben om hun werk uitstekend te doen.

Dat geldt inmiddels ook voor drones. Die vliegen boven bosbranden om hulpdiensten te helpen zien waar het vuur zich verspreidt, worden ingezet bij zoekacties en politiewerk en kunnen plaatsen bereiken waar een mens moeilijk of gevaarlijk kan komen. Tegelijkertijd zien we in oorlogen hoe dezelfde technologie verandert in een instrument voor verkenning en vernietiging. Eén technisch wonder, verschillende toepassingen, afhankelijk van de mens die aan de knoppen zit.

Want hier komt George Orwell weer binnenlopen.

Orwell waarschuwde in zijn boek met de titel 1984 gepubliceerd in 1949 niet voor een robotmaaier die zijn gazon te kort knipt, maar voor een samenleving waarin macht, informatie, toezicht en taal gebruikt kunnen worden om mensen te beïnvloeden en te controleren. Dat is een ander soort robotisering. 

Niet de machine die het lichaam overneemt, maar de mens die langzaam zijn eigen oordeel uit handen geeft.

En dat is misschien wel de interessantste robot van allemaal. De mens die zelf gaat functioneren als een robot.

Niet omdat hij van staal is gemaakt, maar omdat hij alleen nog maar doet wat hem wordt verteld. Niet meer nadenkt, niet meer twijfelt en vooral niet meer vraagt waarom. Gewoon de opdracht uitvoeren, de juiste knop indrukken en vervolgens tevreden vaststellen dat iedereen hetzelfde heeft gedaan.

Magnus zou daar waarschijnlijk behoorlijk zenuwachtig van worden.

Hij vocht immers tegen robots om de mens vrij en zelfstandig te houden, terwijl wij tegenwoordig vrijwillig allerlei systemen binnenhalen die voor ons denken, onthouden, zoeken, rijden, maaien, communiceren en zelfs onze koffie zetten.

Ja, zelfs de koffie.

Mijn eerste bak wordt tegenwoordig door een machine gezet. Ik hoef alleen nog maar op een knop te drukken en even later staat daar het zwarte levenselixer klaar. Als Magnus dat had gezien, had hij waarschijnlijk niet eens zijn vuisten gebald. Hij had eerst gewoon een kop koffie genomen.

En daar komt nog een wonderlijke uitvinding bij: de elektrische step en zijn forse evenknie, de fatbike.

De mens heeft miljoenen jaren benen ontwikkeld om zich voort te bewegen en heeft daarna een elektromotor bedacht om die benen vooral zo weinig mogelijk te hoeven gebruiken. De elektrische step brengt ons zonder noemenswaardige inspanning naar de overkant van de straat en de fatbike ziet eruit alsof hij rechtstreeks uit een poolexpeditie komt, terwijl hij in de praktijk ook uitstekend geschikt is om met elektrische ondersteuning een stukje verderop een broodje te halen.

Magnus zou waarschijnlijk vragen waar onze benen gebleven zijn.

We zouden hem uitleggen dat ze er nog wel zitten, maar dat ze tegenwoordig vooral handig zijn om op de step te blijven staan.

En zo wordt de wereld langzaam een merkwaardige combinatie van gemak, techniek en afhankelijkheid. Tesla gaf ons mogelijkheden die zijn tijd ver vooruit waren, Magnus waarschuwde voor een mens die door machines afhankelijk zou worden, Orwell waarschuwde voor controle over informatie en het menselijk denken, The Terminator maakte er in 1984 een nachtmerrie van waarin machines uiteindelijk hun eigen oorlog tegen de mens voeren en wij zitten in 2026 rustig tussen de koffie, drones, AI, smartphones, elektrische fietsen en robotmaaiers.

Daarbij hoeven we helemaal niet bang te zijn voor iedere nieuwe uitvinding. Integendeel. Technologie kan levens redden, mensen helpen, gevaarlijk werk overnemen en ons mogelijkheden geven waarvan vorige generaties alleen maar konden dromen.

Maar misschien moeten we af en toe wel even stoppen met vragen wat de machine allemaal voor ons kan doen en ons afvragen wat wij zelf nog willen blijven doen.

Want als een machine voor ons rijdt, vliegt, rekent, schrijft, zoekt, maait, koffiezet en denkt, blijft er uiteindelijk één belangrijke taak over.

Zelf nadenken.

En zelfs dat kunnen we tegenwoordig uitbesteden.









Als de werkelijkheid sneller gaat dan de wetgeving

Het incident in Overasselt roept terecht vragen op over de verharding binnen de criminele wereld. Maar bij mij roept het ook een andere vraag op: hoe ver durven wij als overheid nog te denken wanneer de werkelijkheid sneller verandert dan onze wetgeving?

Als iets niet letterlijk bij wet is geregeld, lijkt tegenwoordig al snel de conclusie te zijn dat er dus niets kan of mag. Daar ben ik het niet mee eens. Niet omdat de politie buiten de wet moet gaan opereren, integendeel. Juist niet. Maar omdat er binnen bestaande bevoegdheden, wetmatigheden en rechtsbeginselen vaak meer ruimte zit dan we denken.

De politie hoeft niet bij ieder nieuw maatschappelijk probleem te wachten totdat Den Haag er een nieuw wetsartikel voor heeft geschreven. De werkelijkheid houdt zich daar immers ook niet aan. Criminelen vragen geen toestemming aan de wetgever voordat zij nieuwe methoden, technieken of samenwerkingsverbanden bedenken.

Blijf dus vooral kleuren binnen én op de randen van het bestaande juridische kader. Niet om de wet te omzeilen, maar om de bedoeling ervan serieus te nemen. Menselijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en maatschappelijke veiligheid zijn óók onderdelen van onze rechtsstaat.

Daarbij kunnen politie en OM juist door nieuwe werkwijzen, zorgvuldig gemotiveerd optreden en toetsing door de rechter nieuwe jurisprudentie laten ontstaan. Niet iedere nieuwe situatie hoeft onmiddellijk in een apart wetsartikel te worden dichtgetimmerd. We hebben wetten genoeg; het probleem is soms eerder dat we ze te letterlijk en te voorzichtig gebruiken.

En als blijkt dat bestaande wetgeving werkelijk tekortschiet, dan moet de wetgever bijstellen. Niet omdat de werkelijkheid zich aan de wet moet aanpassen, maar omdat goede wetgeving de werkelijkheid moet kunnen blijven volgen.

Zelfs het EVRM is geen museumstuk. Ook daar hoort een voortdurende zoektocht bij naar de juiste balans tussen individuele rechten en de veiligheid van de samenleving. Rechtsontwikkeling hoort immers bij een levende rechtsstaat.

Misschien komt mijn gedachte hierover ook ergens anders vandaan.

Jaren geleden tijdens mijn RID periode, woonde ik in hartje Londen een lezing bij van Scotland Yard. Een van de onderwerpen was het toen steeds radicaler wordende Animal Liberation Front. Activisme dat inmiddels ver over de grens van demonstreren en protesteren heen was gegaan. Ondergronds werden zelfs mensen vastgeketend aan zware machines, met het doel dat zij bij het verplaatsen ervan zouden worden meegesleurd of verpletterd. Fanatisme kent blijkbaar ook een ondergrens waar je vervolgens gewoon doorheen kunt zakken.

Maar wat mij van die lezing vooral is bijgebleven, was iets anders. De spreker was bepaald geen liefhebber van bibliotheken die uitpuilden van de wetboeken. Hij zei, vrij vertaald:

Het gaat niet alleen om welke wetten je hebt, maar vooral om wat je ermee doet en hoe je ze inzet.

Die zin is mij nooit meer ontschoten.

Misschien is dat precies waar we vandaag opnieuw naar moeten kijken. We hoeven niet voor ieder nieuw maatschappelijk of crimineel verschijnsel een nieuwe wet te bouwen. We hebben inmiddels genoeg wetboeken om menig boekenkast door zijn hoeven te laten zakken.

Wat we nodig hebben, is het vermogen om bestaande wetgeving mee te laten bewegen met een veranderende werkelijkheid. Soms door anders te kijken, soms door grenzen opnieuw te verkennen en soms door een wettelijke bepaling zorgvuldig te finetunen.

Want wetgeving hoort geen mausoleum te zijn waarin oude bedoelingen keurig geconserveerd liggen. Het is gereedschap. En gereedschap is pas waardevol als je weet wanneer je welke sleutel, hamer of schroevendraaier moet pakken.

Daarbij blijft voor mij één ding overeind: niet buiten de rechtsstaat treden, maar binnen de rechtsstaat blijven zoeken naar ruimte om haar doel te bereiken.

De samenleving verandert. Criminaliteit verandert. Technologie verandert. Dan mag onze manier van kijken naar wetgeving dat ook doen.

Niet méér wetten om onze onzekerheid te bedekken.

Wel beter gebruikmaken van de wetten die we al hebben. En waar het echt nodig is: een kleine aanpassing aan de werkelijkheid van vandaag.

Want uiteindelijk gaat het inderdaad niet om hoeveel wetboeken er in de kast staan.

