Translate

vrijdag 12 juni 2026

Immitatievuurwapens, het verschil tussen nep en echt blijkt pas achteraf

Imitatievuurwapens, een drieluik tussen realiteit, fictie en wrange werkelijkheid

Imitatievuurwapens. Films, series, computerspellen en sociale media staan er bol van. Ze worden getoond als spannend, stoer of zelfs aantrekkelijk. Wie er vaak genoeg naar kijkt, vergeet soms dat achter die plastic of metalen replica's een gevaarlijke werkelijkheid schuilgaat.

Want voor degene die in de loop kijkt, bestaat het verschil tussen echt en nep vaak pas achteraf.

De media smullen ervan. De held draagt een pistool, de schurk nog een groter exemplaar en de spanning stijgt met iedere trekker die wordt overgehaald. Wat op een beeldscherm entertainment is, kan in de echte wereld echter leiden tot angst, geweld, levenslange trauma's of zelfs dodelijke gevolgen.

De navolgende drie incidenten, casussen of verhalen zo u wilt, spelen zich af op dezelfde zondag ergens in augustus, vele jaren geleden. Realiteit, fictie en wrange werkelijkheid lopen daarbij opvallend door elkaar heen.

Incident 1

Soms heb je van die dagen waarop schijnbaar onbelangrijke zaken alle aandacht opeisen. Een rustige zondagochtend. Tot er een melding binnenkomt van een verontruste flatbewoner. Door zijn keukenplafond sijpelt water naar beneden. Zijn woning dreigt langzaam te veranderen in een natte moesson.

Uit veiligheidsoverwegingen ga ik samen met enkele collega's naar het adres. De bovenwoning blijkt bewoond te worden door iemand die al jarenlang bekend is binnen het hulpverleningscircuit. Onlangs heeft hij nog contact gehad met de politie nadat hij in overspannen toestand met een zwaard in het openbaar had rondgelopen. Gelukkig vallen daarbij geen gewonden.

Verleden gedrag biedt echter geen garantie voor de toekomst. Daarom laten wij gezond verstand en veiligheid voorgaan. Gelukkig kunnen wij daarbij putten uit eerdere situatierapportages.

Bij de benedenbuurman constateren we inderdaad een lekkage. Vervolgens gaan we naar de bovenwoning. De deur blijft gesloten. Op aanbellen wordt niet gereageerd. Mogelijk ligt de bewoner onwel binnen.

Onze vrienden van de brandweer openen uiteindelijk de woning. Een nieuwe alles-cutter doet in enkele ogenblikken wat de politiestormram niet voor elkaar krijgt. De weerbarstige, norse deur geeft zich uiteindelijk gewonnen. Het bijkomende voordeel is dat de halve galerij meteen wakker is.

Binnen treffen we gelukkig niemand aan. De lekkage blijkt veroorzaakt te worden door een kraan die nog openstaat.

Tijdens de zoektocht door de woning valt ons oog op een geopende sporttas in een slaapkamer. Daarin liggen vier vuurwapens en andere wapens die niet van echt te onderscheiden zijn.

Voor de gemiddelde burger lijken het echte wapens. Voor een politieagent eveneens. En juist daarin schuilt het gevaar.

Wordt een dergelijk voorwerp plotseling op een agent of burger gericht, dan moet in een fractie van een seconde een beslissing worden genomen. Niemand krijgt dan de tijd om eerst rustig te onderzoeken of een pistool echt of nep is.

De wapens worden in beslag genomen. Onderzoek en verhoor volgen later.

De druppende kraan wordt die ochtend snel gedicht. De juridische kraan tussen huurder en woningcorporatie zal vermoedelijk nog geruime tijd blijven nadruppelen.

Incident 2

Later die dag lees ik over een incident in Den Bosch.

Daar houdt de politie een verwarde man aan nadat hij twee vuurwapens op het hoofd van een agent richt en beide wapens afdrukt.

Achteraf blijken de wapens ongeladen of defect.

Achteraf.

Dat woord maakt echter weinig verschil voor de betrokken agent.

Want wanneer iemand twee vuurwapens op je hoofd richt en tweemaal de trekker overhaalt, denk je niet aan technische mankementen. Je denkt aan je partner, je kinderen, je ouders. Je denkt dat dit mogelijk de laatste minuut van je leven is.

Onwillekeurig komt de beruchte scène uit The Deer Hunter in gedachten, waarin Russische roulette wordt gespeeld. Een huiveringwekkend beeld.

Omstreeks vijf uur 's middags ontvangen agenten een melding van een burenruzie. Bij aankomst zien zij via een openstaande voordeur een man met twee kennelijke vuurwapens.

De verdachte weigert bevelen op te volgen, verdwijnt naar binnen en verschijnt later opnieuw. In een split second richt hij beide wapens op een agent en haalt de trekkers over. Klik. Klik. Geen schot. Geen kogel. Geen overlijdensbericht aan de familie.

De verdachte wordt direct overmeesterd.

De betrokken agenten worden later opgevangen door het Bedrijfsopvang Team. Een uitstekend protocol, want pas na afloop dringt vaak volledig door wat er had kunnen gebeuren.

Voor politiemensen behoort het gebruik van hun vuurwapen tot de zwaarste beslissingen die zij ooit moeten nemen. Wanneer iemand een vuurwapen trekt dat niet van echt te onderscheiden is, bestaat er op dat moment geen verschil tussen echt en nep.

Een imitatiewapen is pas nep wanneer achteraf blijkt dat het nep was.

Onderzoeken naar politiegeweld of schietincidenten kunnen bovendien een zware wissel trekken op de betrokken collega's en hun gezinnen. Verhoren, onderzoeken, het tijdelijk inleveren van het dienstwapen en langdurige onzekerheid zijn vaak onderdeel van het traject.

Incident 3

Alsof de dag nog niet genoeg vuurwapens had voortgebracht, zie ik diezelfde avond als klap op de vuurpijl ook nog een film op televisie."

Daarin ontvoert een overspannen vader zijn minderjarige dochter. De politie treft hem aan bij een beekje waar hij samen met haar bij een kampvuur zit.

Tijdens de confrontatie trekt hij een vuurwapen dat niet van echt te onderscheiden is. Eerst bergt hij het weer op. Even later haalt hij het opnieuw tevoorschijn.

Hij richt het op een politieman. De hamer wordt gespannen. Klik. Klik. Het is fictie. Maar de spanning voelt echt.

Plotseling begrijp ik nog beter wat er door het hoofd van die agent in Den Bosch moet zijn gegaan.

Moraal

De media smullen van vuurwapens. Films, series, videobeelden en sociale media maken ze spannend, stoer en aantrekkelijk. Onbedoeld raken mensen daardoor soms verleid om zelf ook zo'n voorwerp aan te schaffen.

Maar een imitatiewapen is geen speelgoed.

Het vuurt misschien geen kogels af, maar kan wel degelijk levens ontwrichten. Niet omdat het echt is, maar omdat niemand op het beslissende moment kan weten dat het nep is.


Wie een dergelijk wapen trekt, speelt Russische roulette met de angst van een ander. Soms ook met zijn eigen leven.

Daarom zijn dergelijke wapens in Nederland verboden, behoudens enkele wettelijk gereguleerde uitzonderingen zoals airsoft.

"Het was maar nep."

Dat is achteraf vaak een bijzonder schrale constatering.


donderdag 11 juni 2026

Kantelen in the Sky


Kantelen in the Sky

Intro: Dit verhaal is wellicht minder een klassiek politieverhaal en meer een beschouwende momentopname uit een roerige periode binnen de politieorganisatie. Geen achtervolging, melding of aanhouding als rode draad, maar een inkijk in de sfeer, vermoeidheid, loyaliteit en kameraadschap tijdens de jaren van reorganisaties, systemen, werkdruk en voortdurende veranderingen.

Achteraf voelt het bijna documentair aan. Niet geschreven vanuit verbittering of rancune, maar vanuit betrokkenheid bij het vak en de mensen die het dragen. Want ondanks alle bureaucratie, veranderingen en soms absurde processen, bleven politiemensen uiteindelijk gewoon doen wat zij altijd deden: er staan voor anderen én voor elkaar.

Misschien maakt dat achteraf dat deze periode bijzonder is. “Opvallend genoeg denk ik hier in 2026 nog exact hetzelfde over als toen in 2016"

Met een tekening ben je soms sneller klaar dan met duizend woorden. Een plaatje, een praatje, een daadje, iedereen kent het wel. Misschien lukt het mij daarom ook beter om de tekening van Jan the Artist+ te verbinden aan de politieorganisatie zoals wij die dagelijks proefondervindelijk voorgeschoteld krijgen. Een organisatie die soms stevig overeind staat als een oud kasteel met dikke muren en vier trotse kantelen, maar soms ook aandoet als een bouwpakket waar onderweg een handleiding, een schroef en hier en daar wat gezond verstand verloren zijn gegaan.

Ons kasteel heet B.T.W.M. (basis team westelijke mijnstreek)

Vier letters die jarenlang hebben gestaan voor betrokkenheid, kameraadschap, inzet en het bekende vermogen van politiemensen om onder druk gewoon dóór te blijven gaan. Niet met grote woorden of borstklopperij, maar met nachtdiensten, koude koffie, zwarte humor en collega’s die elkaar feilloos aanvoelen zonder daar eerst drie formulieren voor te hoeven invullen.

Of zoals we in Zitterd zeggen: Alles kump good.

Alleen voelt de tegenstander van tegenwoordig anders dan vroeger. Die draagt geen bivakmuts meer, loopt niet met opgeheven vuisten op ons af en kondigt zichzelf al helemaal niet netjes aan. Nee, de vijand van nu kruipt langzaam tussen roosters, regels, ATW-discussies, mailboxen en systemen die ooit bedacht zijn om het werk makkelijker te maken, maar er opvallend vaak in slagen politiemensen nog langer achter een beeldscherm vast te zetten. Soms moet je drie keer inloggen om uiteindelijk vast te stellen dat het systeem eruit ligt. Dat soort humor schrijft zichzelf inmiddels bijna.

Het vreemde is misschien nog wel dat een deel van die druk uit onze eigen organisatie voortkomt. Ooit begon alles waarschijnlijk met goede bedoelingen, structuur en overzicht, maar zoals dat vaker gaat binnen grote organisaties kwam er steeds weer een laag bovenop. Nog een protocol erbij, nog een overlegstructuur erbij, nog een registratiesysteem erbij, totdat niemand meer precies weet waar de fundering van het kasteel ophoudt en de bureaucratie begint.

Ondertussen dendert het echte werk buiten gewoon door. Meldingen, agressie, huiselijk geweld, verdriet, ongevallen en mensen die op de slechtste momenten van hun leven tegenover politiemensen komen te staan. En ergens tussendoor staat dan die collega die na een heftig incident schouderophalend zegt dat het “wel gaat”, terwijl eigenlijk iedereen ziet dat het helemaal niet goed gaat.

Niet alle verwondingen zijn zichtbaar. Een gebroken been zie je meteen, maar een overbelast hoofd vaak pas als iemand al maandenlang op zijn tandvlees loopt. Zelfs bedrijfsartsen zien het venijn van een burn-out niet altijd aankomen, mede omdat politiemensen kampioen zijn in doorgaan. Nog één dienst draaien. Nog één weekend werken. Nog één nachtrit. Tot ergens diep vanbinnen langzaam een lampje begint te knipperen.

En toch zie ik op de eerste verdieping van ós burooke ook iets moois ontstaan. Daar liggen de witte vellen papier waarop namen, keuzes, samenwerkingen en verschuivingen worden ingevuld. Op het eerste gezicht lijken het slechts papieren met wat zwarte kriebelletters, maar tussen die namen lees je veel meer dan alleen een rooster of clusterindeling. Je ziet betrokkenheid, loyaliteit en politiemensen die ondanks alles nog steeds bereid zijn gaten voor elkaar dicht te lopen. Communicerende vaten, niet omdat een beleidsstuk dat zo voorschrijft, maar omdat politiewerk uiteindelijk gewoon mensenwerk blijft.

