Translate

dinsdag 23 juni 2026

Opiniestuk het nieuwe wijksecretariaat 13 jaar later

Het nieuwe wijksecretariaat – dertien jaar later

Een maand geleden was ik voor het eerst in vijf jaar en vijf maanden terug op mijn oude basiseenheid.

Bewust koos ik voor een zaterdag. Wat minder hectiek, wat meer gelegenheid om rustig rond te kijken. Aan de buitenkant oogde het bureau vrijwel hetzelfde als vroeger. Een vertrouwd gebouw waar voor mij duizenden herinneringen liggen opgeslagen.
Eenmaal binnen bleek echter weer eens alles veranderd.

Of het beter is geworden? Dat zou best kunnen. Maar daar heb ik eigenlijk geen recht van spreken meer over. Ik werk er immers niet meer. De mensen die er vandaag de dag hun werk doen, zijn degenen die daar een oordeel over mogen vellen.
Toch vielen mij enkele zaken direct op.

Ik zag iets terug wat mij vroeger ook regelmatig overkwam. Een collega krijgt een bepaald label van verantwoordelijkheid opgeplakt en voor hij het weet staat het water hem tot aan de nek. Niet zelden op een terrein waar eigenlijk een partnerorganisatie primair verantwoordelijk voor zou moeten zijn.
U kent het wel.

De politie die eerste opvang verzorgt, noodverbanden aanlegt zonder verpleegopleiding, maatschappelijke problemen opvangt zonder hulpverleningsbudget en gaten dichtloopt die elders zijn ontstaan. Simpelweg omdat de politie er altijd is.
In dat opzicht heeft de tijd opmerkelijk weinig veranderd.

De wijkagent, de rechercheur, de noodhulpcollega en tal van ondersteunende disciplines dragen nog steeds een enorme hoeveelheid verantwoordelijkheden op hun schouders. Vaak veel meer dan redelijkerwijs van hen verwacht mag worden.

Daardoor ontstaat een steeds grotere cirkel van taken, verwachtingen, registraties en verantwoordelijkheden.

En ergens in het midden van die cirkel staat de politiemedewerker.
Soms onverstoorbaar.
Soms bewonderenswaardig veerkrachtig.

Maar soms ook als een ondergaande eend aan het einde van zijn Latijn: boven water nog ogenschijnlijk rustig, terwijl onder de oppervlakte met man en macht wordt getrappeld om het hoofd boven water te houden.

Toen ik jaren geleden meedacht over de inrichting van de Nationale Politie en de rol van het wijksecretariaat, ging het uiteindelijk om dezelfde vraag als vandaag:
Hoe organiseren wij ons werk zó, dat de mensen op straat kunnen doen waarvoor zij ooit politieagent zijn geworden?

Dertien jaar geleden dacht ik mee over de inrichting van de Nationale Politie. Een van de onderwerpen was het wijksecretariaat. Hoe konden wij, onder gelijke lastenverdeling, effectief en efficiënt recht doen aan het politiewerk? Welke rol moest het wijksecretariaat krijgen? Wie zouden daarin moeten deelnemen? En welke taken hoorden daarbij?

Nu, jaren later, kijk ik met belangstelling terug op die discussies.
De Nationale Politie staat inmiddels stevig op de kaart. Veel processen zijn geprofessionaliseerd, informatie is beter beschikbaar en samenwerking tussen disciplines is op onderdelen verbeterd. Toch herken ik ook vandaag nog dezelfde dilemma's als toen.

De diender in de voorste linie krijgt nog altijd alles voor zijn kiezen.
Meldingen van binnenuit, aandachtvestigingen, VVC-opdrachten, administratieve verplichtingen, maatschappelijke problematiek, zorgmeldingen en steeds meer taken die ooit elders waren belegd. De politie blijkt nog altijd de organisatie waar anderen terechtkunnen wanneer niemand anders meer thuis geeft.

Daar zit volgens mij nog steeds de grootste uitdaging.
We zeggen al jaren dat het basisteam het fundament van de politieorganisatie vormt en dat de wijkagent de spil in het netwerk is. Op papier klopt dat volledig. In de praktijk zie ik echter dat de afstand tussen beleid, processen en uitvoering soms nog steeds groter is dan wenselijk.

Niet uit onwil.

Wel omdat organisaties de natuurlijke neiging hebben om steeds nieuwe lagen, controles, registraties en overlegstructuren toe te voegen.
Iedere laag ontstaat ooit met een goede bedoeling. Maar wanneer niemand meer kritisch kijkt naar het totaalplaatje, ontstaat het risico dat de uitvoerende collega steeds meer tijd kwijt is aan het systeem en steeds minder aan het politiewerk zelf.