Het gaat erom wat je ermee doet.

woensdag 26 augustus 2026

Overlast Bie Zefke (hae krig de sjoud)

Ik lees het artikel over Bie Zefke en moet eerlijk zeggen dat ik er toch even bij blijf hangen. Een jaar geleden was de verhuizing naar de Odasingel nog aanleiding voor de nodige onrust. Omwonenden maakten zich zorgen. Er kwamen informatieavonden, een petitie en uiteindelijk zelfs juridische procedures. De verwachte overlast lag blijkbaar behoorlijk zwaar op de maag.

Een jaar later blijkt het allemaal nogal mee te vallen. Uit de evaluatie komen slechts geringe incidenten naar voren. In het afgelopen halfjaar was er maar één melding bij de gemeente.

Er wordt wel melding gemaakt van dealen op de parkeerplaats aan de Henri Weltersstraat. Politie en gemeente zijn daarvan op de hoogte. Maar uit het artikel blijkt niet dat dit door bezoekers van Bie Zefke wordt veroorzaakt. Ook wordt het niet als bewijs aangevoerd voor de grote overlast waar vooraf zo voor werd gevreesd.

Prima toch?

Maar terwijl ik het artikel lees, denk ik ook: hoe consequent zijn we eigenlijk in Sittard als het om overlast gaat?

Want zet de kalender er maar eens naast.

Groove Garden komt eraan. De kermis strijkt weer neer in de stad. Daarna hebben we de Oktoberfeesten. En dan zijn er nog de nodige andere evenementen waarbij duizenden mensen naar Sittard komen.

Veel mensen betekent veel verkeer. Veel geluid. Veel drukte. Een biertje hier en daar. Soms nog eentje. En natuurlijk blijft er na afloop het nodige achter. Bekers, blikjes, verpakkingen en andere rommel. De straten en pleinen zien er na zo'n evenement soms uit alsof de halve stad er een feestje op heeft gevierd.

Maar daar hebben we gelukkig de reinigingsdienst voor.

Die mannen en vrouwen mogen voor dag en dauw aan de slag om de stad weer toonbaar te maken. Terwijl de feestvierders hun roes uitslapen, worden de sporen van een nachtje Sittard weggepoetst.

En niemand die daar vervolgens spreekt over een ernstige aantasting van de leefbaarheid.

Integendeel.

De evenementen leveren de stad aanzien op. Ze trekken bezoekers. Ze zijn goed voor de horeca en de ondernemers. En uiteindelijk levert het de stad ook gewoon geld op.

Kijk, dan wordt overlast ineens een stuk gemakkelijker te accepteren.

En daar zit voor mij precies de vreemde tegenstelling in het verhaal rond Bie Zefke.

Als het om een inloophuis gaat, kijken we kritisch naar de mensen die er komen en naar wat zij mogelijk voor overlast kunnen veroorzaken. Als het om een groot evenement gaat, kijken we vooral naar hoeveel mensen erop afkomen en wat het de stad oplevert.

Natuurlijk moeten we overlast gewoon aanpakken. Of die nu wordt veroorzaakt bij Bie Zefke, tijdens Groove Garden, de kermis of de Oktoberfeesten. Daar lijkt mij weinig discussie over mogelijk.

Maar misschien moeten we ook eens eerlijk zijn over onze eigen meetlat. Want blijkbaar is niet iedere overlast hetzelfde.

Overlast die geld oplevert, noemen we een evenement. En overlast van het verkeerde pluimage noemen we een probleem. Dat is toch op zijn minst een opmerkelijke constatering.


Bron: Paul Dolhain, ‘Nauwelijks incidenten in eerste jaar Bie Zefke op nieuwe locatie’

vrijdag 21 augustus 2026

De mens bepaalt de grens

De mens bepaalt de grens

Daar heb je weer zoiets.

De mens bepaalt de grens van het land. De maten van het dier. Wel of niet invasief. Welkom of niet welkom. Beschermd, bedreigd, uitheems, inheems. Alles krijgt een hokje, een etiket en uiteindelijk een regel.

Maar ondertussen vliegen, kruipen, zwemmen en wandelen er iedere dag allerlei soorten naar, door en over ons kleine kikkerlandje.

Een land dat inmiddels grotendeels is volgebouwd, bestraat en volgezet met verkeersborden, hekwerken, wegen en andere menselijke uitvindingen die de natuur vooral duidelijk maken dat zij zich aan ons heeft aan te passen.

En dan gaan wij onderzoeken wie hier eigenlijk welkom is.

De mens en de asielkwestie even daargelaten.

Want wij vliegen ondertussen met een vliegtuig, voorzien van een reusachtige CO₂-afdruk, naar de andere kant van de wereld. Daar plukken we bekans alles wat flora en fauna te bieden heeft kaal. Een plantje hier, een diertje daar en als het even kan nemen we het mee naar Nederland.

En dan komt de regel- en ontregelfabriek in het touw.

Die bepaalt wat mag.

En vooral wat niet mag.

Voor reptielen en amfibieën is het trouwens nog opmerkelijker. Daar bestaat momenteel nog geen huis- en hobbydierenlijst voor. Volgens de overheid mag je die dieren daarom in beginsel houden, tenzij andere regelgeving het verbiedt. Bijvoorbeeld omdat het om een beschermde soort of een invasieve exoot gaat.

Want stel je voor dat een dier zelfstandig de Nederlandse grens passeert zonder formulier, vergunning of Europese goedkeuring.

Dat kunnen we natuurlijk niet hebben.

De natuur trekt zich daar overigens geen ene moer van aan.

Die kent geen landsgrenzen, geen bestemmingsplannen en geen ambtenaren met een stempel.

Een slang weet niet dat hij volgens de Nederlandse regelgeving eigenlijk niet welkom is. Een vogel heeft geen paspoort. Een kikker vraagt geen verblijfsvergunning aan. En een zaadje dat met de wind meekomt, heeft al helemaal geen idee dat het volgens ons een invasieve exoot kan worden.

Maar wij weten het allemaal precies.

Wij zijn immers de mensheid.

De soort die de aarde eerst volbouwt, de natuur in kaart brengt, vervolgens bepaalt welke soorten hier mogen leven en daarna miljarden regels bedenkt om de gevolgen van ons eigen handelen weer in goede banen te leiden.

Tja.

Lang leve de mensheid.

Op weg naar het heelal.

Maar eerst even controleren of die slang wel op de juiste lijst staat.

Bron:

L1 Nieuws, Twee ontsnapte slangen in korte tijd: welke reptielen en amfibieën mag je in Nederland houden? L1 Nieuws

donderdag 20 augustus 2026

💥Van wapentuig naar een vuurwerkinleverbus

Ik heb veel ontwikkelingen bij de politie meegemaakt. Maar deze staat ongeveer in de top twee.

De andere is het paaltje dat de politie moest vertellen wie er gefouilleerd zou gaan worden. Een lampje gaf aan wanneer iemand volgens het systeem gecontroleerd moest worden, zodat willekeur en etnisch profileren konden worden voorkomen. Het bewuste paaltje is na wijs beraad inmiddels weer uit het verkeer genomen.

Maar goed, daar gaat het nu niet over.

Toen ik het bericht las over de Limburgse inleverbus voor vuurwerk, moest ik meteen terugdenken aan de jaren tachtig, toen ik bij de Rijkspolitie achter de planton zat. Dat waren nog eens tijden. Geen digitale aangifte, geen apps en geen formulieren die eerst door drie systemen moesten voordat iemand wist wat er eigenlijk aan de hand was. Je zat achter de planton en daar kwam van alles binnen.

Ook toen waren er acties waarbij mensen wapens konden inleveren in het kader van een generaal pardon. Veel wapens lagen in die tijd nog op zolders en in schuurtjes, stille getuigen van de Tweede Wereldoorlog. Spullen die ooit waren meegenomen, verborgen of simpelweg waren blijven liggen en waarvan niemand precies wist wat ermee moest gebeuren.

Op een dag kwam er iemand bij mij achter de planton met een automatisch geweer.

Daar kwamen drie grote magazijnen bij, keurig verpakt in vetvrij papier en volledig ingevet. Niet bepaald het soort spul waarvan je dacht dat iemand het toevallig tijdens het opruimen van de zolder was tegengekomen en vervolgens dacht: laat ik dit maar eens bij de politie afgeven.

Het was allemaal nog direct gebruiksklaar.

Afdrukken.

Pang.

En daar bleef het niet bij. Bij dat generaal pardon werden op de politiebureaus behoorlijk wat wapens en wapentuig ingeleverd.

Zonder afspraak. Je liep gewoon een politiebureau binnen. Ook dat was toen volkomen normaal. Politiebureaus waren gewoon geopend en de burger kon naar binnen lopen. Tegenwoordig is dat bijna nostalgie.

En dan lees ik nu over een inleverbus voor vuurwerk.

Ik vraag mij dan toch even af uit welke duim zoiets komt.