Natuurlijk schuurt het geregeld stevig. Nieuwe korpschefs lossen oude af, terwijl de oude soms als adviseur blijven hangen met een salaris waarvan menig diender spontaan een extra nachtdienst zou moeten draaien. Bezuinigingen blijven als donkere wolken boven het kasteel hangen en sommige vergaderingen over efficiëntie worden gevoerd door mensen die vermoedelijk al jaren geen straat meer hebben gezien buiten het raam van hun leaseauto. Soms voelt bureaucratie daadwerkelijk alsof je door nat cement probeert te sprinten.

Maar ondanks alles blijft die thin blue line bestaan. Brothers and sisters die onderling best kunnen botsen, mopperen of elkaar voor gek verklaren, maar buiten zonder enige twijfel naast elkaar staan zodra het spannend wordt. Dat blijft misschien wel het mooiste en sterkste onderdeel van politiewerk.

Want onder alle reorganisaties, managementtaal, beleidsstukken en systemen blijft de politie uiteindelijk iets heel eenvoudigs: mensen die andere mensen proberen te helpen op momenten dat het leven volledig uit de bocht vliegt.

En ja, soms zijn wij als organisatie ook gewoon een smeuïge gatenkaas, maar wel eentje waarbij de gaten opvallend vaak worden dichtgelopen door mensen die officieel eigenlijk al overbelast zijn.

Misschien is dat wel onze grootste kracht.

Onder druk wordt veel vloeibaar en heel soms ontstaat er tussen alle ellende ineens een diamant.

Nederland krijgt uiteindelijk de politie die zij verdient.

En die politie, dat zijn wij.

Ook in Zitterd. 👊

maandag 1 juni 2026

Kattenkwaad










Een artikel in De Limburger over een woning vol katten triggert direct een herinnering. In gedachten rijd ik weer naast collega Jan tijdens een groepssurveillance bij de Plisse in Born, in een kerkdorp dichtbij de Grensmaas, met uitzicht op België.

Een melding doet ons stoppen bij een adres dat binnen het korps genoegzaam bekend is. De reden van de melding is eenvoudig: een penetrante ammoniaklucht die opnieuw voor klachten uit de buurt zorgt.

Wij zijn niet de eersten die hier komen en zullen waarschijnlijk ook niet de laatsten zijn. Het verhaal speelt zich af in de beginjaren tachtig, een tijd waarin de politie vaak als eerste én soms bijna als enige overheidsinstantie op dit soort problematiek afkwam. Niet omdat wij daarvoor waren opgeleid, maar omdat wij nu eenmaal dag en nacht bereikbaar waren.

De geschiedenis van dit adres staat al uitgebreid beschreven in onze systemen. De daadwerkelijke regie ligt eigenlijk bij zorginstanties en woningcorporatie als het gaat om vervuiling, dierenwelzijn en woonoverlast. Toch bellen wij opnieuw aan.

De deur wordt geopend door een grote man op leeftijd. Forse handen, een verweerd gezicht en een uiterlijk dat doet denken aan een cowboy die al jaren geen badkamer van binnen heeft gezien. Hij roept bij mij onmiddellijk een scène op uit een oude film van Terence Hill. Na een zeldzaam bad trekt hij daar doodleuk weer dezelfde smerige, stoffige kleren aan.

Zijn gebit lijkt op dat van een bokser die een zware aframmeling heeft gehad en daarbij de halve inhoud van zijn mond in de ring heeft achtergelaten. Zijn spraak is moeilijk verstaanbaar. Een kunstgebit zou hier waarschijnlijk meer op zijn plaats zijn dan een woordenboek. Maar achter dat uiterlijk schuilt vooral een man die al jarenlang wordt ingehaald door psychische en lichamelijke problemen.

Binnen slaat de lucht direct op de ademhaling. De woning is vochtig, tochtig, nattig en benauwend. Onze ogen beginnen vrijwel meteen te tranen. Het lijkt alsof de katten de gehele woning als kattenbak gebruiken. Kattenbakken zelf zijn nergens te bekennen.

Overal lopen katten. Op kasten, stoelen, tafels, vensterbanken en aanrechtbladen. Het zijn er zoveel dat tellen nauwelijks zin heeft. Een voordeel heeft het kennelijk wel: van muizen- of rattenoverlast lijkt geen sprake. Met zoveel dakhazen in dienst waagt geen enkele knager zich vrijwillig aan een carrière op dit adres.

Collega Jan neemt geduldig een verklaring op. Woord voor woord noteert hij wat de bewoner vertelt. Voor mij klinkt het als een onsamenhangende stroom van gedachten waarin werkelijkheid, herinnering en fantasie moeiteloos door elkaar lopen. Achter ieder antwoord hoor ik eigenlijk maar één boodschap: een stille schreeuw om hulp.

Ik herinner me nog goed dat op tafel een sprei lag die net zo vochtig aanvoelde als de stoel waarop Jan plaatsnam. Alles in huis leek klam. Alsof de woning langzaam oploste in haar eigen vocht en verval.

Na afloop doen wij wat we al zo vaak hebben gedaan. We adviseren, rapporteren en geven de situatie door aan de instanties die tijdens kantooruren verantwoordelijk zijn voor verdere zorg en begeleiding.

Daarna verlaten we de tussenwoning.

Met het onbevredigende gevoel dat we opnieuw getuige zijn geweest van menselijk verval zonder werkelijk iets te kunnen veranderen. Soms is de politie niet meer dan een doorgeefluik tussen nood en hulp. En soms voelt dat als veel te weinig.

Epiloog

Terug in de dienstauto draaien we de ramen handmatig open. Elektrische ramen zijn in die tijd blijkbaar nog toekomstmuziek binnen de politieorganisatie. De frisse buitenlucht stroomt gul naar binnen, maar de kattengeuren, ammoniakdampen en overige biologisch actieve bestanddelen laten zich niet zomaar verjagen.

Die zitten inmiddels diep genesteld in onze neusvleugels. Waarschijnlijk met een huurcontract voor onbepaalde tijd.

Onze uniformen zijn toe aan een wasbeurt van olympisch niveau.

Collega Jan begint onderweg plotseling driftig aan zijn rechteronderarm te krabben. Hij rolt zijn hemdsmouw omhoog. De huid is vuurrood en geïrriteerd. Waarschijnlijk een souvenir van de vochtige tafelsprei waarop hij tijdens het opnemen van de verklaring zijn arm had laten rusten. Dezelfde sprei die door de katten kennelijk was aangewezen als officiële uitlaatlocatie.

Ik kijk naar mijn eigen handen, net uit in mijn broekzakken gehaal. Schoon en reukloos. Soms is alertheid gewoon een onderschatte vorm van risicobeheersing.

De woningcorporatie en hulpverlenende instanties pakken de casus uiteindelijk op. Zoals zo vaak volgen gesprekken, plannen, evaluaties en goede bedoelingen. Even lijkt er verbetering te ontstaan.

Maar helaas.

Sommige dossiers hebben meer levens dan de katten die erin voorkomen.

Vele jaren later komen er opnieuw meldingen vanaf hetzelfde adres. De oorspronkelijke grijze cowboy woonr er niet meer. Nieuwe hoofdrolspelers hebben er hun intrek genomen.

De problemen zijn echter opmerkelijk trouw gebleven.

Deze keer geen twintig katten, maar vijf honden. Geen gemiauw, maar onafgebroken geblaf. Geen kattenpis, maar een betegelde achterplaats die eruitziet als een mijnenveld van hondendrollen gemaskeerd met een reukgordijn.

De stank is gebleven. De overlast ook. De geschiedenis herhaalt zich. Zij het met een andere cast.

En zoals gebruikelijk wijst iedereen naar dezelfde verdachten

De politie en de zon.

Want zonder die ontembare zonnestralen zou de geur natuurlijk nooit de kans krijgen zich met zoveel enthousiasme door de wijk te verspreiden.

Soms denk ik dat de zon meer processen-verbaal verdient dan menig veelpleger.

Toch is er in al die jaren ook iets veranderd.

Waar de politie begin jaren tachtig vaak noodgedwongen het eerste en belangrijkste vangnet vormde voor dit soort maatschappelijke problematiek, hebben zorginstanties, woningcorporaties en hulpverleners tegenwoordig gelukkig een veel grotere rol gekregen. Zoals het hoort.

Maar één ding blijft onveranderd.

Als eerste wordt nog altijd de politie gebeld.

En dus rijden agenten ook vandaag de dag nog naar meldingen waar achter stankoverlast, vervuiling, geluidshinder of verwaarlozing vaak een veel groter menselijk probleem schuilgaat.

Terugkijkend heb ik in dit soort zaken zelden iets zelf opgelost.

De politie beschikt immers niet over de middelen, bevoegdheden of deskundigheid om eenzaamheid, vervuiling, psychische problemen of maatschappelijke teloorgang te genezen.

Wat wij wel deden, was blijven signaleren. Blijven rapporteren. Blijven bellen. Blijven aandringen. Blijven aanklampen.

Net zolang totdat de instanties die daarvoor waren uitgerust hun verantwoordelijkheid konden nemen.

Soms voelde dat als dweilen met de kraan open. Soms leek het alsof dossiers eindeloos in kringetjes rondliepen.

Maar achteraf besef ik dat ook dát politiewerk was. Niet alles zelf oplossen.

Maar ervoor zorgen dat een probleem niet langer genegeerd kon worden.

De hoofdrolspelers wisselen. De honden vervangen de katten. De jaren verstrijken. Maar sommige verhalen weigeren simpelweg het toneel te verlaten.

En wij? Wij rijden weer verder naar de volgende melding. Met open ramen.

En een gezonde dosis wantrouwen jegens tafelspreien.

Ps: Kamer bezorgd over stijgend aantal verwarde mensen en uitblijven van oplossingen - https://nos.nl/l/2609767


dinsdag 26 mei 2026

Bachus en Karma soms lopen ze samen

De god Bacchus — Deel 1

Daar loopt hij, midden in de nacht, zat van de drank, waggelend alsof de wereld onder zijn voeten niet meer helemaal meewerkt. Groot, breedgeschouderd, donkere kleren, grof leren jack, een verschijning die op dit uur van de nacht eerder opvalt dan wegvalt. Zijn hand bloedt hevig. Een doek eromheen die inmiddels meer bloed heeft opgenomen dan waarvoor hij ooit bedoeld is.

Wij rijden die nacht Mergellandsurveillance. Dat betekent grote afstanden door het Heuvelland, donkere wegen, slapende dorpen en lange stukken asfalt waar je soms minutenlang niemand tegenkomt en op andere momenten drie meldingen tegelijk lijkt te krijgen.

Na 03.00 uur zijn we vaak nog maar met een handjevol mensen over. De wachtcommandant van bureau Gulpen heeft einde dienst en gaat huiswaarts terwijl wij met twee collega's het werk bestieren dat de nacht nog voor ons in petto heeft; besurveilleren, meldingen rijden en gewoon doorgaan zoals dat in die tijd gaat.

Samenwerking met de gemeentepolitie is er nauwelijks. Niet uit onwil. Zo werkt het systeem nu eenmaal. Zij hun gemeente. Wij ons rayon. Bekeken door de bril van vandaag bijna onvoorstelbaar, maar destijds kijkt niemand daar vreemd van op. Tenzij de nood hoog wordt en wetten, protocollen en grenzen een klein zetje krijgen. Dan blijkt er ineens meer mogelijk dan vooraf op papier bedacht.

Die nacht komt een getuige in actie door herrie bij het busstation van Gulpen. Maar ook glasgerinkel en geschreeuw van pijn.

Via de vaste telefoon belt iemand de meldkamer met de mededeling dat een man met zijn blote handen een ruit van het busstation aan gruzelementen heeft geslagen.

Wij geven acte de présence.