Dat is precies waar een goed wijksecretariaat het verschil zou moeten maken.
Niet als extra loket.
Niet als nieuwe schakel in de keten.
Maar als operationeel knooppunt.

Een plaats waar informatie samenkomt, wordt beoordeeld, geprioriteerd en vertaald naar concrete opdrachten. Een plek waar wijksecretariaat, operationele aansturing, informatiecoördinatie, screening en opsporing niet naast elkaar werken, maar mét elkaar.

Voorkom doublures.
Voorkom dat dezelfde zaak door meerdere disciplines afzonderlijk wordt bekeken.
Voorkom dat informatie telkens opnieuw wordt uitgezet, terugkomt, opnieuw wordt beoordeeld en weer wordt uitgezet.

De vraag zou steeds moeten zijn:
Wat draagt daadwerkelijk bij aan veiligheid, opsporing of hulpverlening?

Niet: wat kunnen we nog meer registreren?
Ik heb tijdens mijn loopbaan vaak gezien hoe goede collega's vastliepen in procedures die ooit bedoeld waren om het werk gemakkelijker te maken. Dan ontstaat het gevoel dat het systeem zichzelf in stand houdt.

Dat is zonde.

Want politiewerk blijft uiteindelijk mensenwerk.
De burger verwacht geen perfect registratiesysteem.
De burger verwacht een politieagent die komt als het nodig is, luistert, handelt en verantwoordelijkheid neemt.

Daarom geloof ik nog steeds in een sterke lokale basis.
Samenwerken met gemeenten, zorginstanties, woningcorporaties en andere partners blijft noodzakelijk. Maar daarbij hoort ook het lef om verantwoordelijkheden terug te leggen waar ze thuishoren. Niet elk maatschappelijk probleem is automatisch een politieprobleem.

Soms is het beste politieadvies simpelweg: dit ligt niet bij ons.
Dat is geen zwakte.
Dat is professioneel handelen.

Wat ik destijds schreef over de vele heilige huisjes binnen organisaties, herken ik nog steeds. Iedere discipline heeft haar eigen expertise, haar eigen werkwijze en haar eigen belangen. Dat is begrijpelijk. Maar succesvolle samenwerking begint pas wanneer het gezamenlijke doel belangrijker wordt dan het eigen domein.

De belangrijkste les die ik ooit meenam tijdens een bezoek aan Scotland Yard is mij altijd bijgebleven:

De hoeveelheid informatie doet er niet toe.
Wat je ermee doet wel.
Misschien is dat vandaag nog relevanter dan ooit.

Want informatie hebben we inmiddels meer dan genoeg.
De kunst blijft om er verstandig, doelgericht en met gezond verstand naar te handelen.
Daar ligt volgens mij nog steeds de sleutel tot goed politiewerk.
Narede

Wie vandaag de dag door een politiebureau loopt, ziet nog steeds dezelfde betrokkenheid, hetzelfde vakmanschap en dezelfde bereidheid om een stap extra te zetten voor de burger.

Maar er schuilt ook een risico.

Burn-out, mentale overbelasting en fysieke uitputting liggen nog altijd vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week op de loer.

Niet omdat politiemensen zwak zijn.
Integendeel.
Juist omdat zij sterk zijn.

Omdat zij telkens weer verantwoordelijkheid nemen wanneer anderen een stap terugzetten. Omdat zij problemen oppakken die niet altijd van hen zijn. Omdat zij blijven rennen wanneer het systeem daarom vraagt. Omdat zij vaak eerst aan de ander denken en pas daarna aan zichzelf.

Dat gaat jarenlang goed.
Tot het ergens begint te schuren.
Een mens is geen onuitputtelijke bron van energie. Ook de meest bevlogen wijkagent, rechercheur, noodhulpcollega of ondersteuner heeft grenzen.

Daarom blijft mijn overtuiging dezelfde als dertien jaar geleden.
Een goede politieorganisatie wordt niet alleen gemeten aan cijfers, registraties, processen of prestaties. Zij wordt vooral gemeten aan de wijze waarop zij haar mensen in staat stelt hun vak uit te oefenen.

Niet het systeem moet centraal staan. Niet de protocollen. Niet de heilige huisjes.
Maar de mensen die dagelijks op straat, achter een bureau, in een verhoorkamer of tijdens een nachtdienst het verschil maken.

Want uiteindelijk blijft de politiemedewerker het kloppend hart van de organisatie.
En met een overbelast hart kun je geen gezonde organisatie bouwen.

Dit is mijn terugblik als een oud-wijkagent die dertien jaar later constateert dat veel veranderd is, maar dat de essentie van het vraagstuk nog altijd hetzelfde is gebleven: hoe houd je de mensen die het werk doen overeind, terwijl de organisatie steeds meer van hen vraagt? Dat is de rode draad.