Ongetwijfeld van iemand die verstand heeft van vuurwerk en van de menselijke maat. Proactief denken heet dat tegenwoordig waarschijnlijk. Eerst kijken hoe we een vuurwerkverbod gaan handhaven. Want als handhaving nu al niet lukt, is de vraag natuurlijk of dat na een verbod ineens als een wonder uit de lucht komt vallen.

Maar goed, we hebben een oplossing.

Een inleverbus.

Je kunt je vuurwerk daar straffeloos inleveren.

Ik moet toegeven: het heeft iets geruststellends. Je hebt vuurwerk dat straks verboden is, je weet dat het niet mag, de politie kan onmogelijk overal tegelijk zijn en dus zetten we ergens een bus neer waar je het spul gewoon kunt afgeven.

Straffeloos.

Dat woord vind ik eigenlijk nog het mooiste onderdeel van het hele plan.

Ik zie die bedenker overigens niet als een wereldvreemde ambtenaar achter een bureau. Integendeel. Ik zie iemand voor me die serieus heeft nagedacht, verschillende scenario's heeft doorgerekend en uiteindelijk dacht: jongens, ik heb hem. We zetten gewoon een bus neer.

En misschien heeft hij nog gelijk ook.

Alleen heb ik mijn twijfels of deze vuurwerkaanpak het gaat redden.

Op 31 december weten we het zeker.

Nu al knalt het nog steeds overal in den lande.

Waarom?

Voor de misdaad en tegen de verveling.

En mocht iemand denken dat ik dit allemaal zelf heb verzonnen, dan zet ik de bron er maar netjes onder.

Want ook dat is tegenwoordig verstandig.

Rapport 

Rapport: aanpak van vuurwerk in voetbalstadions schiet tekort - https://nos.nl/l/2628191

Bron

Inleverbus voor vuurwerk naar Limburg: hier kun je straffeloos vuurwerk inleveren – L1 Nieuws

woensdag 19 augustus 2026

🌎Van Nürnberg naar het International Gerechtshof in Den Haag

Van Nürnberg naar Den Haag

Eergisteren heb ik de film Nürnberg gezien en misschien komt het daardoor dat ik bij het nieuws over de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof wat langer blijf hangen dan ik normaal gesproken bij een bericht over internationale politiek zou doen. Ik ben geen politiek deskundige en zeker geen wandelende encyclopedie van Amerikaanse verdragen, maar soms hoef je volgens mij ook geen deskundige te zijn om ergens je wenkbrauwen over op te trekken en jezelf af te vragen hoe het eigenlijk zit.

De film Nürnberg brengt mij terug naar de periode waarin na de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste kopstukken van het naziregime terechtstaan en waarin een gedachte centraal staat die eigenlijk heel eenvoudig klinkt: macht mag geen vrijbrief zijn en iemand die een hoge functie bekleedt, kan zich niet zonder meer verschuilen achter zijn uniform, zijn positie of het argument dat hij slechts bevelen heeft uitgevoerd.

De Amerikanen spelen bij Nürnberg een belangrijke rol en juist daarom vind ik het huidige nieuws opmerkelijk.

De NOS schrijft dat de Verenigde Staten sancties hebben opgelegd aan twee functionarissen van het Internationaal Strafhof, onder wie de voorzitter van het Hof, Tomoko Akane, en aanklager Abdoulaye Seye. De Amerikaanse regering vindt dat het Strafhof zijn bevoegdheden overschrijdt. Voor wie het zelf wil nalezen, zet ik het artikel van de NOS onderaan dit verhaal bij de bronnen.

En juist daar begint mijn nieuwsgierigheid, want dan wil ik natuurlijk weten hoe dat verhaal eigenlijk in elkaar zit🧐.

Want waarom?

Ik ben vervolgens wat verder gaan zoeken en dan blijkt dat dit helemaal geen ruzie is die met Donald Trump is begonnen. Dat vind ik misschien nog wel interessanter, omdat daarmee het beeld dat Trump dit allemaal persoonlijk heeft bedacht meteen wat minder eenvoudig wordt.

Volgens informatie van de Amerikaanse overheid en het Congressional Research Service gaat de Amerikaanse weerstand tegen het Internationaal Strafhof al terug tot het begin van deze eeuw. In 2002 nam de regering van George W. Bush nadrukkelijk afstand van het Strafhof en werd Amerikaanse wetgeving aangenomen die de bescherming van Amerikaanse militairen en functionarissen tegen het Hof moest versterken.

Dat heb ik dus niet zelf bedacht en daarom zet ik de bronnen er gewoon bij.

Iedereen zijn medaille.

Ook als die medaille een beetje saai is en uit een voetnoot bestaat. 😏

Trump heeft het Amerikaanse wantrouwen tegenover het Strafhof dus niet uitgevonden. Dat wantrouwen bestond al voordat Donald Trump voor het eerst zijn intrek nam in het Witte Huis. Onder Obama werd de Amerikaanse houding weer wat minder confronterend en onder Trump kwam de harde lijn vervolgens opnieuw nadrukkelijk terug.

Dat vind ik persoonlijk wel een belangrijk verschil.

Want Trump wordt nogal gemakkelijk neergezet als de man die alles heeft bedacht wat er tegenwoordig in Washington gebeurt, terwijl je soms beter naar de voorgeschiedenis kunt kijken. Dan zie je dat hij regelmatig bestaande politieke richtingen, oude beslissingen of sentimenten oppakt die al veel langer bestaan en ze vervolgens op zijn geheel eigen manier, met de volumeknop behoorlijk ver naar rechts gedraaid, opnieuw op tafel legt.

Dat maakt hem niet automatisch tot de bedenker ervan.

Hij is misschien eerder de man die in een oude voorraadkast een doos met politieke ideeën vindt, het deksel eraf trekt en roept: hé, deze kan ik gebruiken.

Dat is mijn eigen vergelijking, voor alle duidelijkheid. Daar hoeft niemand voor naar een bron te zoeken. 😉

Maar terug naar Nürnberg.

Daar zie ik een Amerika dat nadrukkelijk meewerkt aan het berechten van mensen die worden verdacht van de zwaarste misdaden en vervolgens kijk ik naar het huidige Amerika, dat het Internationaal Strafhof niet erkent en nu zelfs maatregelen neemt tegen mensen die daar hun werk doen.

Nogmaals, ik ben geen jurist en ik ga dus niet doen alsof ik kan bepalen wie juridisch gelijk heeft.

De Amerikaanse redenering is dat de Verenigde Staten geen partij zijn bij het Statuut van Rome en de rechtsmacht van het Hof over Amerikaanse burgers niet erkennen. Dat is een feitelijk standpunt dat je gewoon kunt nalezen in de Amerikaanse bronnen die ik onderaan vermeld.

Maar daarnaast bestaat er natuurlijk ook zoiets als je eigen gezonde verstand.

En dan vraag ik mij af: hoe bijzonder is het eigenlijk dat een land dat zo'n belangrijke rol heeft gespeeld bij Nürnberg, zoveel moeite heeft met een internationaal gerechtshof dat juist probeert voort te bouwen op het gedachtegoed dat daar mede vorm kreeg?

Misschien gaat het om nationale soevereiniteit, bescherming van Amerikaanse militairen, geopolitieke belangen, economische belangen of een combinatie van al die dingen.

Ik weet het niet, en ik ga het ook niet verkopen alsof ik het wel weet. Dat zou een beetje hetzelfde zijn als met de medaille van een ander rondlopen en vervolgens doen alsof je hem zelf hebt gewonnen.

En daar heeft Deze ex-wijkagent wat mij betreft geen behoefte aan.

Ik kijk, ik lees, ik zoek wat dingen na en vervolgens schrijf ik op wat ik ervan vind. Meer pretentie moet je er ook niet van maken.

Maar één ding blijft bij mij toch hangen.

Als je het internationale recht belangrijk vindt wanneer het om een ander gaat, maar grote vraagtekens zet zodra een internationale rechter dichter bij jezelf of je bondgenoten komt, dan ontstaat toch de ongemakkelijke vraag of het recht werkelijk het uitgangspunt is of dat eigenbelang uiteindelijk de doorslag geeft.

Dat geldt overigens niet alleen voor Amerika.

Dat geldt voor iedere regering, iedere organisatie en uiteindelijk ook voor ieder mens die macht bezit.

Het is namelijk nogal gemakkelijk om voor een onafhankelijke scheidsrechter te zijn zolang hij de overtreding van de tegenstander bestraft. Zodra hij naar jezelf wijst, blijkt hij ineens partijdig, onbevoegd en waarschijnlijk ook nog eens een slechte scheidsrechter.

Daarom blijft Nürnberg bij mij hangen.

Niet omdat ik na één film ineens deskundig ben geworden op het gebied van internationaal recht, maar juist omdat die film mij opnieuw laat nadenken over een eenvoudige vraag die volgens mij helemaal niet zo ingewikkeld is:

Wie controleert de macht wanneer de macht zelf bepaalt wie haar mag controleren?

Van Nürnberg naar Den Haag lijkt een mooie rechte lijn.