De blauwe rijkspolitiebus baant zich een weg door een slapend stukje Heuvelland waar de nachten lang zijn, de afstanden groot en de meldingen zich zelden iets aantrekken van het uur op de klok.

Dan zien we hem.

De straatverlichting langs de Rijksweg in Gulpen en de weerkaatsing in donkere etalageruiten verraden hem moeiteloos.

Makkelijk zat. Niemand meer op straat behalve hij en wij. Hij loopt weg van de plaats delict.

Van dadersporen uitwissen lijkt geen enkele sprake. Waarom ook.

Zijn geest verkeert al uren onder bescherming van de god Bacchus die hem deze nacht vloeibare moed verkoopt, een bedrieglijk goedje dat mensen soms het gevoel geeft onoverwinnelijk te zijn zolang de glazen zich blijven vullen.

Hij heeft geen vervoer. Op het busstation is alles stil. Zelfs de lijnbussen lijken te slapen.

Hij wil naar huis. Maar alcohol, frustratie en een telefooncel blijken geen gelukkige combinatie.

Met dubbele tong lukt het hem niet eens een taxi te bellen.

Zoals dat vaker gaat wanneer drank logica verdringt, wordt boosheid plotseling een plan van aanpak.

Hij haalt uit. Met zijn gepantserde handen.

Tot het glas van het bushokje harder blijkt dan blote vuisten.

Het glas wijkt niet. Het breekt. Onder tomeloos geweld.

Soms dient karma zich niet jaren later aan.

Soms staat het gewoon al om de hoek.

Druipend uit een bebloede hand.

Kort speuren naar hem en linea recta voor zijn neus opduiken.

Bliksemsnel handelen voordat hij boeh of bah kan zeggen.

Zonder veel haken en ogen laden wij de delinquent in de politiebus.

Maastricht en Heerlen liggen te ver weg voor een man met een hand die inmiddels meer bloed dan huid lijkt te bevatten.

Dus rijden wij naar dokter Schepel.

Deze gedenkwaardige nacht is nog lang niet voorbij met een tragisch komische wending bij de dokter.

Deel 2

Dokter Schepel, huisarts in Gulpen, woonde voor dranklustigen en nachtelijke pechvogels op een plek die bijkans als een onneembare vesting moest hebben gevoeld. Hoog tegen de bergrug aangebouwd langs een grote waterplas, bereikbaar via een supersteil betonnen pad met aan één zijde een ijzeren leuning waar menig nuchter mens al bedachtzaam omhoog liep, laat staan iemand die nog volop onder bescherming stond van de god Bacchus.

Onze delinquent loopt mee. Althans, meelopen is een groot woord. Ondersteund. Aangeduwd. Bijna meegesleurd. Trede voor trede. Steiler dan goed is voor mens en zijn moraal.

Eenmaal boven aangekomen zien we in het volle licht pas goed met wat voor man we van pardoes van straat hebben geplukt. Overdag werkt hij in de sloop. IJzer. Steen. Slopen. Aanpakken. Zijn handen verraden zijn beroep onmiddellijk. Groot. Breed. Eeltlagen dikker dan menig schoenzool. Gespannen leer over kolenschoppen van handen die duidelijk niet zijn gebouwd voor kantoorwerk.

Dokter Schepel verschijnt. Wilde grijze haardos. Grote bril. Alsof hij rechtstreeks een Nederlandse uitvoering van Back to the Future is uitgelopen. Rustig. Ervaren.

Een man die waarschijnlijk al meer menselijke dwaasheid heeft gezien dan goed is voor een mens.

De inmiddels topzware handdoek, verzadigd met rode lichaamssappen, wordt voorzichtig verwijderd. Dan zien wij waar de hevige pijn vandaan komt. De diepe gemene gapende open wond.

Ook karma blijkt die nacht gewoon abonnementhouder.

Plotseling lijkt onze verdachte iets sneller te ontnuchteren wanneer dokter Schepel een forse verdovingsspuit uit de lade haalt.

Het gezicht van onze krachtpatser verandert zichtbaar. Lijkbleek wordt hij zienderogen.

Deze man, die kort daarvoor nog een bushokje heeft uitgedaagd alsof hij van gewapend beton  is gemaakt, blijkt doodsbang voor spuiten.

Hij dult geen naald in zijn gehavende vlees. Hoe dom kun je zijn. Naar het ziekenhuis rijden is geen optie.

Dus gaat de lade opnieuw open. Hechtmateriaal. Krammen.

En toen zie ik iets wat ik nog altijd haarscherp voor mij zie.

Een kram. Zo groot als de nagel van een roofvogel. Ik heb ze zelden zo fors gezien.

Nog altijd is hij banger voor de spuit dan voor zijn eigen opengescheurde hand.

Dokter Schepel glimlacht. Niet gemeen. Niet spottend. Meer de glimlach van iemand die denkt: wie niet wil horen, moet voelen.

De eerste poging. Mislukt. Afgebroken. Nog een poging. En nog één. Uiteindelijk lukt het.

Met de vastberadenheid van een olifant en de ervaring van iemand die zich niet laat imponeren door Bacchus, spierballen of paniek. 

Vijf stevige hechtingen. Het angstzweet druipt van zijn gezicht. Zijn trui is kletsnat geworden. Hij piept als een klein kind

Wat een mooi mens van een dokter. Ik heb mij later nog weleens afgevraagd hoeveel hij die nacht inwendig gelachen moet hebben.

Daarna nemen wij hem mee naar het bureau.

Papierwerk. Verklaringen. Administratie. Dat hoort erbij, ook toen.

Als alles afgewerkt is, sturen wij hem huiswaarts. Pedis apostolorum oftewel te voet naar Maastricht. Op zijn blaren zitten, spreekwoordelijk dan want, hij moet een lange weg afleggen. Een aardige wandeling. Hij is nu voldoende ontnuchterd.

Hij Luistert opvallend goed naar ons advies. Misschien omdat Bacchus hem inmiddels volledig heeft verlaten.

Misschien ook, omdat dokter Schepel en zijn gereedschapslade meer indruk hebben gemaakt dan de rijkspolitie.

Die nacht hebben wij niets meer van hem gehoord.

Onderweg naar huis heeft hij zijn daden kunnen overdenken. Of niet.

Misschien heeft hij Gulpen daarna altijd gemeden.

Misschien ook niet. Wel weet ik één ding zeker. Via Justitie zal nog een klein aandenken volgen.

Misschien een verschijning. Misschien een rekening. Misschien allebei.

In die tijd schreven wij die oproepingen voor Justitie nog zelf.

Andere tijden. Andere regels.

Maar menselijke dwaasheid…

die blijft verrassend modern. 😅

PS: Ik  ben helaas vergeten met welke collega ik toen dienst had ...



maandag 25 mei 2026

Brussel – Tokio, tussen vergrijzing en instroom en Anton Geesink

 

Ergens diep onder Brussel moet een machine staan die ooit gebouwd werd om orde te brengen, een indrukwekkend gevaarte van regels, verdragen, noodoplossingen en eerdere oplossingen die later zelf ook weer problemen bleken te veroorzaken. Gebouwd in een tijd van utopische goedgelovigheid en de bijna magische overtuiging dat alles uiteindelijk goed komt binnen een maatschappelijk georiënteerde praatmachine waar overleg soms belangrijker lijkt geworden dan richting.

Weet dat die machine nog steeds draait, tureluurs als een mallemolen zonder snelheidsbegrenzing en zonder de vereiste vakkennis terwijl in Brussel teveel handen tegelijk aan dezelfde knoppen draaien. De smering van de machine lijkt langzaam vervangen door stapels plannen, beleidsstukken en visiedocumenten die zich opstapelen als een perpetuum mobile richting een verre en ongewisse toekomst waarvan niemand nog precies weet waar de eindhalte ligt.

Boven die machine beweegt Europa verder, voorzichtig, zoekend, soms indrukwekkend maar steeds vaker twijfelend.

En duizenden kilometers verderop ligt Japan, dat merkwaardige land waar een samenleving sneller vergrijst dan men lief is, waar steeds minder schouders hetzelfde gewicht moeten dragen en waar de toekomst niet langzaam op de deur klopt maar inmiddels al jaren aan de keukentafel zit alsof zij vergeten is weer weg te gaan.

Uit noodzaak zoekt men daar techniek, automatisering en robots omdat noodzaak vaak een betere uitvinder blijkt dan idealisme, arbeid schaarser wordt, jongerenaanwas terugloopt en een samenleving steeds meer gewicht moet dragen met steeds minder schouders.

En misschien zit precies daar een verschil waar Europa en Japan elkaar zwijgend passeren alsof twee oude boksers na een lange carrière tegenover elkaar staan, allebei zien dat de ander moe begint te worden en allebei een andere manier kozen om overeind te blijven.

Waar Nederland jaarlijks grote aantallen asielaanvragen verwerkt houdt Japan die aantallen al jarenlang veel beperkter en kijkt men naar toelating alsof een oude judoleraar naar een examen kijkt waar niet automatisch iedereen slaagt omdat hij zich heeft aangemeld.

Japan betaalt daar ook een prijs voor, omdat complete dorpen langzaam leeglopen, de samenleving ouder wordt en steeds minder schouders hetzelfde gewicht moeten dragen terwijl de klok onverbiddelijk verder tikt.

Europa koos vaker een andere route waarbij meer instroom, meer beweging, meer druk op systemen en meer maatschappelijke spanning samenkomen in een machine die steeds ingewikkelder begint te draaien.

Hier bouwen wij systemen die soms steeds meer beginnen te lijken op een bypassoperatie met acht omleidingen, twaalf noodverbanden, drie tijdelijke noodmaatregelen. Die ongemerkt vaste bewoners van het systeem geworden zijn en een complete installatie die met de beste bedoelingen overeind gehouden wordt. Door een stekker die nog net vastzit in een bijna versleten stopcontact waar al jaren niemand meer aan durft te komen omdat iedereen voelt dat heel de machine anders tegelijk stilvalt.

Ondertussen schuift de tijd verder terwijl personeel schaarser wordt, de zorg mensen zoekt, de woningmarkt kraakt en wachtlijsten groeien alsof ergens diep onder de samenleving langzaam een tandwiel versleten raakt waar jarenlang niemand werkelijk naar wilde kijken.

En dan komen mensen die vluchten, veiligheid zoeken of opnieuw willen beginnen terwijl Europa deuren, procedures en systemen opent en ergens tussen menselijke nood, economische druk, vergrijzing, personeelstekorten, woningdruk en politieke beloftes langzaam een ongemakkelijk gevoel ontstaat dat steeds meer mensen herkennen.

Ondertussen draaien de praattafels verder terwijl bekende gezichten opnieuw uitleggen waarom het deze keer anders zal worden, alsof ergens een fabriek draait waar hoop machinaal geproduceerd wordt en iedere paar jaar opnieuw glanzend verpakt richting kiezer verdwijnt.

Ondertussen kijkt de gewone burger naar huizen, boodschappen en spaargeld dat ooit zekerheid moest geven maar soms begint te voelen als een oude winterjas die ieder jaar iets dunner wordt terwijl bovenin opnieuw aan grote wereldvraagstukken wordt gesleuteld en beneden iemand gewoon naar een woning, een wachtlijst of een energierekening kijkt en zich stilletjes afvraagt wanneer de samenleving ook hem weer eens ziet staan.

Steeds meer mensen beginnen te voelen dat sterke samenlevingen niet gebouwd worden op goede bedoelingen alleen, omdat huizen eerst gebouwd moeten worden voordat sleutels verdeeld worden, omdat zorg overeind moet blijven voor mensen die er dagelijks afhankelijk van zijn en omdat vertrouwen langzaam kan verdwijnen wanneer het gevoel ontstaat dat de rek uit systemen begint te lopen terwijl polarisatie steeds nadrukkelijker haar intrede doet.

