Inleiding
De laatste donkere dagen van het jaar heb ik dienst. Samen met collega's rij ik in de opvallende politieauto door de Westelijke Mijnstreek. Zoals altijd zijn er meldingen die niet kunnen wachten en mensen die hulp nodig hebben. De politie draait immers dag en nacht door, ook tijdens de feestdagen.
In het centrum is het druk. Winkelend publiek loopt af en aan, het verkeer staat vast en iedereen lijkt bezig met de voorbereidingen voor Kerstmis. Terwijl we door de binnenstad rijden, komen we langs een appartementencomplex waar ik eerder eens ben geweest.
Plots moet ik denken aan een melding van enkele maanden geleden. Een melding die mij altijd is bijgebleven. Juist in deze tijd van het jaar, waarin veel gesproken wordt over saamhorigheid, aandacht en omzien naar elkaar.
Dit is dat verhaal.
Casus
Op een warme zomerdag worden mijn collega en ik naar een adres in het centrum gestuurd. De thuiszorg heeft aangebeld bij een bejaarde mevrouw, maar krijgt geen gehoor. Volgens de zorgmedewerkster moet zij thuis zijn. Toch blijft de deur gesloten.
Voor politiemensen is dat vaak geen geruststellend teken.
Niet veel later staan wij voor een modern appartementencomplex. Alles oogt nieuw. De gangen zijn ruim, de verf ruikt nog fris en de vloerbedekking heeft nauwelijks slijtage gezien. Achter één van die nette voordeuren woont de vrouw die niet opendoet.
Bellen helpt niet.
Kloppen helpt niet.
Roepen helpt niet.
Dan blijft er nog maar één optie over.
Ik pak mijn breekijzer.
Dat klinkt spectaculairder dan het is. In de praktijk betekent het vooral dat je probeert binnen te komen voordat kostbare tijd verloren gaat. Met beleid zet ik het gereedschap tussen deur en kozijn. De deur biedt stevig weerstand. Slot, beslag en driepuntsvergrendeling doen precies waarvoor ze ontworpen zijn.
Uiteindelijk wint de hefboom.
Met een harde knal schiet de deur open.
Mijn collega en ik gaan direct naar binnen.
Tijdens de doorzoeking van de woning valt mij direct een drooggekookte fluitketel op. De bodem is zwartgeblakerd en het laatste beetje water is allang verdampt. Ik draai het gas dicht en loop verder.
Dan treffen we de bewoonster aan.
Ze zit op het toilet.
Of beter gezegd: ze hangt er half overheen.
Al meer dan zestien uur.
De vrouw verkeert in een erbarmelijke toestand. Ze is niet meer in staat om op te staan of hulp te vragen. Later zal blijken dat zij getroffen is door een hersenbloeding. In haar nood heeft zij de alarmknop niet meer kunnen bedienen.
Zestien uur lang heeft niemand haar kunnen helpen.
Niet omdat niemand dat wilde.
Maar omdat niemand wist dat zij daar zat.
De inmiddels gearriveerde ambulancecollega's en de medewerkster van de thuiszorg doen eerst iets wat minstens zo belangrijk is als medische zorg. Zij geven de vrouw haar waardigheid terug. Ze wordt aangekleed, verzorgd en gerustgesteld.
Pas daarna volgt de rit naar het ziekenhuis.
Wanneer alles achter de rug is, kijk ik nog even naar de beschadigde voordeur.
Soms krijgt de politie achteraf de vraag wie voor zulke schade opdraait.
Eerlijk gezegd interesseert mij dat op zo'n moment weinig.
Een deur is maar een deur.
Een mensenleven is iets anders.
Kerstgedachte
Terwijl ik dit schrijf, hoor ik buiten alweer het geknal van vuurwerk. Mensen bellen de politie omdat zij zich ergeren aan overlast, schrikken van harde knallen of zich zorgen maken over gevaarlijke situaties.
Dat hoort allemaal bij deze tijd van het jaar.
Maar die oude mevrouw schiet mij opnieuw te binnen.
Niet omdat haar verhaal uitzonderlijk was.
Juist omdat het zo gewoon was.
Ouderdom komt vaak ongemerkt. Eerst een beetje langzamer lopen. Daarna wat meer hulp nodig hebben. Uiteindelijk wordt een mens afhankelijk van anderen.
Van familie.
Van buren.
Van thuiszorg.
Van hulpverleners.
Van mensen die opletten.
Soms bestaat mantelzorg uit een zoon, dochter of partner. En soms uit een thuiszorgmedewerkster die aan de bel trekt, ambulancepersoneel dat klaarstaat en twee politiemensen die een deur openbreken.
Ik wens u fijne kerstdagen, een goede gezondheid en vooral mensen om u heen die naar u omkijken.
Want uiteindelijk is dat het enige dat werkelijk telt.