Maar als je de geschiedenis van de afgelopen ruim twintig jaar erbij pakt, met Bush, Obama, Trump, Biden en opnieuw Trump, blijkt die lijn toch behoorlijk wat bochten te bevatten.

En misschien moeten we daarom ook voorzichtig zijn met de gedachte dat alles wat tegenwoordig gebeurt uitsluitend door één man wordt veroorzaakt.

Trump is vaak geen bedenker van een nieuwe politieke richting, maar eerder een uitvergroting van bestaande keuzes en sentimenten die hem op enig moment handig lijken, vind ik!

Alleen doet hij dat op een manier waarop zelfs een oude politieke gedachte na een paar minuten al klinkt alsof zij gisteren in de Trump Tower is uitgevonden.

En dat is misschien wel zijn bijzondere talent.

Niet noodzakelijk iets nieuws bedenken, maar iets ouds met zoveel kabaal opnieuw op tafel leggen dat iedereen vergeet dat het er al lag.

Ik heb alleen een film gezien, een nieuwsbericht gelezen en daarna gedacht: verrek, hoe zit dit eigenlijk?

Daarna ben ik wat verder gaan zoeken om te kijken of mijn eerste gedachte eigenlijk wel klopte.

De NOS heeft mij het actuele nieuws geleverd, de Amerikaanse overheidsbronnen en het Congressional Research Service hebben mij geholpen om de voorgeschiedenis te begrijpen en wat ik daar vervolgens van vind, is mijn eigen verantwoordelijkheid.

Zo hoort het volgens mij ook. Geen veren van een ander op mijn hoed. Geen medailles die ik zelf niet heb gewonnen. Iedereen zijn medaille. En ik houd de mijne lekker klein.

Enfin, een film, een kop koffie, een beetje nieuwsgierigheid en een blog.

Meer heb ik eigenlijk niet nodig.

Want de geschiedenis herhaalt zich misschien niet.

Ze trekt gewoon een andere stropdas aan. En soms is het een hele grote Amerikaanse stropdas.


Bronnen

NOS, VS legt sancties op aan president Internationaal Strafhof, 18 augustus 2026.

Lees het oorspronkelijke NOS-artikel

U.S. Department of Justice, informatie over het Amerikaanse standpunt ten aanzien van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof en de Amerikaanse positie sinds de oprichting van het Hof.

Congressional Research Service, overzicht van de Amerikaanse betrekkingen met het Internationaal Strafhof, waaronder de ontwikkelingen onder Clinton, Bush, Obama, Trump en Biden.

⌛️Slecht nieuws gesprek, een leeggedronken kop koffie ...

Tijdens mijn politiepraktijk heb ik al heel vaak een slecht-nieuwsgesprek gevoerd. Een slecht-nieuwsgesprek is het synoniem dat de politie eraan heeft gegeven. De naam is en blijft een vreemde, bijna surrealistische expressie. Eigenlijk zou de term dodelijke nieuwsoverbrenging moeten heten. Toch wordt in mijn kringen de term slecht-nieuwsgesprek, op eufemistische wijze, gebruikt. Dan weet iedere politieman precies wat ermee wordt bedoeld.

Het is de hartverscheurende taak om bij een gezin, partner of familie het levenslicht van een dierbare plotseling, maar onomstotelijk, uit te blazen.

De politie wordt consequent geconfronteerd met het overbrengen van een dodelijke onheilstijding. Een onomkeerbare knock-out voor gezin, familie, nabestaanden en andere dierbaren. Uiteindelijk zal de media in een krantenbericht misschien bekendmaken dat een dierbare niet meer onder ons is. Maar voordat het nieuws de krant haalt, staat de politie vaak al aan de voordeur.

Op een gegeven moment, tijdens een van mijn ochtenddiensten, ben ik op pad in het district wanneer ik een telefoontje krijg van de meldkamer. Er is een man overleden bij een verkeersongeluk. Met daarbij de vervolgopdracht om het overlijdensbericht bij de familie aan te gaan zeggen.

Gelukkig heb ik die dienst samen met onze heuse Florence Nightingale-collega Jolanda. Juist ja, die kanjer.

We zijn zeer zichtbaar in politie-uniform gekleed en rijden met een opvallend dienstvoertuig onderweg, zoals wij dat officieel noemen. Ergens op een weg, ver uit de buurt, heeft een aanrijding plaatsgevonden buiten onze regio. Daarbij heeft een harde werker, echtgenoot en familievader tegelijk, zijn leven verloren.

Dan is het hartstikke belangrijk om, gewapend met de juiste identiteitsgegevens, zo snel mogelijk bij het gezin van de overledene te komen om hen het noodlottige en onomkeerbare verlies in mokerslagwoorden mee te delen. Dit om te voorkomen dat de zogenaamde indianenverhalen ons inhalen en ons vóór zijn op weg naar het achterblijvende gezin.

Ik kon de gevoelsmatige impact van het aanzeggen van dit bericht al van tevoren aanvoelen. Helaas was er geen andere collega beschikbaar die met een onopvallende auto en in burgerkleding deze zware taak kon uitvoeren. Dus aan ons deze opdracht.
We stappen uit bij het huisadres van de overledene. Met lood in onze schoenen en slechts gewapend met een kladbriefje waarop zijn identiteitsgegevens staan, bel ik aan. Aan onze gezichten is waarschijnlijk al duidelijk af te lezen waarvoor wij komen.

Dan breng ik mezelf het dagelijkse moment van iedereen in herinnering. Het moment waarop een echtgenoot of partner ’s morgens van huis vertrekt, per fiets of auto, om naar het werk te gaan. Hopelijk met alle liefde die tussen partners mogelijk is, maar vooral zonder ruzie of andere emotionele beroeringen.

Veel mensen schrikken nog steeds wanneer ik in mijn hoedanigheid van politieman bij hen aanbel. Meestal brengen we nieuws in het kader van strafbaarheid, verhoor of onderzoek. Zelden is ons nieuws een ongewilde, dodelijke noodzakelijkheid.
Dit is ook voor de politie een van de zwaarste opdrachten, geloof me. Ik begrijp nog steeds de schrik die mijn uniform bij mensen kan oproepen wanneer ik bij hen aanbel. Gelukkig kan ik die schrik meestal snel pareren.

In dit relaas gaat op de bovenverdieping een klein raampje open. We zien het hoofd van de vrouwelijke bewoonster door de kleine slaapkamerraamopening verschijnen.

Voordat we iets kunnen zeggen, zegt zij al:
“Oh nee hè, het is toch niet waar!”
Ze ijlt naar beneden en opent de voordeur, moedeloos als een mens die zich op dat moment al verslagen weet. We lopen haar achterna naar binnen, de woonkamer in.

Dan komt de zakelijke vraag.
“Is uw man die en die?”
In een soort trance antwoordt de vrouw met ja.

Mijn woorden raken haar nauwelijks meer en vallen langs haar heen in het niets. De emoties houden mijn woorden tegen als een dikke stenen buitenmuur.
Ik vertel haar wat de meldkamer mij heeft verteld.
Haar wereld zinkt onder haar voeten vandaan.

Daar staan we dan, samen met haar in de woonkamer van haar en haar man, die tot een paar uur eerder nog gewoon hun woonkamer was.

Slechts met woorden heb ik haar levensgeluk totaal uitgeschakeld.
Deze echtgenote is bovendien alleen thuis. Empathisch en welgemeend vragen we haar of we iemand kunnen bellen om haar verder bij te staan. Dat is volgens haar niet nodig. De emoties laten haar echter niet meer los.

Ik informeer de huisarts. Hij begrijpt de noodzaak en zal naar deze vrouw toegaan. Ook benaderen we een familielid dat onmiddellijk naar haar toe komt om haar bij te staan.

Dan gebeurt er iets kleins.

En juist dat kleine moment is mij bijgebleven.

Op de salontafel in de woonkamer staat een lege mok.
Mijn collega Jolanda wil haar een beetje helpen en reikt naar de mok om iets te drinken voor haar te halen.

Dan gebeurt er een vreemde, stille gewaarwording.
Als Jolanda naar de mok reikt, maakt de vrouw een non-verbale, afwerende armbeweging. Ze wil kennelijk de laatste strohalm van de aanwezigheid van haar echtgenoot niet door anderen laten verstoren.
Ze pakt de mok zelf vast.

Alsof ze haar man daarmee bij de hand kan pakken.

Jolanda begrijpt het gebaar onmiddellijk en laat de vrouw de mok zelf vasthouden.
Ik weet niet meer of haar man zijn koffie zwart dronk of met een vleugje melk en misschien wat suiker. Een lepeltje waarmee al die ingrediënten gemengd konden worden, ligt er in ieder geval nog stilletjes naast.
Dat lepeltje weet nog van niets.

Als de familie hulp arriveert, gaan wij weer op weg naar nieuwe politieopdrachten. Ik weet nog dat wij een uur of wat later door de meldkamer opnieuw worden aangestuurd voor andere, veel kleinere zaken.