En ondertussen ploeteren de moraalridders onvermoeibaar verder in het zweet huns aanschijns terwijl beneden de machine voorzichtig begint te schudden op haar fundering en steeds meer mensen zich afvragen of de reparatie inmiddels niet belangrijker geworden is dan de uitleg waarom repareren ingewikkeld blijkt.

Ondertussen draait Europa verder in haar eigen gecreëerde mallemolen, alsof een machine die jarenlang op noodreparaties draaide inmiddels vergeten is hoe echte revisie ook alweer voelt.

Een machine die te lang op noodreparaties draait vraagt op een dag niet meer om onderhoud.

Die vraagt om eerlijkheid, vindingrijkheid en een moreel kompas dat niet iedere verkiezing opnieuw van richting verandert.

En ergens aan een meer kijkt die oude monteur nog één keer op van zijn koffie, staart zwijgend naar een wereld die steeds ingewikkelder lijkt te worden dan nodig is en bromt zachtjes voor zich uit:

“Jongens… een kompas heeft weinig waarde als iemand iedere vier jaar het noorden verlegt.”

En misschien hebben Europa en Japan ongemerkt meer gemeen dan gedacht, want naast vergrijzing en hoofdbrekens over de toekomst vonden ook de Aziatische hoornaar, de duizendpoot en Anton Geesink ooit een manier om de afstand tussen werelden kleiner te maken, waarbij die laatste als Nederlands eenmansjudoleger ergens diep in Japan ooit bewees dat zelfs grootmachten af en toe verrast kunnen worden. 👍👊💙


zaterdag 23 mei 2026

De groene lamp

Ik had geen ingewikkelde systemen nodig om overzicht te houden op wat zich binnen Team 4 afspeelde. Geen overzichten waar je een halve dienst aan kwijt was of systemen waar je eerst drie keer moest inloggen voordat je wist wat er speelde. Ik had een A4 in mijn rugzak.

Daarop stonden kort de aandachtspunten beschreven. Hotspots. Zorgmijders. Instabiele personen. Criminele activiteiten. Locaties waar ontwikkelingen speelden of waar het dreigde te gaan rommelen. Niet volledig natuurlijk, want een wijk laat zich onmogelijk samenvatten op één vel papier, maar wel voldoende om gevoel te houden bij wat er leefde.

Dat A4'tje had ik zelf ontwikkeld. Niet vanuit beleid of een projectgroep die maanden ergens over had vergaderd, maar gewoon vanuit de praktijk. Omdat ik merkte dat overzicht houden in een gebied alleen werkt als je voortdurend de vinger aan de pols houdt.

Gaandeweg nam ik ook mijn twee mede-wijkagenten mee in die manier van werken. Samen waren wij binnen Team 4 verantwoordelijk voor een gebied van ongeveer 20.000 inwoners. Dat is best een lap grond wanneer je zichtbaar wilt blijven, aanspreekbaar wilt zijn en tegelijkertijd gevoel wilt houden bij wat zich onder de oppervlakte afspeelt.

Ik hing dat overzicht vrijwillig op één van de grote aandachtborden van Team 1 tot en met Team 4 binnen de basiseenheid. Geen verplichting voor collega's. Iedereen moest vooral werken op een manier die bij hem of haar paste. Het was meer een bescheiden uitnodiging om misschien eens een andere satépen in de organisatie te steken.

Sommigen pakten onderdelen op.

Anderen niet.

Dat hoort ook bij politiewerk.

Regelmatig werd het overzicht aangepast. Nieuwe ontwikkelingen erbij. Zaken eruit die niet meer speelden. Een wijk verandert voortdurend. Kleine signalen van vandaag kunnen maanden later ineens een groot dossier zijn geworden. Dat A4'tje moest dus onderhouden worden, net zoals je de motorolie van een politieauto niet ververst omdat het leuk staat op papier, maar omdat je anders vroeg of laat stil komt te staan.

Vaak konden wij binnen minder dan een uur de belangrijkste aandachtspunten in ons werkgebied bezoeken. Even kijken. Een praatje maken. Aanwezig zijn. Soms een corrigerend gesprek. Soms alleen luisteren. Vaak zat daar al een groot deel van het wijkwerk in.

Mijn wijken lagen grotendeels landelijk. Groen. Rustig. Op het eerste gezicht gebeurde er weinig. Tegen de avond gingen rolluiken dicht, televisie aan en liep de straat langzaam leeg. Geen mens of muis meer buiten.

Maar zware criminaliteit trekt zich weinig aan van een landelijke omgeving. Een weiland, vrijstaande woning of rustige dorpskern vormen zelden een obstakel voor mensen die verkeerde bedoelingen hebben.

In onze wijken speelden zich soms ernstige delicten af die voor veel bewoners volledig buiten beeld bleven. Niet uit onwil. Mensen leefden hun leven. Werk. Gezin. Sport. Verplichtingen. Alleen verdween daardoor soms ongemerkt ook de thermometer uit de wijk; de ogen en oren die vroeger vaak vanzelf aanwezig waren.

Juist daarom vonden wij zichtbaarheid belangrijk. Niet wachten tot het fout loopt. Niet alleen komen als er ellende is.

Maar aanwezig zijn voordat zaken groter worden.

In de avonduren zette ik tijdens wijkwerk regelmatig de groene lamp op de politieauto aan. Officieel was die daar niet voor bedoeld.

Maar bewoners begrepen het signaal prima.

De wijkagent is er.

Mensen zagen de politieauto rijden en wisten dat er gekeken werd. Dat er aandacht was. Dat iemand gevoel hield bij wat er speelde.

En als er later iets ernstigs gebeurde, hoorde je soms dezelfde vragen terugkomen.

Waar was de politie?

Waarom heeft niemand dit gezien?

Waarom is er niet eerder ingegrepen?

Soms lag een eventuele casus niet eens direct op het bordje van de politie, maar was die inzet wel heel hard nodig omdat andere netwerkpartners er eenvoudigweg niet waren.

Maar veiligheid ontstaat niet alleen vanuit een politieauto of een bureau. Een veilige wijk ontstaat ook doordat mensen betrokken blijven bij hun eigen leefomgeving. Door te kijken. Door te signaleren. Door elkaar te kennen.

Dat A4'tje paste moeiteloos in mijn rugzak, maar wat erop stond vertelde soms meer over een wijk dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.

En die groene lamp?

Die vertelde vaak hetzelfde.

Alleen zonder woorden.


dinsdag 19 mei 2026

Bokswedstrijd in Bittburg👊

Deze memorabele  avond ergens in 1977 of begin 1978  begon met een lichte combinatie van zenuwen en overtuiging van eigen kunnen. Precies genoeg spanning om scherp te zijn, en genoeg vertrouwen om te weten: dit kan ik.

Saillant detail vooraf: de Amerikanen in Bitburg wilden er ineens vijf rondes van maken. Semi-prof, zeiden ze. Gebruikelijk, zeiden ze. Mooie woorden, maar ik hield het simpel — drie rondes afgesproken is drie rondes boksen. Geen onderhandelingen meer als je al in de ring staat.

Mijn tegenstander: Mr. Robinson. Gespierd, ervaren en met die blik van iemand die liever doorgaat dan stopt.

Hij was groter, sterker en gewend aan langere partijen. Maar boksen is geen kwestie van tijd alleen. Boksen is een schaakspel. Rust bewaren. Niet boos worden. Intuïtief handelen. Ontwijken, pareren, uit onverwachte hoeken komen en vooral: overzicht houden en niet tegen die ene verkeerde stoot aanlopen.

Ik was southpaw. En dat merkte hij.

Carla stond aan de ring. Zoals altijd. Aanmoedigend, scherp, en ondertussen alles fotografisch vastleggend. Terwijl ik bezig was met het spel, zorgde zij dat het verhaal bleef bestaan.

Eerste ronde. Aftasten. Hij kwam stevig, ik bleef rustig. Mijn “tikjes” — snel, scherp en precies — haalden zijn aanvallen eruit. Geen krachtpatserij, maar efficiëntie. Je zag hem denken.

Tweede ronde. Het schaakspel verschoof. Hij probeerde druk te zetten, ik brak zijn ritme. Mijn hoeken klopten niet voor hem. Links kwam waar rechts verwacht werd.

Derde ronde. Hij wilde forceren. Misschien dacht hij al aan die vijf rondes of aan de twijfel om deze partij te kunnen. 

Ik bleef bij mijn plan. Overzicht houden, niet happen, geen cadeaus geven.

Eindsignaal.

Geen knock-out spektakel naar gedegen boksen. Gewoon jury.

En: winst op punten.

Verdiend. Niet alleen omdat ik sterker was, maar omdat ik beter inspeelde op het gevecht en zijn aanvallen,

Na afloop werd het gevierd met de kampfgemeinschaft van Heinsberg, aangevuld met boksers uit alle gewichtsklassen van omliggende verenigingen. Eén geheel, één avond, veel verhalen.

En Mr. Robinson? Respect voor hem en zijn sportiviteit. Wat een sterke tegenstander.

Maar deze avond werd geen vijf rondes lang verhaal.

Drie waren genoeg.

vrijdag 15 mei 2026

Psychisch leed of PTSS in wording

 Psychisch leed of PTSS in wording, wie zal het zeggen…

Op de morgen van 25 oktober 2015 is de wintertijd ingegaan. Buiten is het zacht weer voor de tijd van het jaar en terwijl de meeste mensen nog slapen trap ik op de pedalen van mijn metalen psycholoog, mijn Batavus GI, richting bureau.

Lang heb ik gedacht dat GI stond voor General Infantry, iets stoers en militairs passend bij mijn dagelijkse omzwervingen, maar uiteindelijk blijkt het gewoon Galvanized Iron te betekenen. Ook goed.

Wanneer ik een grote doorgaande weg richting centrum opdraai, lijkt het even alsof de zon al opkomt. Dat blijkt niet zo te zijn. Het is het zachte gele licht van de lantaarnpalen dat mijn silhouet over het fietspad projecteert en met mij mee beweegt, precies even snel als mijn trappende benen.

In de verte zie ik de verlichte tenten van de Oktoberfeesten boven de stad uitsteken als een soort feestelijke fata morgana. De massa’s feestvierders zijn inmiddels verdwenen om hun roes uit te slapen of hun accu opnieuw op te laden. Het is aangenaam stil op straat.

Alleen een vrouw met een grote hond kruist mijn route. De hond voert zijn ochtendritueel uit terwijl ik mij afvraag of zij net uit bed komt of misschien pas huiswaarts keert vanuit het bruisende nachtleven.

Wat hebben wij het dan toch goed in Nederland, denk ik even.

Op het bureau hoor ik vervolgens de andere kant van dat verhaal. Diverse aanhoudingen wegens openbare dronkenschap, beledigingen richting collega’s, mishandelingen en ander nachtelijk gedoe liggen alweer klaar voor verdere afhandeling door de recherche en opsporing. Sommige verdachten zullen hun roes inmiddels uitslapen in een kale politiecel, samen met een financiële kater en mogelijk een minder warm onthaal thuis.

Zelf word ik die ochtend belast met de intake binnendienst. Ook dat hoort bij politiewerk. Minder spectaculair misschien, maar vaak minstens zo belangrijk.

Toch blijft mijn hoofd hangen bij een andere melding van enkele dagen eerder.

Mijn collega Tom en ik worden door de meldkamer naar een kerkdorp binnen ons basisteam gestuurd voor assistentie bij een waardevol transport. Ter plaatse blijkt een technisch mankement ervoor te zorgen dat het transportvoertuig niet meer verder kan rijden.

Een van de medewerkers staat ondertussen buiten in regen en kou te wachten totdat ondersteuning van het moederbedrijf arriveert. Het verkeer dendert onafgebroken voorbij terwijl Tom en ik de situatie beveiligen.

Ik raak aan de praat met de man die buiten staat te vernikkelen in een shirt met korte mouwen. Hij oogt ouder dan hij werkelijk is. Zijn gezicht is verweerd, gegroefd en moe, alsof het leven er al veel te vroeg met grof schuurpapier overheen is gegaan.