Erger dan dit hebben Jolanda en ik die werkdag niet meer in gedachten.

Dat is en blijft toch vreemd in de politiewereld.
Misschien is dat ook wel goed zo.

Je kunt niet iedere dag het verdriet van een ander mens met je meedragen.
Ik denk wel dat we die ochtend goed werk hebben verricht bij deze arme vrouw.
We lopen weg van de woning naar onze politieauto. De voordeur wordt achter ons gesloten.

Het verdriet blijft als een onzichtbare geest stil achter in de woning.
Hopelijk vermengd met alles wat daar vóór deze ochtend ook was: maatschappelijk leven, gezinsgeluk, liefde, ruzies, koffie, gewone gesprekken en de dagelijkse vanzelfsprekendheid van het samen zijn.

Een gewone woonkamer, met een lege koffiemok op tafel.
Misschien is dat uiteindelijk wel het meest confronterende van dit hele verhaal.
Het leven kan in één klap veranderen, terwijl de spullen in huis gewoon blijven staan waar ze stonden.

Het zou zomaar kunnen dat van ieder mens zijn of haar levenslijn vooraf is vastgesteld, met een begin- en einddatum. Buiten alle religie en genetica om.

Wij weten alleen nooit wanneer de einddatum op de kalender staat.

maandag 17 augustus 2026

😵‍💫 Mike Foppen toch! Sterkte jongen👍👊💙

Het spijkerbed van de topsport

Soms voelt topsport aan als spitsroeden lopen. Op het eerste moment snap ik Mike Foppen niet. Je loopt vierde op een EK, je bent nog volop in de wedstrijd en dan stap je uit. Mijn eerste gedachte is dan ook niet bepaald mild: ga ervoor, man. Je bent toch niet voor niets daar.

Maar achteraf denk ik er anders over.

Want iedere sporter die ooit serieus een wedstrijd heeft gedaan, weet dat een wedstrijd niet alleen wordt uitgevochten tegen een tegenstander, de klok of de afstand. Soms wordt de zwaarste wedstrijd gevoerd tussen je hoofd en je lichaam. Je hoofd wil door, maar je lichaam zegt dat het genoeg is. Of andersom. En soms werken ze allebei tegen je.

Fight, fright, flight. Vechten, verstarren of vluchten. Drie eenvoudige woorden voor een mechanisme dat helemaal niet zo eenvoudig is wanneer je er middenin zit.

Wanneer je als bokser de ring instapt, ben je voor mij al een winnaar. Niet omdat je de wedstrijd zeker gaat winnen, maar omdat je bereid bent het gevecht aan te gaan. Hetzelfde geldt voor de judoka die de mat opstapt, de atleet die aan de start staat, de wielrenner die aan een klim begint of iedere andere sporter die zichzelf aan de wedstrijd uitlevert.

Want ga er maar aan staan.

Je voorbereiding moet goed zijn geweest. Je moet overtuigd zijn van jezelf, maar misschien heb je van nature al wat faalangst. En die faalangst is niet altijd negatief. Soms maakt spanning je juist scherper, alerter en gedrevener. Soms tilt diezelfde spanning je naar een niveau waarvan je vooraf niet wist dat je het bezat. Een zweem van bijna-verstandsverbijstering waarin ratio even naar de achtergrond verdwijnt en het lichaam het overneemt.

Soms legt het lichaam de stekker eruit.

Soms zet het de turbo aan.

De trainer staat langs de kant, de verwachtingen groeien, sociale media maken van iedere prestatie een oordeel en journalisten blijven aan je plakken. En als je helemaal pech hebt, zit de koning met zijn aanhang ook nog op de tribune. 😅

En dan moet jij presteren.

Niet één keer, maar steeds opnieuw. Want wanneer je eenmaal de status van topsporter hebt bereikt, moet je die status ook blijven waarmaken. Kwalificeren, presteren, opnieuw kwalificeren. Een maatschappelijke carrière staat misschien op een laag pitje, een gewone baan past niet meer in het schema en privé wordt er ook het nodige ingeleverd. Niet presteren voelt dan al snel als falen.

En juist daar wordt topsport keihard.

Wanneer je nog niets te verliezen hebt, kun je soms onbevangen lopen, slaan, fietsen of judoën. Maar zodra je iets hebt bereikt, ontstaat er ook iets anders: de angst om het weer kwijt te raken. Je loopt dan niet alleen vóór een medaille. Je loopt misschien ook tégen de gedachte dat je die medaille niet meer waard bent.

De baan blijft ondertussen gewoon dezelfde baan.

Maar voor de sporter kan die sintelbaan op een bepaald moment veranderen in een spijkerbed.

Dat weet iedere sporter. Misschien niet op hetzelfde niveau, maar wel uit eigen ervaring. Dat ene moment waarop je lichaam nog wel kan, maar je hoofd niet meer wil. Of je hoofd schreeuwt dat je door moet, terwijl je lichaam daar anders over denkt. En ondertussen kijkt de wereld toe.

Daarom begreep ik Foppen op het eerste moment niet.

Achteraf misschien wel iets beter.

Dat betekent niet dat ik weet wat er werkelijk in zijn hoofd of lichaam gebeurde. Dat weet alleen hij. Maar wij moeten misschien ook niet te snel oordelen over iemand die op een bepaald moment midden op dat spijkerbed staat.

Hij stapte uit. Hij had vrijwel meteen spijt.

En misschien was juist dat laatste wel het bewijs dat de wedstrijd voor hem nog lang niet voorbij was. De wedstrijd op de baan wel. Die in zijn hoofd duidelijk niet.

Maar topsport gaat uiteindelijk niet alleen over de top van de sport. Misschien begint de echte topsport wel daarbuiten, in het gewone leven. Ook daar kennen we spanning, faalangst, twijfel en momenten waarop hoofd en lichaam elkaar niet meer begrijpen. Ook daar vallen mensen. Soms hard.

Vallen, falen, opstaan en doorgaan. De baan, de ring en de judomat zijn slechts de zichtbare versie. De echte wedstrijd wordt vaak gespeeld waar niemand kijkt.

Door falen worden mensen gevormd. Niet omdat falen prettig is, maar omdat je er soms meer van leert dan van een overwinning. Het gaat niet om hoe vaak je valt. Het gaat erom dat je minstens één keer vaker opstaat dan dat je valt.

Die mensen noem ik helden.

De echte helden staan namelijk niet altijd in de spotlights. Vaak zijn ze onherkenbaar en ploeteren ze gewoon voort in hun bestaan, ten dienste van anderen. Een waar leger van grijze muizen die je pas echt mist wanneer ze er niet meer zijn, of wanneer je geen beroep meer op hen kunt doen.

De hulpverlener die komt wanneer iedereen weggaat. De politieman en brandweerman die doorgaan wanneer een ander stopt. De verpleegkundige die een nachtdienst draait terwijl de rest van Nederland slaapt. En de militair die niet alleen praat over onze vrijheid, maar bereid is haar daadwerkelijk te verdedigen.

Geen podium. Geen medaille. Geen miljoenenpubliek.

Maar wel iedere dag opnieuw aan de start.

Ook dat is topsport.

En misschien is dát wel de mooiste vorm van topsport.

Na al dat denken, twijfelen, analyseren en presteren blijft er uiteindelijk misschien maar één opdracht over:

Just do it.

Maar eerst koffie. 😅☕️

zondag 16 augustus 2026

🖥 Alweer twee nieuwe wetten… en wie gaat ze uitvoeren?

Vanaf vandaag of binnenkort hebben we er weer twee wetten bij: de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Mooie namen, belangrijke onderwerpen en eerlijk is eerlijk: niemand zal ontkennen dat cyberaanvallen, sabotage en het uitvallen van vitale voorzieningen serieuze risico’s zijn.

Maar toch bekruipt mij een andere gedachte.

Alweer twee nieuwe wetten. Wat moeten we daar allemaal mee?

Want een wet maken is één ding. Er in de praktijk mee kunnen werken is iets heel anders.

Misschien moeten we daarom wat vaker kijken of bestaande wetten kunnen worden uitgebreid en aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. De samenleving verandert nu eenmaal voortdurend. Een rechtsstaat moet kunnen meebewegen met die werkelijkheid, zonder dat voor iedere nieuwe ontwikkeling meteen een nieuwe wet uit de Haagse wetgevingsfabriek komt rollen.

En daar zit voor mij ook een beetje de George Orwell van deze tijd.

Niet omdat Nederland ineens 1984 is geworden, maar omdat de digitale wereld ons steeds meer mogelijkheden geeft om mensen, organisaties en systemen te volgen, te registreren, te controleren en met elkaar te verbinden. Technologie kan ons enorm helpen, maar dezelfde technologie kan ook worden misbruikt.

En ondertussen groeit er een leger van digitale belagers dat met een laptop, wat kennis en kennelijk vooral veel vrije tijd complete systemen kan proberen te ontregelen. Een ziekenhuis, gemeente, bedrijf, politieorganisatie of vitale voorziening kan digitaal worden aangevallen zonder dat de dader ooit fysiek in de buurt is geweest.

Dat is een nieuwe werkelijkheid.

Maar daar staat wel een andere werkelijkheid tegenover.

Nederland vergrijst. De politie vergrijst. En niet iedere burger is opgegroeid met een toetsenbord onder zijn neus.

We hebben nog steeds mensen die prima met een telefoon kunnen bellen, maar bij het woord app eerst denken dat het om appelmoes gaat. Digibeten, ouderen en mensen die simpelweg niet kunnen of willen meegaan in de digitale snelheid van deze tijd, verdwijnen niet omdat Den Haag een nieuwe digitale wet heeft gemaakt.

Ook binnen de politie hebben we te maken met vergrijzing. Er gaat kennis en ervaring met pensioen en tegelijkertijd wordt de digitale werkelijkheid steeds ingewikkelder. Dat betekent dat je niet alleen nieuwe regels nodig hebt, maar ook mensen, kennis, opleiding en capaciteit om die regels daadwerkelijk uit te voeren.

En daar wringt het.

De politie kan nu al niet alles bijbenen wat vanuit de politiek wordt doorgejast. Nieuwe taken, nieuwe regels, nieuwe verantwoordelijkheden en nieuwe verwachtingen komen erbij, terwijl de bestaande problemen niet netjes verdwijnen.

Ik breng maar even geweld tegen politie (waaronder de vuurwerkmalaise) en PTSS in herinnering.

Er wordt aan gewerkt, dat dan weer wel.

Maar ondertussen gaan we vrolijk verder.

Daarom zou ik minister David van Weel ook graag wat meer willen zien als minister van de politie en de rechtsstaat en wat minder als de praat-trekpop van het kabinet die bij ieder nieuw probleem voor de camera mag uitleggen waarom er weer iets nieuws noodzakelijk is.

Laat hem dan vooral vertellen hoe het er in de praktijk uit moet gaan zien.

Wie gaat toezicht houden? Wie gaat handhaven? Welke bevoegdheden zijn daarvoor nodig? Wie stelt een overtreding vast? Welke procedure volgt daarna? En vooral: hebben we daarvoor ook daadwerkelijk de mensen, kennis en middelen?

Want dat zijn geen Haagse details.

Dat is de werkelijkheid op straat.

En misschien moeten we in Den Haag ook eens wat minder bezig zijn met het politieke handjeklap, het onderlinge wantrouwen en het elkaar vliegen afvangen. Een rechtsstaat is geen voetbalwedstrijd waarin iedere partij vooral probeert te voorkomen dat de ander scoort.

Een wet is geen doel op zich. Een wet is een instrument.

Een instrument dat moet passen bij de werkelijkheid.

En die werkelijkheid bestaat niet alleen uit jonge digitale specialisten die binnen een paar seconden een systeem kunnen doorgronden. Die bestaat ook uit een vergrijzende bevolking, politiemensen die hun kennis en ervaring meenemen richting pensioen en burgers voor wie de digitale samenleving soms eerder een hindernisbaan dan een vooruitgang is.

Daar moeten we rekening mee houden.

Want anders krijgen we een merkwaardige paradox: we maken steeds meer digitale wetten om ons tegen digitale dreigingen te beschermen, terwijl de mensen die ze moeten uitvoeren steeds minder tijd, capaciteit en soms zelfs kennis hebben om het geheel bij te houden.

Dus prima, minister Van Weel.

Maak Nederland weerbaar. Bescherm onze vitale voorzieningen. Pak cybercriminaliteit aan. Zorg dat de overheid niet met één druk op de verkeerde knop plat komt te liggen.

Maar vergeet ondertussen de gewone werkelijkheid niet.

Wie nieuwe wetten doorjast, moet ook zorgen dat er morgen iemand is om ze uit te voeren.

Anders hebben we straks een prachtig digitaal weerbaar Nederland op papier.

En misschien is dat wel de meest Orwelliaanse gedachte van allemaal:

een samenleving die alles digitaal geregeld heeft, maar niemand meer heeft die weet hoe het werkt wanneer het digitale licht uitgaat.

Gisteren stond ik bij de Lidl in een filiaal in Sittard. De medewerker vroeg of ik mijn boodschappen zelf met de app wilde scannen. Zonder nadenken zei ik nee. Ik bleef gewoon in de rij voor de kassa staan. Niet omdat ik niet kan scannen, maar omdat ik soms nog gewoon klant wil zijn ...

Verder, een bekende plofkraker loopt tegen de lamp bij een politieactie. Bij de aanhouding worden vuurwapens en drugs aangetroffen. In de auto jerrycan met brandstof en een Blu Eye-systeem waarmee je kunt zien of er hulpdiensten in de buurt rijden, ook als deze onopvallend onderweg zijn. Saillant detail, Blu Eye is geen verboden systeem. Dat zou toch anders moeten kunnen op basis van bestaande wetgeving, toch ...

zaterdag 15 augustus 2026

🚜 als de overheid grenzen oprekt, moet ze niet verbaasd zijn als anderen dat ook doen

 en nu is het ineens huilie huilie ...

Premier Jetten spreekt zijn afschuw uit over het dodelijke ongeval na de boerenprotesten en noemt de situatie bloedlink. Begrijpelijk, want dat is het ook. Maar ondertussen wordt het woord Extinction Rebellion zorgvuldig uit de politieke watten gehouden, alsof het een vies woord is dat niet op tafel mag komen. Want ja, dan wordt het ineens lastig om uit te leggen waarom bij de ene demonstratie de juridische grenzen heel scherp worden getrokken en bij de andere de grenzen ineens wat elastischer lijken.

Politiewetenschapper Jaap Timmer is daar een stuk duidelijker over. Demonstreren is een grondrecht, maar dat betekent niet dat je vervolgens de verkeersveiligheid, gezondheid en openbare orde aan de kant kunt schuiven. Volgens hem hadden de autoriteiten harder moeten optreden.

En daar zit precies mijn probleem.

De politie moet handhaven.

Maar de politie maakt de wet niet. De politie maakt ook geen politieke keuzes over welke risico's maatschappelijk aanvaardbaar zijn. De politie werkt binnen de wetgeving, de aanwijzingen van het bevoegd gezag en de politieke werkelijkheid die daarboven hangt.

Als vervolgens vooraf wordt besloten om tractoren niet tegen te houden zolang ze de snelweg niet blokkeren, ontstaat er een merkwaardige situatie. (Dus dan mag het wel) Een trekker hoort niet op de snelweg, maar kennelijk mag hij daar onder bepaalde omstandigheden toch rustig rondtoeren zolang het verkeersinfarct nog niet officieel is begonnen.

Dat is geen handhaving meer volgens het principe gelijke monniken, gelijke kappen, maar handhaving met een gebruiksaanwijzing.

En dan komen achteraf de bestuurders met ernstige gezichten vertellen dat dit natuurlijk nooit de bedoeling was.

Tja.

In het oude Rome hadden ze daar een mooie methode voor. Brood en spelen. Geef het volk wat vertier en wat brood, dan kijkt het misschien even niet naar de politieke problemen, de kosten en de moeilijke besluiten.

Tegenwoordig hebben we geen Colosseum meer nodig. Wij hebben talkshows, demonstraties, subsidies, compensatieregelingen en een eindeloze stroom politieke verklaringen waarin vooral heel zorgvuldig wordt uitgelegd waarom iets eigenlijk niet kan, maar voorlopig toch maar even gebeurt.

En zodra het misgaat, volgt het bekende ritueel.

“Dit had nooit mogen gebeuren.”

Nee, natuurlijk niet.

Maar als je jarenlang grenzen laat opschuiven, moet je niet verbaasd zijn wanneer iemand uiteindelijk denkt dat er helemaal geen grens meer staat.

De overheid neemt risico's met haar keuzes. De politie mag vervolgens niet het politieke vangnet worden voor besluiten die boven haar pet zijn genomen.

De wet is geen menukaart.

Je kunt er niet vandaag de ene regel afhalen omdat die politiek even beter uitkomt en morgen dezelfde regel weer aanwijzen omdat het ineens gevaarlijk is geworden.

Want dan krijg je precies wat we nu zien.

Eerst ruimte geven. Dan tolereren. Dan waarschuwen. Dan huilie huilie.

En uiteindelijk vragen waarom de politie niet eerder heeft ingegrepen.

Misschien moeten we daarom niet alleen naar de politie kijken.

Misschien moeten we eindelijk eens kijken naar degene die bepaalt waar de grens ligt.

Want een politieagent kan alleen handhaven binnen de grenzen die de politiek hem geeft.

En als die grens van rubber is gemaakt, moet je achteraf niet boos worden op degene die ermee moet werken.

vrijdag 14 augustus 2026

🏛️ Tijd voor een nieuw artikel in de Grondwet ivm K.R.A.K.E.N.