Wanneer wij zijn gegevens noteren, blijkt hij zeker tien jaar jonger dan ik had ingeschat.

Hij praat met een vriendelijk Brabants accent en lacht opvallend veel, bijna alsof hij ongemakkelijke stiltes wil wegdrukken voordat ze gevaarlijk kunnen worden.

Nog niet zo lang geleden heeft hij afscheid genomen van Defensie. Twee uitzendingen naar Afghanistan liggen achter hem. Zijn eerste missie draait hij wanneer hij nauwelijks achttien jaar oud is.

Ik vraag hem hoe hij die periode heeft doorstaan.

“Valt wel mee,” antwoordt hij luchtig.

Maar zijn ogen vertellen iets anders.

Hij vertelt dat zijn moeder zich kapot schrok toen hij na zijn eerste uitzending thuiskwam. Volgens haar leek hij ineens tien jaar ouder geworden.

Vroeger was hij een feestbeest, zegt hij zelf. Nu voelt hij zich vooral vroeg volwassen.

In Afghanistan rijdt hij patrouilles en ligt hij geregeld onder vuur. Hij vertelt bijna achteloos hoe een kameraad op een bermbom loopt waarbij de onderste helft van diens lichaam wordt afgerukt. De woorden komen rustig uit zijn mond, maar blijven zwaar in de lucht hangen.

Hij heeft kinderen zien mishandelen door ordehandhavers. Hij heeft mensen gezien zonder handen, geamputeerd volgens lokale straffen. Hij heeft geleerd dat angst, geweld en ellende daar bijna gewone onderdelen van het dagelijks leven vormen.

“De mensen daar hebben geen tranen meer over,” zegt hij.

Die zin blijft bij mij hangen.

Ik vraag hem hoe hij tegenwoordig omgaat met zijn herinneringen.

Hij vertelt dat hij nog regelmatig afspreekt met oude maten uit het leger. Samen praten helpt, zegt hij. Buitenstaanders begrijpen vaak moeilijk wat militairen precies meemaken tijdens zulke uitzendingen.

Ook geeft hij eerlijk toe dat hij hulp zou zoeken wanneer dat nodig blijkt te zijn. Daar schaamt hij zich niet voor. Onder zijn voormalige collega’s kent hij meerdere gevallen van PTSS.

Tijdens ons gesprek rookt hij de ene sigaret na de andere en lacht ondertussen kleine stukken ongemak weg alsof hij de zwaarte van zijn eigen herinneringen liever niet volledig toelaat.

“Alles komt goed” zegt hij uiteindelijk.

Maar ik weet niet zeker of hij dat echt gelooft.

Even later arriveert hulp van het transportbedrijf en kan hij zich eindelijk opwarmen in de cabine van de wagen. Wanneer hij wegrijdt zwaai ik hem na.

Ik hoop oprecht dat het goed met hem komt.

Want achter sommige glimlachen schuilt meer psychisch leed dan mensen ooit aan de buitenkant zullen zien.

Zoals hem zijn er velen.

Mensen in uniform die iedere dag opnieuw anderen beschermen, terwijl zij ondertussen proberen om hun eigen innerlijke oorlog enigszins onder controle te houden.

Gevecht met een TBS'er

Op 30 oktober 2014 ontvang ik opnieuw een bericht dat de veroordeelde TBS’er voor de rechtbank moet verschijnen. Meteen dringt die oude casus zich weer aan mij op, alsof bepaalde gebeurtenissen zich ergens diep in je geheugen vastzetten en bij het minste of geringste opnieuw komen bovendrijven.

In mijn beleving zit deze man langdurig opgeborgen en ver weg van de samenleving. Anders dan de vele draaideurcriminelen die wij als politie telkens opnieuw bij justitie aanleveren en die soms sneller buiten staan dan ons lief is. Bij TBS ligt dat anders. Daar hangt een zwaarder gewicht aan vast, een ander gevaar, een ander dossier.

Als politiemens leer je zaken loslaten. Dat moet ook wel, anders sleep je iedere dienst opnieuw met je mee. Zodra een verdachte aan justitie wordt overgedragen, verschuift de verantwoordelijkheid naar rechters, officieren en deskundigen. Toch zijn er dossiers die blijven haken.

Dit is er zo een.

Mijn collega en ik zitten tijdens de ochtenddienst even te pauzeren op het bureau. Met toestemming van de meldkamer staan wij op “pauze”, al blijft de portofoon gewoon openstaan. Dat hoort erbij. Waakzaam en dienstbaar stopt niet zodra je een boterham vastpakt.

Dan komt de melding binnen van een roofoverval op een winkel voor genot- en driftartikelen, op nog geen kilometer van ons bureau verwijderd. Nog voordat de centralist uitgesproken is, staan wij al recht en lopen richting surveillancewagen.

De overvaller blijkt inmiddels verdwenen wanneer wij aankomen. De winkelier is hevig geschrokken maar ongedeerd. Van rustig aangifte opnemen komt echter nog niets terecht, want eerst moet de verdachte gevonden worden.

Opvallend is hoe omstanders ons onmiddellijk de vluchtrichting aanwijzen. Het lijkt bijna alsof een menselijke ketting zich vormt door het voetgangersgebied. Mensen wijzen, roepen en gebaren tegelijkertijd dezelfde richting uit.

De dader heeft indruk gemaakt.

En niet in positieve zin.

Na enkele honderden meters zien wij hem lopen. Donkere kleding, een muts diep over zijn hoofd getrokken en een houding die meteen spanning oproept. Hij loopt niet als iemand die bang is om gepakt te worden, maar eerder als iemand die nog steeds agressie uitstraalt naar alles rondom hem heen.

Wij sommeren hem te stoppen.

Geen reactie.

Nogmaals roepen wij dat hij is aangehouden.

Hij draait zich om en komt onmiddellijk dreigend op ons afgelopen.

Op dat moment voel je dat er geen normale aanhouding meer volgt maar een fysieke confrontatie waarin snelheid en initiatief allesbepalend worden.

Wanneer hij binnen handbereik komt grijp ik hem vast en maak een binnenwaartse beenveeg waardoor hij hard achterover op straat belandt. Ik probeer hem direct in een controlegreep te krijgen, maar hij blijkt uitzonderlijk sterk, beweeglijk en agressief. Hij kronkelt zich los alsof hij geen botten in zijn lichaam heeft.

Er ontstaat een hevig gevecht op straat waarbij hij blijft schoppen, draaien en slaan om los te komen. Mijn collega en ik moeten allebei vol aan het werk om hem onder controle te houden.

Pas na een stevige worsteling krijgen wij hem uiteindelijk geboeid. Blij met mijn judo vaardigheden.

Tijdens de fouillering treffen wij een kartelmes aan. Gelukkig heeft hij geen kans gekregen om dit tegen ons of tegen anderen te gebruiken. Achteraf besef je pas hoe snel zo’n situatie volledig had kunnen escaleren.

Zelf bloedt hij wat uit het gezicht en ik houd enkele schaafwonden over aan ellebogen en knieën door het grondgevecht op straat. Geen ernstig letsel dus, maar wel een enorme fysieke uitputtingsslag.

Ook later in het cellencomplex blijft hij agressief gedrag vertonen tegenover collega’s. Zijn lichaam dampt van het zweet alsof zijn adrenaline geen uitweg meer vindt. Hij heeft een gespierd lijf en benen als hydraulische heistellingen die onophoudelijk blijven bewegen.

Of hij onder invloed van drugs verkeert weten wij op dat moment nog niet zeker, maar zijn gedrag doet veel vermoeden.

Na verder rechercheonderzoek blijkt dat deze verdachte veel meer geweldsincidenten op zijn naam heeft staan. Overvallen, mishandelingen en ernstige agressie vormen als het ware zijn vaste lichaamstaal.

Goed beschouwd is het maar beter geweest dat wij onmiddellijk de aanval hebben gekozen en hem geen ruimte hebben gegeven om zelf verder initiatief te nemen. Terugtrekken was op dat moment nauwelijks een optie geweest. Door snel en hard op te treden hebben wij mogelijk erger voorkomen.

De vechtpartij heeft ondertussen veel bekijks getrokken van geschrokken voorbijgangers die nauwelijks begrijpen wat zich voor hun ogen afspeelt.

Nu, jaren later, duikt zijn naam nog steeds af en toe opnieuw op via TBS-verlengingen en toetsingen door de rechtbank. Iedere keer word ik daardoor weer even teruggeworpen naar die naar die dag op straat.

Ik vraag mij dan soms af hoeveel geweld er nog steeds in hem leeft en hoeveel van het beest werkelijk getemd raakt binnen muren en systemen.

TBS is geen lichte maatregel.

En meestal ook geen toevallige.

Tinnitus mijn onzichtbare metgezel

Intro Titus

Politiemensen lopen tijdens hun vaak ondankbare werkzaamheden geregeld in de frontlinie van menselijke ellende en geweld. Daarbij lopen zij niet alleen zichtbaar gevaar, maar ook het risico op onzichtbare vijanden die zich langzaam vastzetten in hoofd en lichaam.

Dat beseffen velen aanvankelijk niet eens door de voortdurende stress, adrenaline, spanning en angst die nu eenmaal verweven raken met het werk op straat.

Deze onzichtbare tegenstanders klampen zich niet vast aan kleding of uniformen, maar nestelen zich veel dieper, tot in de donkere spelonken van ziel en bestaan. In het begin worden zij nauwelijks herkend of erkend, terwijl zij zich ondertussen steeds nadrukkelijker manifesteren met hun eigen stem, geluid en aanwezigheid.

Alsof zij voortdurend influisteren:

“Ik laat je nooit meer los. Nooit meer alleen.”

Hoe zwaarder de frontlinie wordt, hoe harder hun stem uiteindelijk doorklinkt.

Het blijft vaak een stil en verborgen gevecht tussen diender en onzichtbare metgezel. Voor de buitenwereld nauwelijks zichtbaar, maar voor degene die werkelijk geïnteresseerd is in het gevoelsmatige weefsel van de mens achter het uniform, zijn er meestal voldoende signalen die wijzen op een ongewenste aanwezigheid die langzaam bezit neemt van iemands innerlijke rust.

😅Sinds geruime tijd heb ik een nieuwe amigo. Hij komt als het ware aanwaaien, zoef zoef zoef, recht mijn leven binnen. Hij heeft geen gezicht, geen lichaam en geen stem, maar toch is hij voortdurend aanwezig als een onzichtbare schaduw die zich overal mee naartoe sleept.

Wat doe je dan wanneer zo’n vreemde entiteit zich langzaam in je bestaan nestelt en uitgroeit tot een dagelijkse ergernis waar geen ontsnappen meer aan lijkt?

Aanvankelijk denk je nog dat het wel zal overwaaien. Dat het tijdelijk is. Een voorbijgaande storing ergens diep in je hoofd. Maar Titus denkt daar heel anders over.

Hij eet niet, drinkt niet en slaapt waarschijnlijk ook nooit. Toch beheerst hij steeds vaker de stilte om je heen. Je kunt rennen, vliegen, schreeuwen, werken, fietsen of je hoofd bijkans door de muur slaan, maar hij blijft koppig aanwezig, vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week.

Net als de schaduw van Lucky Luke beweegt hij exact even snel als jij. Alleen is Lucky Luke sneller dan zijn schaduw, terwijl Titus zich moeiteloos aan ieder tempo aanpast.

Na verloop van tijd verandert verzet langzaam in tolerantie. Niet omdat je wint, maar omdat je beseft dat vluchten onmogelijk wordt. Titus nestelt zich diep in je denken, in je concentratie en soms zelfs in je emoties. Hij verstoort het evenwicht van lichaam en geest met een volharding waar geen discussie mee mogelijk is.

Soms voelt hij als een mug die steeds opnieuw dezelfde bloedgroep weet terug te vinden. Altijd aanwezig. Altijd zoemend rond dezelfde kwetsbare plek.