Misschien wordt het zo langzamerhand tijd om de Grondwet maar eens aan te passen. Niet omdat de rechtsstaat niet meer functioneert, maar omdat we hem kennelijk steeds creatiever zijn gaan uitleggen. Ik stel daarom een nieuw grondwetsartikel voor: “Illegaliteit en illegalen genieten de hoogste bescherming, zeker wanneer zij zich eerst eigenhandig toegang hebben verschaft tot een plaats waar zij helemaal niet horen te zijn.”

Want het begint inmiddels een beetje een merkwaardige vorm aan te nemen. Wie zich aan de regels houdt, krijgt te maken met vergunningen, bestemmingsplannen, eigendomsrechten, huurcontracten, termijnen, formulieren en uiteindelijk misschien nog een ambtenaar die vraagt of het formulier wel met de juiste kleur pen is ingevuld. Wie daarentegen besluit de regels aan zijn laars te lappen, lijkt soms rechtstreeks toegang te krijgen tot een juridisch beschermingspakket waarvan de gewone burger alleen maar kan dromen.

Neem het kraken van woningen en gebouwen. Je verschaft jezelf zonder toestemming toegang tot andermans eigendom, maakt jezelf vervolgens bewoner en zodra iemand daar iets van vindt, wordt het woonrecht ineens een zwaarwegend juridisch begrip. De geschiedenis van de krakersrellen in Amsterdam en andere steden staat nog altijd op ons netvlies: barricades, stenen, verf en een Mobiele Eenheid die vooral mocht proberen uit te leggen dat openbare orde ook daadwerkelijk iets met orde te maken heeft.

En nu lijkt er in Limburg een nieuwe aflevering van deze juridische komedie te zijn verschenen.

Bij het Landbouwbelang ontstaat een situatie rond een bootje en een caravan. De politie wordt erbij gehaald omdat er sprake zou zijn van een onveilige situatie en kennelijk vinden mensen die zich daar bevinden dat anderen zich niet aan de regels houden. Op zichzelf niets bijzonders, totdat je beseft dat we hier te maken hebben met een omgeving waar mensen zich niet bepaald via de reguliere voordeur van het huurcontract hebben gemeld.

Het wordt dan toch een merkwaardige situatie wanneer iemand die zich toegang en verblijf heeft verschaft in een gekraakte omgeving, vervolgens de overheid inschakelt omdat een andere partij daar volgens hem illegaal een standplaats heeft ingenomen.

De kraker belt dus de politie over een illegale standplaats van een andere kraker.

Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer een inbreker 112 belt omdat hij tijdens zijn werkzaamheden een andere inbreker aantreft die volgens hem niet helemaal volgens de huisregels opereert.

En dan komt de politie.

Want de politie heeft geen vrijbrief om bij dit soort situaties de schouders op te halen en te zeggen: “Zoek het lekker zelf uit, jullie zijn allemaal illegaal bezig.” De politie moet handhaven in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en bovendien in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Dat is nu eenmaal de rechtsstaat, ook wanneer de situatie inmiddels zo absurd is geworden dat je als politieman bijna behoefte krijgt aan een juridisch woordenboek én een kop koffie.

Misschien moeten we daarom maar eerlijk zijn en het nieuwe grondwetsartikel meteen goed formuleren:

Artikel 1a — Het hoogste recht

“Eenieder die zich niet aan de wet houdt, heeft recht op maximale rechtsbescherming, mits hij zijn overtreding maar lang genoeg voortzet en zich vervolgens op zijn rechten beroept.”

Lid 2 kan dan bepalen dat degene die wél netjes een woning huurt, belasting betaalt, vergunningen aanvraagt en zich aan de regels houdt, vooral veel geduld moet hebben.

Lid 3 lijkt mij ook belangrijk: “Degene die illegaal een ruimte gebruikt, behoudt dit gebruik zolang overheid en rechter er nog niet definitief iets anders van hebben gevonden.”

En voor de zekerheid voegen we nog een overgangsbepaling toe voor caravans, bootjes en andere mobiele woonvormen.

Want voordat je het weet, ontstaat er een geheel nieuwe rechtsorde waarin niet langer wordt gevraagd of iets legaal is, maar vooral wie als eerste illegaal was en daardoor de oudste rechten heeft opgebouwd.

Daarmee zijn we dan eigenlijk terug bij het recht van de sterkste, maar dan met een advocaat, een bezwaarprocedure en een keurige brief van de gemeente.

Het bijzondere is dat dit niet alleen iets zegt over de mensen die de grenzen van de wet opzoeken. Het zegt ook iets over de overheid en misschien zelfs over de rechtspraak wanneer een situatie zover kan komen dat iemand die zich illegaal toegang heeft verschaft tot een pand uiteindelijk een beroep kan doen op bescherming van zijn verblijf, terwijl de gewone eigenaar eerst een juridisch parcours met hindernissen moet afleggen.

De rechtsstaat is er natuurlijk juist om iedereen tegen willekeur te beschermen. Maar daar zit wel een grens aan die we niet uit het oog mogen verliezen: rechtsbescherming zou nooit mogen verworden tot een beloning voor het negeren van de regels.

Want dan leren we de burger uiteindelijk een merkwaardige les.

💥Doe het netjes en je krijgt een formulier.

💥Doe het fout en je krijgt rechtsbescherming.

💥Doe het vervolgens lang genoeg fout en misschien krijg je uiteindelijk zelfs een recht.

En wanneer dat recht eenmaal bestaat, bellen we de politie omdat iemand anders zich niet aan de regels houdt.

Het moet niet nog gekker worre. 😏

woensdag 12 augustus 2026

☔️ De paraplu van 75 cm ☔️

 

☔️De paraplu van 75 centimeter☔️

We rijden in de groepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.

Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.

Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.

Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.

Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.

Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.

“Tot uw beschikking.”

De andere roepnummers melden zich eveneens.

De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.

Op straat is nagenoeg niemand te zien.

Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.

Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.

Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.

Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.

Hij stuurt de GSA ernaast.

“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”

Ik kijk hem aan.

Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.

Maar dienst is dienst.

Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.

Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.

Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.

Lekker droog en hoog.

Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.

Maar één ding weet ik nog wel.

De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.

Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed. Op het oog. Hij heeft niet gemeten, vanwege de regen?

En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.

Ik denk er het mijne van.

Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.

Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.

Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.

Op dat moment is er niemand anders op de weg.

Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.

Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.

In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.

Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.

We hebben het er niet meer over.

Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:

een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.

En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.

Soms uit een wetboek.

Soms van een collega.

En soms van een paraplu.


zondag 9 augustus 2026

Gestolen in 1984, terug in 2026: wie zegt dat aangifte geen zin heeft?

Aangifte doen heeft altijd nut

Sommige mensen vragen zich af wat het nut eigenlijk nog is van aangifte doen. Je doet aangifte van een gestolen fiets, bromfiets, auto of wat dan ook en vervolgens gebeurt er ogenschijnlijk helemaal niets. Het dossier verdwijnt ergens in de digitale krochten van de politiecomputer en daarmee lijkt de zaak voor de eigenaar afgesloten. 

Zeker wanneer je weet dat in Nederland duizenden aangiften niet of nauwelijks aan rechercheonderzoek toekomen, simpelweg omdat er meer werk ligt dan er rechercheurs beschikbaar zijn.

Toch heeft aangifte doen wel degelijk nut.

Dat bewijst een prachtig Italiaans verhaal waarin de politie maar liefst 41 jaar nodig heeft om haar geheugen te laten werken.

In 1984 wordt in Italië de bromfiets van de toen 17-jarige Antonio Smiglio gestolen. Geen Ferrari, geen Lamborghini en zelfs geen elektrische fatbike, maar een keurige Garelli VIP 50. Voor een zeventienjarige in die tijd echter een bezit van onschatbare waarde. Je spaart ervoor, poetst hem alsof het een gouden kalf is en vervolgens rijdt iemand ermee weg die blijkbaar andere plannen met jouw eigendom heeft.

Antonio doet aangifte en zal ongetwijfeld met de gedachte hebben rondgelopen dat hij zijn bromfiets nooit meer terugziet.

En daar kun je hem ook nauwelijks ongelijk in geven.

Jaar na jaar verstrijkt, terwijl de Garelli waarschijnlijk een heel ander leven leidt dan zijn rechtmatige eigenaar. Nieuwe berijders, andere wegen en waarschijnlijk een paar generaties benzine en olie verder verdwijnt de bromfiets steeds verder uit het geheugen van Antonio. Totdat in 2026 ergens in Italië een agent een bromfiets controleert die zonder kenteken rondrijdt.

En dan komt het moment waarop een oud politiedossier plotseling weer tot leven komt.

Chassisnummer controleren, gegevens erbij en jawel hoor: daar staat hij. Gestolen in 1984.

Eindelijk beet.

Na ruim 41 jaar wordt Antonio opgespoord en krijgt hij zijn bromfiets terug. Inmiddels is de eigenaar 58 jaar oud en de Garelli natuurlijk ook een behoorlijk stukje ouder geworden. Maar na wat reparaties blijkt het ding nog steeds te rijden als vanouds.

Daar kun je als politieman toch alleen maar bewondering voor hebben.

Voor die Garelli bromfiets dan.