Dan denk ik weleens aan Odysseus die zich laat vastbinden aan de mast van zijn schip om het gezang van de Sirenen te kunnen weerstaan. Ook daar draait alles om geluid dat zich in je hoofd vastzet en weigert nog los te laten.

Toch probeer ik af en toe van Titus weg te vluchten. In drukte, beweging of afleiding. Heel soms lukt dat even, totdat hij zich opnieuw meldt alsof hij wil bewijzen dat hij uiteindelijk altijd terugkomt.

Op een dag spreek ik hem zelfs rechtstreeks aan.

“Hé Titus,” zeg ik hardop.

In gedachten hoor ik meteen die legendarische stem van Travis Bickle uit Taxi Driver antwoorden:

“Are you talkin’ to me?”

“Ja,” antwoord ik.

“Dan moet je mij wel bij mijn echte naam noemen,” repliceert hij geïrriteerd.

“Tinnitus.”

Dan besef ik ineens dat zolang ik hem nog hoor, wij blijkbaar allebei nog bestaan in een onmenselijke symbiose, dat dan weer wel 😂

De vraag blijft echter of Titus moet worden gezien als een ongewenste vijand, dan wel als een irritante metgezel die zich voorgoed aan je bestaan vastklampt.

maandag 11 mei 2026

De zwanenzang van een politieauto, héél lang geleden 😅


Intro:  "De zwanenzang van een politieauto, héél lang geleden" 😅

Jarenlang dag en nacht paraat.

Spierpijn onder de motorkap.

Gloeiendhete banden op het politieparcours.

Snakkend naar verlichting terwijl de burn-out al onder de motorkap hing te dampen.

En uiteindelijk zonder bedankje afgevoerd naar het autokerkhof.

“Thank you for nothing” als pleister op etterende autowonden.

😅Een politieauto sterft nooit stilletjes.

Zo’n ding piept, kraakt, lekt, rookt en rammelt alsof het nog één laatste nachtdienst uit het hiernamaals probeert te sleuren.

Wij reden ooit rond in zo’n opvallende surveillancewagen.

Van buiten leek het nog wat. Rode striping, zwaailampen, politie-uitstraling.

Maar achter die façade zat een mechanisch sterfhuis verborgen.

Kabels lagen zichtbaar bij je voeten. Alsof het dashboard spontaan zijn ingewanden eruit gooide zodra een achtervolging iets te enthousiast begon te worden.

De accu besloot per dienst of hij überhaupt nog zin had om mee te werken.

De stuurbekrachtiging was al jaren naar de filistijnen. Iedere bocht voelde alsof je met pure koppigheid een gestrande olietanker probeerde te draaien.

Bij regen liep het water gewoon langs het plafond naar binnen.

Tijdens surveillance deden wij tegelijk mee aan een mobiele watersnoodramp.

Vocht, condens en bedrading onderzochten gezamenlijk of kortsluiting inmiddels standaard politie-uitrusting was geworden.

En ondertussen reden wij in herfst en winter gewoon op slechte zomerbanden.

Dat heeft me altijd dwarsgezeten.

Je vertegenwoordigt verkeersveiligheid en wettelijke normen, terwijl je eigen surveillancewagen technisch direct aan de kant gezet had moeten worden… door jezelf.

Iedere burger met minder mankementen werd probleemloos gecontroleerd.

Wij reden zelf rond in een voertuig dat bij een normale APK waarschijnlijk niet eens meer de parkeerplaats had mogen verlaten.

De straat wacht nu eenmaal niet op vergaderingen, budgetten en veilige bureaus.

Mensen blijven drinken. Blijven slaan. Blijven flippen. Blijven elkaar te lijf gaan.

Dus bleven ook wij rijden in die stervende zwaan van een surveillancewagen.

Een mobiel monument van uitgestelde beslissingen en mechanische ellende.

Meer dan eens stonden wij ergens in de stromende regen dat hok aan te duwen terwijl de buurtbewoners gratis konden meegenieten van het geluid van een stervende dynamo en een startmotor met zware depressieve klachten.

En natuurlijk gebeurde dat nét wanneer je eigenlijk haast had.

Ik herinner me nog een burger die hoofdschuddend zei:

“Agent… die wagen van jullie klinkt niet best.”

Waarop ik antwoordde:

“Geeft niks meneer, wij klinken na de nachtdienst ongeveer hetzelfde.”

Tot zelfs de organisatie voorzichtig begon te vermoeden dat het voertuig misschien toch niet helemaal verantwoord meer was.

Het oordeel viel: “buiten bedrijf”.

Een prachtige bijna poëtische term.

Alsof een oude straatvechter ceremonieel met pensioen werd gestuurd.

De werkelijkheid was minder heroïsch.

Want ook in een auto die officieel buiten dienst stond bleef je gewoon agent.

Dus reed je alsnog rond voor wijkwerk, meldingen en allerlei gedoe.

En vreemd genoeg gebeurde er juist dán altijd iets.

Alsof ellende beschikt over een ingebouwde politie-radar die defecte surveillancewagens feilloos weet te vinden.

Regelmatig reed ik zogenaamd doelloos rond in deze held van weleer, waarna ergens ruzie, paniek of chaos ontstond.

Mensen hadden plotseling hulp nodig.

Alsof ellende instinctief wist waar versleten politieblikken zich bevonden. Met nadruk op blik.

Mijn innerlijke politie-TomTom begon dan vanzelf te werken.

Geen navigatiesysteem. Gewoon straatgevoel.

Vastgekoekt tussen adrenaline, ervaring en nachtdiensten.

Voor je het wist stond je opnieuw midden in de actie. Samen met je metalen kameraad van weleer.

Meer dan eens dacht ik dat die auto, ondanks alle mankementen, beter begreep wat politiewerk werkelijk inhield dan complete afdelingen beleidsmakers die nog nooit een nachtdienst hadden gereden tussen halfdronken ruzies, regenwater, adrenaline en bloedspetters.

Die auto was allang geen voertuig meer.

Het was een versleten collega geworden.

Een mechanische straatvechter.

Met een lekkend dak, een stervende dynamo en de taaie overlevingsdrang van een oude pugilist van weleer.

Op punten allang verloren.

Maar koppig blijven doorboksen zolang de bel voor de laatste ronde nog niet definitief heeft geklonken 🥊

Dat wrak had eigenlijk jaren eerder moeten stoppen.

Maar net als veel agenten bleef het gewoon doorrijden.

vrijdag 1 mei 2026

Rijkspolitie nostalgie, "de capriolen van een zatlap"


Dan heb ik een groepssurveillancedienst samen met collega Hans in de K.S.A, de kleine surveillance auto, een Volvo die meer dienstjaren lijkt te hebben dan sommige wachtmeesters strepen op hun blazoen

Wij rijden langs het kanaal, zo’n route waar doorgaans weinig gebeurt behalve eenden met verkeersinzicht en vissers die zwijgen uit beroepseer. Dan komt de melding binnen dat een zatte automobilist zojuist een kind van een dranghek heeft gereden, zich om geen mens bekommert en er vandoor is gegaan alsof hij deelnam aan een rally voor gewetenslozen. Merk, type en kenteken worden door de meldkamer in Mestreech doorgegeven,

We rijden toch al in de buurt, wat voor hem achteraf een ongelukkige samenloop van omstandigheden blijkt te zijn.

Nog geen minuut later verschijnt de verdachte auto in ons zicht. Wij geven het gebruikelijke stopteken met de stoptransparant op het dak van de politieauto. Een helder en vriendelijk verzoek, mits men nog beschikt over voldoende nuchterheid om letters te herkennen en bevelen te verwerken. Dat blijkt hier een te optimistische inschatting.

De man reageert nergens op. Hij rijdt door met de rustige overtuiging van iemand die denkt dat problemen verdwijnen zodra men niet kijkt. Dan maar de volgende fase: zwaailichten aan, sirene erbij. Dat helpt wonderbaarlijk snel. Zelfs dronkenschap kent kennelijk grenzen zodra er genoeg licht en geluid achter zit.

Hij stopt uiteindelijk, zij het met de tegenzin.

Uitstappen weigert hij. Natuurlijk weigert hij dat. Menigeen denkt kennelijk dat blijven zitten juridisch gelijk staat aan onzichtbaarheid.

Ik open het portier en positioneer mij in de deuropening. Collega Hans heeft ditmaal de eenvoudigste taakverdeling: toekijken, paraat staan en straks de boeien halen. Het duw- trekwerk actie/reactie volgens Newton, ligt bij mij.

Door de jaren heen word er wel vaker een beroep op mij gedaan wanneer er iets losgemaakt, tegengehouden of tot rede gebracht moet worden. Dat komt niet uit de lucht vallen. Buiten diensttijd sta ik op de judomat, in bokszalen en tussen de gewichten. Wie investeert in zichzelf, neemt dat later mee het werk in.

De bestuurder klemt zich vast aan stuur en interieur alsof hij aandelen heeft in de auto. Dat noemt men lijdelijk verzet: zelf niets uitvoeren, maar zich zó vastzetten dat een ander al het werk mag doen. Op papier passief, in de praktijk vermoeiend. Vooral voor hem, zo zal hem rap blijken.

Ik pak hem stevig bij de onderarmen en haal de oude trukendoos boven: een combinatie van praktische politievaardigheid, wat hefboomwerk, het hoofd verstandig wegdraaien en technieken die men op de judomat leert zonder dat daar ooit een verkeerssituatie bij genoemd wordt. Kortom: Houdini in overheidsdienst.

Na enig tegenstribbelen ontdekt de man twee waarheden tegelijk: dat natuurkunde sterker is dan dronkenschap en dat verzet vermoeiend werkt. Hij moet zich gewonnen geven en heeft zijn lijdelijk verzet uiteindelijk nadrukkelijk gevoeld. Hij komt los uit zijn zetel en verschijnt in een lage vlucht met buiklanding buiten de auto op het asfalt met geschaafde knieën, een gekrenkt ego en een gezicht alsof zijn dag onverwacht slecht afloopt.

Blazen hoeft niet meer. Hij is te zat om een verjaardagskaars recht aan te kijken, laat staan een ademanalyseapparaat. Duidelijk is duidelijk🧐toch!

Hans haalt vervolgens de handboeien, waarmee zijn rustige bijdrage alsnog een officieel tintje krijgt. De verdachte wordt afgeboeid en aangehouden.

Ik neem plaats achter het stuur van de politieauto om de verdachte over te brengen naar het rijkspolitiebureau in Born. Wie zijn auto precies heeft weggezet, is in de nevelen der jaren verdwenen uit mijn grijze massa. Mogelijk door Hans, mogelijk later geregeld door anderen, mogelijk door hogere administratieve magie. Zo verdwijnen details soms uit het geheugen, terwijl de hoofdlijn haarscherp blijft: hij zit vast en wij rijden.

Op het bureau wachten nog enkele onaangename hoofdstukken op hem. Eerst voorgeleid aan de hulpofficier van justitie, daarna komt een arts langs voor de bloedproef. Vervolgens rijverbod, wat verstandig is, want hij verkeert in een toestand waarin zelfs een kinderfiets een risico voor de samenleving vormde.

Procedure destijds: artikel 26 Wegenverkeerswet. Tegenwoordig heet dat artikel 8, maar dronkenschap achter het stuur blijft in elke nieuwe nummering even stompzinnig.

Ik maak een stevig proces-verbaal op. Geen poëzie, wel duidelijk. Soms is papier harder dan een preek.

Later blijkt dat zijn onderarmen een donkerblauw huideffect vertonen, keurig in de vorm van mijn han-dgrepen. Hij heeft zich zo hardnekkig verzet dat mijn vingers als het ware een ambtelijke handtekening op zijn huid hebben achtergelaten.

Ps. Veel later mogen collega’s buiten werktijd gaan fitnessen, allemaal betaald door de politie. Een prachtig initiatief, al komt dat rijkelijk laat voor sommigen. Alleen ik val buiten de prijzen, want fitness is kennelijk beleidstechnisch iets anders dan jarenlang boksen, judo en eigen training bekostigen. Bureaucratie blijft een contactsport zonder regels.

En ergens in die constellatie van hectiek, judotechniek en kanaalwind blijft één simpele waarheid overeind hangen als samenvatting van de hele inzet deze avond:

Alcohol en verkeer gaan nooit en te nimmer samen.

Het meisje is geschrokken maar gelukkig ongedeerd gebleven😃



woensdag 29 april 2026

Aanvang aparte ochtenddienst bij de rijkspolitie in Born, nostalgie

Plantonkamers op de bureaus van de Rijkspolitie zijn merkwaardige ruimtes. 

Zij zijn tegelijk crisiscentrum, doorgeefluik, archief van dagrapportages, toevluchtsoord voor wie een luisterend oor zoekt en loket voor aangiften.

Achter de balie zit een wachtmeester gebogen over een Olivetti typemachine, waarvan de metalen hamers met harde aanslagen op de rubberen rol neerkomen, begeleid door het eeuwige gekreun van het printerlint. 

Daarnaast staan steevast een potje witte blunderkwak en blauwe carbonvellen klaar. Wie dat heeft meegemaakt, hoort het tikgeluid nog altijd.

Op een ochtend sta ik met een collega ingepland voor de vroege dienst in Born. De nachtdienst is reeds huiswaarts gekeerd. 

De GSA (groepssurveillance auto) staat achterom geparkeerd en is afgemeld bij de meldkamer in Maastricht. Er liggen geen stille getuigen op ons te wachten, geen haastig neergekrabbelde briefjes die voorspellen dat de rust slechts schijn is. 

Briefings moet nog worden uitgevonden. Wij brieven onszelf met het lezen van het rapportenboek waarin de witte bladzijde van een 5laags dikke doorslag, geduldig afwacht op interesse. 

Oja, het rapportenboek wordt door de Oppers meegenomen naar hun kamertje. De planton moet bijna een speurhond inzetten om het politienieuwsvan de dag te lezen, wanneer telefoontjes van de buitenwacht daarom vragen😀

Op deze memorabele vroege ochtenddienst lezen we de rapporten door maar treffen geen noemenswaardig politienieuws aan. Kennelijk beleefden de collega's een rustige nacht en liggen zij inmiddels tevreden onder de wol. De nieuwe dag breekt aan. De poetsvrouw schrobt het bureau alsof zij de wereld opnieuw in de was zet, terwijl de koffiepot vertrouwd staat te pruttelen.

Achter de plantonkamer loopt een gang naar de twee cellen die ons bureau rijk is. Uit die catacomben klinkt plotseling luid gebonk op een zware ijzeren deur. Mijn collega en ik kijken elkaar aan. Wat zou dát nu weer zijn?

Wij lopen erheen. De forse sleutel gaat in het slot en met enige tegenzin draait het oude mechaniek open. Zodra de deur opengaat, rolt een dampende alcohollucht naar buiten, zo scherp dat zij op de ogen slaat en het zicht bijna beneemt.

Nog voordat ik goed zie wat zich daarbinnen bevindt, stormt een mij onbekende man naar voren. Hij schreeuwt dat hij eruit wil, of woorden van gelijke strekking, en zet krachtig tegen mij aan in een poging mij opzij te drukken.

Gelukkig brengt onze sport- en judodocent Leo Verhoeven ons meer bij dan louter theorie. Ook al heb ik mijn sporen ruim verdiend met boksen en judo. In een flits pas ik de wet van Newton toe: actie is reactie. Het gevolg is dat de man loskomt van de vloer en aan de overzijde van de gang tegen de muur tot stilstand komt, als een vlieg die onverwacht kennismaakt met een vliegenmepper, flats tegen de celmuur.

De poetsvrouw schrikt zich intussen een hoedje. Zij denkt vermoedelijk dat ik woedend ben, maar niets is minder waar. Ik ben niet boos, slechts luid en duidelijk tegenover de zatlap, die mij geen strobreed meer in de weg legt. By the way, luid zijn dat doen de Niewzeelandse rugbyers toch ook met hun Haka. 

Enige tijd later, wanneer de rust is teruggekeerd en de arrestant voldoende is ontnuchterd, volgt zeer zeker nog een verhoor, zij het niet door mij. 

In die dagen komt er bij een dronken ingeslotene geen dokter aan te pas. Tegenwoordig is dat nauwelijks nog voorstelbaar.

Daarna mag hij te voet naar huis. Aan de overzijde van de Markt stapt hij een telefooncel binnen om zijn taxi te bellen — een beeld dat tegenwoordig al even nostalgisch aandoet als de Olivetti op het bureau.

Mooie tijden van weleer.

maandag 27 april 2026

Tussen "orde" in de politieschool en "chaos" in de boksring 1977

Het is 18 juni 1977, al begint het verhaal in werkelijkheid al in mei op de politieschool, waar ik zojuist mijn vijfmaandelijkse examens heb doorstaan en waar tegelijk duidelijk wordt dat circa acht medestudenten het niet hebben gehaald en vroegtijdig worden ontslagen, waarna zij nog enkele weken in overall tuinwerkzaamheden moeten verrichten tot de lopende maand om is. 

Een vertoning die mij destijds al als weerzinwekkend voorkwam omdat het voelde alsof mensen in één beweging uit een systeem werden gewist terwijl ze er nog fysiek onderdeel van waren, iets wat anders had moeten kunnen en wat ik in gedachten alleen maar kan vergelijken met eerdere indrukken uit het verleden zonder dat ik daar op dat moment woorden voor heb, terwijl zij plots niet meer meetellen. 

Alleen in mijn klas gebeurt dit, waar andere klassen gewoon in voltalligheid de eindstreep halen en hun wachtmeestersstrepen ontvangen, wat een vreemd en bijna willekeurig verschil is dat mij toen al opviel en dat ik nog steeds moeilijk kan plaatsen, jeetje wat triest eigenlijk, en kennelijk heeft niemand daar invloed op, ook de Overste niet. Sommige docenten hebben kennelijk meer machten ...

Laatst juni 1977, stap ik in een compleet andere wereld wanneer ik in Heinsberg voor de bokvereniging mijn veertiende partij boks, al heb ik jarenlang gedacht dat het mijn zesde of zevende wedstrijd was totdat mijn eigen wedstrijdboekje later de werkelijkheid corrigeert en mij confronteert met hoe selectief herinneringen kunnen zijn, zeker in een tijd waarin alles nog fysiek wordt beleefd en nauwelijks wordt vastgelegd.

De Stadthalle Heinsberg is afgeladen vol en zoals zo vaak in die tijd staan twee werelden tegenover elkaar, de thuisclub en de bezoekers, samengebracht in één ruimte vol geluid, spanning en verwachting. Ik kom uit in het Halbmittelgewicht, in Nederland het zwaarweltergewicht tot 71 kilo, en opnieuw tegenover een tegenstander sta die duidelijk zwaarder is, zeker zeven à acht kilo verschil, eigenlijk een halfzwaargewicht.




Iemand met een breder bovenlijf, dikkere armen en een fysieke aanwezigheid die op zichzelf al druk uitoefent. Iets waar ik op dat moment minder van onder de indruk ben dan men misschien zou verwachten omdat ik in de training gewend ben geraakt te kijken naar beweging in plaats van massa.

In mijn politiejaar mis ik door de opleiding het grootste deel van de bokstrainingen, maar ik ben wel conditioneel sterk door de dagelijkse fysieke belasting en het constante bewegen op de politieschool, waardoor ik scherp blijf in mijn combinaties. Al blijft het te weinig specifiek voor het pugilisme, iets wat later in mijn loopbaan eigenlijk structureel zo blijft, maar wat op dat moment nog niet als probleem wordt ervaren omdat je in de ring vooral leeft in het moment zelf en minder in wat ontbreekt.

Zoals zo vaak vallen mijn zenuwen weg zodra ik de ring instap, altijd weer opnieuw, alsof er een scheiding wordt gemaakt tussen buiten en binnen, tussen spanning en focus, en aan de rand van de ring staat Carla ❤️ mijn vaste steun, mijn supermascotte, met camera in de hand en altijd aanwezig om foto’s te maken van iedereen van onze vereniging, terwijl ze tussendoor aanwijzingen roept die ik zelfs in het rumoer van de zaal altijd herken omdat haar stem voor mij een soort ankerpunt is geworden.

Mijn tegenstander ademt kracht en zekerheid, het type dat zonder twijfel denkt dat hij dit gevecht wel even zal winnen, en zodra de gong voor de eerste ronde klinkt begin ik aftastend terwijl hij direct de aanval zoekt, naar voren komt en me probeert terug te drukken met zijn gewicht en harde stoten. Daardoor voel ik direct dat elke klap die hij geeft massa draagt, maar tegelijk ook dat ik sneller ben en beter in de timing.

Als jongste van mijn boksclub heb ik uit overlevingsdrang geleerd te bewegen, te ontwijken en aan te vallen op momenten dat er een opening ontstaat, en dat wordt mijn handelsmerk, iets wat ik niet bewust kies maar wat zich in de loop der jaren zo ontwikkelt.

Mijn voeten zijn lichter, mijn handen eerder, en ik begin te prikken met korte combinaties die strak en zuiver zijn, waarbij ik hem meerdere keren raak, vooral met links 🥊 en ik zie dat hij dat voelt en voorzichtiger wordt, waardoor zijn plan om puur op kracht te forceren langzaam begint te haperen.



Dan komt dat moment waarop de ruimte zich opent en alles samenvalt en ik zonder nadenken naar voren boks, alsof er iets in mij overneemt en ik in een split second bij hem ben met een strakke combinatie van stoten. Ik voel dat één van die stoten vol doorkomt, waarschijnlijk een linkse directe of een korte hoek, en zijn hoofd zichtbaar wegklapt.

De scheids telt hem aan waarna we hervatten, maar ik voel dat ik hem heb en wil het afmaken, misschien te gretig, waardoor ik naar voren stap om de beslissing te forceren en vol op een tegenstoot loop die hard binnenkomt. Mijn hoofd klapt, de scheidsrechter grijpt niet in, misschien niet gezien!

Vanaf dat moment moet ik in mijn hoofd herstellen, maar mijn tegenstander ziet het ook en wordt gretig, precies zoals ik seconden eerder was, waardoor hij naar voren komt, druk zet en mij eruit wil boksen met zware, dwingende stoten.

Mijn zicht verandert, sterretjes en flitsen verschijnen en alles wordt wazig, waardoor ik hem nog wel zie maar niet meer scherp, dit terwijl ik tegelijk ook in mijn hoofd moet vechten tegen onzichtbare krachten die mijn waarneming verstoren.

En ergens door die waas heen hoor ik haar stem, Carla, kort en duidelijk zoals altijd, en die stem snijdt door alles heen en brengt me net genoeg terug om niet te verdwijnen in de chaos, waarna er iets omschakelt naar automatische piloot en alles wat ik getraind heb het overneemt zonder dat ik er nog bewust over nadenk.

Mijn dekking blijft hoog, ik beweeg van hem weg en mijn lichaam doet wat het moet doen terwijl mijn hoofd nog vol lichtflitsen zit. Ik blijf boksen zo goed en kwaac als mogelijk. En raak hem opnieuw hard en nog eens, totdat ik zie dat hij begint te wankelen en de scheidsrechter ingrijpt. Hij hoeft niet meer te tellen en het gevecht wordt gestopt, ongelijk, hij staat op het punt van knock-out en ik win door opgave in de eerste ronde.

Het publiek reageert enthousiast, maar het gevecht in mijn hoofd is nog lang niet voorbij, alsof ik er naast sta in plaats van erin, en daarna wordt alles vaag, in flarden, terwijl de sterretjes in mijn zicht blijven hangen en mijn waarneming nog steeds onrustig is met flikkeringen en lichtvlekken die niet direct verdwijnen, maar ik zeg niets omdat ik op dat moment alleen weet dat ik heb gewonnen en dat dat is wat telt.