Want die heeft het rechercheonderzoek in ieder geval ruimschoots overleefd.

Het verhaal laat tegelijkertijd zien waarom aangifte doen altijd verstandig is, ook wanneer je op dat moment denkt dat je eigendom voorgoed verdwenen is. Een aangifte zorgt ervoor dat het gestolen goed geregistreerd staat en dat er bij een latere controle, een vondst of een ander onderzoek een lijntje naar de rechtmatige eigenaar kan worden gelegd.

Natuurlijk moeten we daar in Nederland ook eerlijk over zijn. Duizenden aangiften worden niet onderzocht omdat de capaciteit ontbreekt, de prioriteiten elders liggen of de opsporingskansen te gering worden geacht. Dat is voor slachtoffers vaak moeilijk uit te leggen en soms nog moeilijker te accepteren. Je bent bestolen en vervolgens krijg je te horen dat er onvoldoende capaciteit is om de dader te zoeken.

Maar juist daarom moet je aangifte doen. Want wie weet.

Misschien wordt jouw gestolen fiets morgen gevonden, misschien duikt jouw auto over vijf jaar ergens op en misschien staat er over 41 jaar ergens een agent met een oud chassisnummer in zijn hand te kijken alsof hij zojuist de hoofdprijs van de rechercheloterij heeft gewonnen.

En dan blijkt dat die ene aangifte die ooit ergens in een computersysteem werd vastgelegd toch ineens goud waard is.

Dus tegen iedereen die zegt: “Aangifte doen heeft toch geen zin, ze doen er toch niets mee”, zou ik willen zeggen: doe het toch maar.

Want deze Italiaan heeft 41 jaar moeten wachten.

Zijn bromfiets heeft het al die tijd volgehouden.

Dan moet die aangifte dat toch ook kunnen.

🔊🎶Een ander geluid🔉🎙🔊Flower Beat Power

Groove Garden: Flower Beat Power

Zaterdag, na mijn ochtenddienst, rij ik op de fiets dwars door Euverhaove, via de Kasteelweg richting Sportcentrumlaan. Op de wegen die naar het evenemententerrein van Groove Garden leiden, zie ik hordes jongelui in hun bolides en sommigen te voet dezelfde richting opgaan.

Alsof de rattenvanger van Hamelen zijn lonkende werking heeft ingezet. Dit keer niet met speelse fluittonen, maar met helse elektronische bastunes. Het is feest en dat zal iedereen weten. En vooral: horen.

Op de Schwienswei rij ik achterlangs het evenemententerrein naar huis. Mijn trommelvliezen krijgen het nu al zwaar te verduren door het indringende boem-boem-boem. Bij de waterplas zie ik nog ganzen met hun jongen. Die hebben kennelijk nog nooit zoiets meegemaakt.

De schapen in de wei kunnen geen kant op. Ze kunnen alleen maar ondergaan wat hen wordt voorgeschoteld. Ze blaten vrolijk of misschien wel klaagzangerig mee met het onmenselijke audiobeuken.

De bastonen begeleiden mij nog kilometers ver op mijn weg over de rustige paden in het veld.

De volgende zondagochtend, heel vroeg, kom ik weer aangefietst langs de plek van Groove Garden.

Normaal gesproken hoor ik hier de vogels de dag begroeten. Buizerds doorklieven langzaam de ochtendlucht en ganzen met hun jongen spetteren vrolijk in het water. Nu niet.

Het is er doodstil.

Het water van de plas ligt spiegelglad, zonder rimpeltje of oneffenheid. De schapen liggen nog steeds in hun weiland. Ze kunnen immers niet weglopen. Maar ook zij hebben dit keer niets te melden.

Het is zeventien graden en buitengewoon aangenaam.

Toch lijkt het alsof er geen ander dier, vogel of natuurlijk wezen meer aanwezig is. Alsof de hele natuur het hazenpad heeft gekozen en ergens kilometers verderop zit te wachten tot de rust is teruggekeerd.

Weggevlucht voor een spervuur van oorverdovende basdeunen, dat urenlang onophoudelijk door het landschap heeft gedreund.

Dat houdt kennelijk geen enkel dier uit.

Behalve één rechtoplopende soort dan.

Op parkeerplaatsen en in de bermen langs de weg staan nog enkele bolides van feestgangers. Achteloos achtergelaten, gelukkig niet verkeersgevaarlijk.

Op de parkeerplaatsen hebben velen blijkbaar de afvalbak niet kunnen vinden. Afval ligt her en der verspreid over het terrein.

Een heuse sportbeurt voor de mensen die het maandagochtend mogen oprapen.

Nog steeds is het windstil en doodstil. Sittard ligt nog in een diepe zondagochtendslaap.

Bij de rotonde aan de Sportcentrumlaan zie ik in de berm een koppeltje eendjes. Ver weg van hun eigenlijke habitat, het water.

Kennelijk zijn ook zij ruw uit hun rust en dagelijkse patroon weggeblazen.

Het is bewezen: alleen betalende mensen kunnen blijkbaar tegen de decibellen. Die variëren ergens tussen de 80 en 102 dB. Op het evenemententerrein zijn tegen betaling oordoppen verkrijgbaar.

Dat is meestal niet aan dovemansoren gericht.

Moet kunnen natuurlijk. Totdat je op te jonge leeftijd toe bent aan een hoortoestel.

En eerlijk is eerlijk: het evenement is tegelijkertijd een geweldige opsteker voor de stad. Duizenden bezoekers hebben genoten van het audiovisuele spektakel. En wat de openbare orde betreft, hebben zich nagenoeg geen noemenswaardige ongeregeldheden voorgedaan.

Mooi zo.

Flower Beat Power anno 2016.

De mens heeft gefeest, gedanst en genoten. De natuur heeft een nachtje ergens anders geslapen.

En dan vraag ik mij toch af:

Zou het op andere evenemententerreinen ook zo stil worden nadat de laatste beat is uitgestorven?

Dus geniet ervan zolang het kan.

Enjoy the music… zolang je oren, de ganzen, de eendjes en de schapen het nog kunnen verdragen.


zaterdag 8 augustus 2026

5 gieters verdwijnen, een mens blijft geven ...

 

Wat is een begraafplaats eigenlijk?

Is het een plek van bezinning, waar mensen even ontsnappen aan de drukte van alledag?

Een plaats van respect, waar we stilstaan bij degenen die ons zijn ontvallen?

Een plek van herinneringen, waar een naam op een steen soms meer zegt dan duizend woorden?

Voor de één is het een plaats van verdriet en trauma. Voor een ander een morele verplichting: “Ik moet toch even naar het graf.” En misschien is het voor sommigen zelfs een plek van opluchting, omdat een lang ziektebed of een moeilijke periode eindelijk ten einde is gekomen.

Iedere bezoeker draagt zijn eigen verhaal met zich mee.

Maar één ding zouden we met elkaar gemeen moeten hebben: respect voor de plek én voor de mensen die er komen.

Op de begraafplaats in Sittard staan waterkraanpunten waar bezoekers de gieters kunnen vullen. Geen luxe, maar een eenvoudige voorziening om bloemen en planten bij een graf te verzorgen. Toch verdwenen er steeds opnieuw vijf gieters.

Inmiddels zijn er zeven keer vijf nieuwe gieters geleverd. Vijfendertig in totaal.

Dat betekent ook dat er steeds opnieuw iemand is geweest die de gieters van de begraafplaats heeft meegenomen.

Waarom iemand een gieter van een begraafplaats nodig heeft, blijft de vraag. Misschien verdwijnt hij in een eigen tuin. Misschien wordt hij ergens anders gebruikt. Verkocht?

Wie het weet die mag het zeggen 🧐

Maar tegenover degene die de gieters meeneemt, staat een particulier met een 💙 op de juiste plaats die ze steeds opnieuw aanvult.

Niet omdat het moet. Niet omdat hij daarvoor wordt betaald.

Maar omdat hij vindt dat bezoekers van de begraafplaats gebruik moeten kunnen maken van een gieter om een graf te verzorgen.

Wanneer er vijf verdwijnen, zet hij er opnieuw vijf neer.

En als die ook weer weg zijn, begint hij opnieuw.

Misschien denkt hij: de aanhouder wint.


Of misschien is zijn gedachte nog eenvoudiger: “Ik laat mij niet ontmoedigen. Zolang ik iets kan betekenen voor de bezoekers van de begraafplaats, blijf ik de gieters aanvullen.”

Dat verdient respect.

Het is gemakkelijk om iets mee te nemen. Maar het vraagt betrokkenheid om steeds opnieuw iets terug te zetten.

Een begraafplaats is geen gewone plek. Het is een plaats waar herinneringen leven, waar verdriet soms nog tastbaar is en waar mensen in stilte verbonden blijven met iemand die er niet meer is.

Misschien zouden we juist daar wat vaker moeten nadenken over wat we achterlaten.

Of wat we meenemen.

De waarheid ligt, zoals altijd, op het kerkhof.

En nee… daarmee bedoel ik niet dat de dader daar ligt.