Geen dokter, geen controle, niet eens overwogen, waarschijnlijk toch een (lichte) hersenschudding.

Al komt de herinnering later pas terug in stukjes en beetjes, gelukkig, maar nooit helemaal compleet.

woensdag 22 april 2026

Mijn 1e bokswedstrijd in Heinsberg nu 50 jaren geleden


Op 22 mei 1976 bokste ik mijn eerste wedstrijd bij de amateurs. Dat was bij de Boxsportverein Heinsberg, tegen de Kampfgemeinschaft Düsseldorf. Dat is nu praktisch 50 jaren geleden. Back to boxing memory lane ...

Hun trainer Paul Nellissen van Heinsberg had maanden tevoren contact gehad met onze trainer, Jan Derhaag.daar zaten ze ernstig verlegen om goede wedstrijdboksers. 

Boksclub De Amateur zou met drie pugilisten uitkomen voor de Duitse club met als doel: ervaring opdoen in wedstrijden boksen—iets wat in Nederland op dat moment zeldzaam was.

We bezochten op vrijdagen de trainingen in Heinsberg en werden dan thuis opgehaald door trainer Paul in zijn Volkswagen Kever, waarin de rechter voorstoel ontbrak. Dus zaten we met z’n drieën opgepropt op de krappe achterbank en reden via Sittard over donkere Duitse binnenwegen—zonder straatverlichting—naar de sporthal in Heinsberg.

Een bijzonder ritje: een apart voertuig en pikdonkere wegen. Alsof de avondklok was ingesteld. L.O.L.

Ik was toen 16/17 jaar, nog wat gegroeid in lengte en flink wat kilo’s kwijtgeraakt. In Munstergeleen had ik hard aan de weg getimmerd. Daar was ik altijd de jongste én de kleinste en moest ik opboksen tegen de meer ervaren clubgenoten en harde jongens. Ik leerde daar vooral achteruit boksen, counteren en ontwijken want, ik was tenslotte de kleinste. Klaargestoomd door trainer Jan Derhaag durfde ik het aan om een wedstrijd te boksen. Hoe dat precies zo gekomen is? Geen idee meer. Waarschijnlijk gewoon de flow gevolgden niet bang zijn voor de confrontatie.

Achteraf durf ik te zeggen dat de trainingen in Munstergeleen minstens zo zwaar waren als de wedstrijden die later zouden volgen.

Wat ik bijzonder vond, was dat de teams vooraf in de ring aan elkaar werden voorgesteld. Beide ploegen stonden tegenover elkaar in de ring. De namen werden afgeroepen, je stapte naar voren en stond dan oog in oog met je tegenstander.

Ik was junior in het halbmittegewicht en benieuwd wie er tegenover me zou staan. Zijn naam werd genoemd en hij stapte op me af. Ik moest een paar passen zetten, maar hij had er nauwelijks nodig. Ik heb hem nooit gemeten, maar hij leek bijna zo lang als Arnold Vanderlyde.

Daarna begonnen de partijen, van de lichtste gewichtsklassen naar boven. Ik moest dus nog lang wachten.

In de kleedkamer was ik bezig met mijn warming-up. Wachten… en nog eens wachten.

De geluiden van de zaal kwamen gedempt binnen. Af en toe gejuich, het slaan op handschoenen, stemmen die door elkaar liepen. De tijd kroop voorbij.

Toen was het zover mijn naam werd afgeroepen; vor der nächten Kampf Tummers / Werner. Mijn debuut in de wedstrijdring

Ik stapte de ring in en moest letterlijk omhoog kijken naar mijn lange tegenstander. De scheidsrechter legde de regels uit in het Duits. Daarna ging ik terug naar mijn hoek. De gong.

Ik begon onervaren in het wedstrijdboksen maar wel super geconcentreerd: dekking hoog, ogen scherp op Werner—zo heette hij. Hij nam het initiatief, bokste en stootte veel. Maar hij had pech: ik was een southpaw, en daar had hij geen antwoord op.

Ik vocht mijn weg naar binnen, raakte hem met harde linkse hoeken en stoten, ontweek zijn aanvallen en blokte waar nodig. Ik bleef druk zetten—hard en meedogenloos. Hij kwam er niet doorheen. Ik zag het aan zijn ogen en aflatende bokshouding. Hij ging terug en probeerde te verdedigen. In de touwen kon hij niet meer ontsnappen aan mijn aanvallen, volledig klemgezet.

Begin tweede ronde werd het hem te veel. De scheidsrechter greep in en beëindigde het ongelijke gevecht voor hem.

De Duitse pers schreef: Keine chance hatte im Halbmittelgewicht der Junioren der Düsseldorfer Werner gegen Tummers. Der boxer des Heinsberger BC zermürbte ihn derart, daß man den Düsseldorfer in der zweiten Runde aus dem Kampf nahm.

Een saillant detail: Ger van Haen bokste deze avond in het halfzwaargewicht tegen Rüts uit Düsseldorf. Het was het kortste en meest doeltreffende gevecht van de avond. Ger sloeg zijn tegenstander direct zwaar aangeslagen tussen de touwen. Na tien seconden gaf Rüts het op tegen deze rots in de branding uit Munstergeleen.

De Duitse pers schreef: der schnelsten Kampf des Abends lieferten sich im Halbschwergewicht Haen Heinsberg und Rüts. Der für Heinsberg boxende Niederlander hämmerte seinen Gegner gleich zwischen die Seile, so dass der Düsseldorfer nach etwa zehn Sekunden den Kampf aufgab.


Wat een mooie boksavond en eerste kennismaking met de wedstrijd bokssport. Mede dankzij de meereizende supporters en aanhang en mijn vriendin Carla, was de avond compleet. Er zouden nog vele wedstrijden volgen waarin ik niet alleen de sportiviteit ontmoette maar ook een flinke dosis onsportiviteit van boksers tot scheidsrechters, de bokssport onwaardig. Maar ook daar leerde je mee omgaan om toch vooral sportief te blijven ...


Ps; in mijn latere loopbaan bij de politie heb ik veel voordelen gehad van het pugilisme, niet dat ik dit veel gebruikt heb in de praktijk. Maar de zelfverzekerdheid is altijd gebleven omdat ik altijd ben blijven boksen, kickboksen, judoen en in alle situaties sportief bleef. Verdachten snel uitschakelen,overmeesteren en zo weinig mogelijk letsel toebrengen, was en bleef mijn credo

zondag 19 april 2026

Boksclub De Amateur Munstergeleen, waar karakter en bokssport samenkomen

Goed gedijen in stressvolle situaties en een talent hebben voor het snel en effectief oplossen van problemen. Mensen geboren op 18 april staan bekend om hun durf en het nemen van risico's. Ze leiden graag anderen en worden bewonderd om hun moed en enthousiasme. Geboren op 18 april, vallend onder het sterrenbeeld Ram, zie je deze eigenschappen duidelijk terug — eigenschappen die opvallend goed passen bij de bokssport.

De BoksClub De Amateur in Munstergeleen plaats ik dan ook graag in dit memorabele rijtje van 18 april👊

Als oud-lid van 55 jaar geleden mocht ik deelnemen aan deze bijzondere clinic, samen met mijn dochter Lauren, die mij hiervoor enthousiast heeft gemaakt. De locatie is prachtig: professioneel, modern en van alle faciliteiten – en meer – voorzien.

Ik zie leden, trainers en nestors: mensen die deze boksclub nog altijd dragen, zoals Atlas de wereldbol draagt. Tijdens de clinic merk ik dat er enorm veel is veranderd ten opzichte van mijn begintijd – chapeau daarvoor.

De warming-up vooraf wordt verzorgd door een trainer van De Amateur, in een aparte ruimte. Na een klein halfuur goed opgewarmd te zijn, neemt ere-lid Arnold Vanderlyde het stokje over voor de boksclinic.

Wie kent hem niet? Zijn palmares is indrukwekkend. In 254 wedstrijden heeft hij talloze titels behaald op nationaal, Europees, Wereld- en zelfs Olympisch 3x niveau. Als je die titels in een halsketting zou verwerken, zou je er bijna een hernia van krijgen – zoveel zijn het er.

Arnold begint gedoseerd. Wat mooi is: hij benadert de training vanuit een mentale invalshoek. Wat is je doel? Wat wil je uit de training halen? Focus is essentieel. Boksen is, net als schaken, ook een denksport. Hij laat je nadenken of je wilt of niet,

Wie heeft deelgenomen, kan achteraf de essentie van de nummers 1 t/m 6 doorvoelen — het samenspel van denken, handelen en reageren. Deze nummers staan voor verschillende stoten die door Arnold door elkaar worden gebruikt om je acties te laten samengaan met inzicht en timing. Steeds meer nummers betekenen meer combinaties, waarbij positie, voetenwerk en houding samenkomen.

Een mooi aspect vind ik de link met Parkinsonboksen. Bij Parkinson, een volksziekte die steeds meer mensen raakt, spelen beweging, coördinatie en reactievermogen een grote rol. Juist daarom blijkt boksen — in aangepaste vorm — een waardevolle trainingsmethode. Door te werken met de nummers 1 t/m 6 worden deelnemers gestimuleerd om te denken, te reageren en te bewegen, wat bijdraagt aan zowel motoriek als mentale scherpte.

Het is mooi om te zien dat de bokssport hierin een bredere maatschappelijke rol vervult. Trainingen zoals deze laten zien dat boksen niet alleen draait om kracht en competitie, maar ook om gezondheid, herstel en kwaliteit van leven.

Arnold geeft aan dat de trainers van De Amateur technisch en tactisch uitmuntend werk verrichten. Hij hoeft, zoals hij zelf zegt, alleen nog maar ietsjes te strooien met het spreekwoordelijke zoutvaatje.

Een mooie tip: harder stoten door simpelweg je voeten beter te plaatsen. Persoonlijk vind ik het ook sterk dat je adrenaline moet laten stromen in plaats van blokkeren. Arnold nam dit mee uit Cuba, van de trainer van zijn eeuwige rivaal Felix Savon.

Dat herken ik ook uit oosterse vechtsporten: daar is buikademhaling (hara) essentieel. Bij een aanval houden zij hun adem niet vast, maar versterken zij hun actie met een kreet.

Zelfs uit de dierenwereld komt een treffend voorbeeld: de honey badger – klein, maar onbevreesd en bereid om grotere tegenstanders aan te vallen. Een ware overlever.

Ook Arnolds fighting spirit is bijzonder. Elke letter van “fighting” staat voor een mentaal en fysiek aspect. De letter G vind ik speciaal: die staat voor geluk en gezondheid. Mensen hebben veel wensen, maar wie ernstig ziek is, heeft er vaak nog maar één.

Na een uur zit de clinic erop. De deelnemers, waaronder ikzelf, hebben genoten van de “noble art of self-defence”. Ik denk dat ik goed meegedaan heb met de groep, in ieder geval merkte ik niets van mijn vele protheses en/of gewrichten. Leuk en sportief getraind als vader met zijn dochter Lauren in een prachtig mooie setting. Of mijn prestaties goed waren dat mogen de trainers en anderen beoordelen. Die van Lauren waren👊

De volgende groep staat al te trappelen om te beginnen – en uit ervaring weet ik dat ook zij zullen genieten.

Arnold, bedankt. 

Trainers van De Amateur, bedankt en veel succes  💪👊 met jullie nieuwe locatie, ik kom zeker nog af en toe langs bij jullie,

Ps: nu ik mijn ervaringen over de boksclinic aan het typen ben voel ik weer een beetje spierpijn overal in mijn body. Zoals vroeger te doen gebruikelijk was😉, heb ik toch ietwat meer spieren gebruikt dan alleen maar mijn vuisten en dat op 67 jarige leeftijd,

Met een sportieve groet, Han