Translate

dinsdag 26 mei 2026

Bachus en Karma soms lopen ze samen

De god Bacchus — Deel 1

Daar loopt hij, midden in de nacht, zat van de drank, waggelend alsof de wereld onder zijn voeten niet meer helemaal meewerkt. Groot, breedgeschouderd, donkere kleren, grof leren jack, een verschijning die op dit uur van de nacht eerder opvalt dan wegvalt. Zijn hand bloedt hevig. Een doek eromheen die inmiddels meer bloed heeft opgenomen dan waarvoor hij ooit bedoeld is.

Wij rijden die nacht Mergellandsurveillance. Dat betekent grote afstanden door het Heuvelland, donkere wegen, slapende dorpen en lange stukken asfalt waar je soms minutenlang niemand tegenkomt en op andere momenten drie meldingen tegelijk lijkt te krijgen.

Na 03.00 uur zijn we vaak nog maar met een handjevol mensen over. De wachtcommandant van bureau Gulpen heeft einde dienst en gaat huiswaarts terwijl wij met twee collega's het werk bestieren dat de nacht nog voor ons in petto heeft; besurveilleren, meldingen rijden en gewoon doorgaan zoals dat in die tijd gaat.

Samenwerking met de gemeentepolitie is er nauwelijks. Niet uit onwil. Zo werkt het systeem nu eenmaal. Zij hun gemeente. Wij ons rayon. Bekeken door de bril van vandaag bijna onvoorstelbaar, maar destijds kijkt niemand daar vreemd van op. Tenzij de nood hoog wordt en wetten, protocollen en grenzen een klein zetje krijgen. Dan blijkt er ineens meer mogelijk dan vooraf op papier bedacht.

Die nacht komt een getuige in actie door herrie bij het busstation van Gulpen. Maar ook glasgerinkel en geschreeuw van pijn.

Via de vaste telefoon belt iemand de meldkamer met de mededeling dat een man met zijn blote handen een ruit van het busstation aan gruzelementen heeft geslagen.

Wij geven acte de présence.

De blauwe rijkspolitiebus baant zich een weg door een slapend stukje Heuvelland waar de nachten lang zijn, de afstanden groot en de meldingen zich zelden iets aantrekken van het uur op de klok.

Dan zien we hem.

De straatverlichting langs de Rijksweg in Gulpen en de weerkaatsing in donkere etalageruiten verraden hem moeiteloos.

Makkelijk zat. Niemand meer op straat behalve hij en wij. Hij loopt weg van de plaats delict.

Van dadersporen uitwissen lijkt geen enkele sprake. Waarom ook.

Zijn geest verkeert al uren onder bescherming van de god Bacchus die hem deze nacht vloeibare moed verkoopt, een bedrieglijk goedje dat mensen soms het gevoel geeft onoverwinnelijk te zijn zolang de glazen zich blijven vullen.

Hij heeft geen vervoer. Op het busstation is alles stil. Zelfs de lijnbussen lijken te slapen.

Hij wil naar huis. Maar alcohol, frustratie en een telefooncel blijken geen gelukkige combinatie.

Met dubbele tong lukt het hem niet eens een taxi te bellen.

Zoals dat vaker gaat wanneer drank logica verdringt, wordt boosheid plotseling een plan van aanpak.

Hij haalt uit. Met zijn gepantserde handen.

Tot het glas van het bushokje harder blijkt dan blote vuisten.

Het glas wijkt niet. Het breekt. Onder tomeloos geweld.

Soms dient karma zich niet jaren later aan.

Soms staat het gewoon al om de hoek.

Druipend uit een bebloede hand.

Kort speuren naar hem en linea recta voor zijn neus opduiken.

Bliksemsnel handelen voordat hij boeh of bah kan zeggen.

Zonder veel haken en ogen laden wij de delinquent in de politiebus.

Maastricht en Heerlen liggen te ver weg voor een man met een hand die inmiddels meer bloed dan huid lijkt te bevatten.

Dus rijden wij naar dokter Schepel.

Deze gedenkwaardige nacht is nog lang niet voorbij met een tragisch komische wending bij de dokter.

Deel 2

Dokter Schepel, huisarts in Gulpen, woonde voor dranklustigen en nachtelijke pechvogels op een plek die bijkans als een onneembare vesting moest hebben gevoeld. Hoog tegen de bergrug aangebouwd langs een grote waterplas, bereikbaar via een supersteil betonnen pad met aan één zijde een ijzeren leuning waar menig nuchter mens al bedachtzaam omhoog liep, laat staan iemand die nog volop onder bescherming stond van de god Bacchus.

Onze delinquent loopt mee. Althans, meelopen is een groot woord. Ondersteund. Aangeduwd. Bijna meegesleurd. Trede voor trede. Steiler dan goed is voor mens en zijn moraal.

Eenmaal boven aangekomen zien we in het volle licht pas goed met wat voor man we van pardoes van straat hebben geplukt. Overdag werkt hij in de sloop. IJzer. Steen. Slopen. Aanpakken. Zijn handen verraden zijn beroep onmiddellijk. Groot. Breed. Eeltlagen dikker dan menig schoenzool. Gespannen leer over kolenschoppen van handen die duidelijk niet zijn gebouwd voor kantoorwerk.

Dokter Schepel verschijnt. Wilde grijze haardos. Grote bril. Alsof hij rechtstreeks een Nederlandse uitvoering van Back to the Future is uitgelopen. Rustig. Ervaren.

Een man die waarschijnlijk al meer menselijke dwaasheid heeft gezien dan goed is voor een mens.

De inmiddels topzware handdoek, verzadigd met rode lichaamssappen, wordt voorzichtig verwijderd. Dan zien wij waar de hevige pijn vandaan komt. De diepe gemene gapende open wond.

Ook karma blijkt die nacht gewoon abonnementhouder.

Plotseling lijkt onze verdachte iets sneller te ontnuchteren wanneer dokter Schepel een forse verdovingsspuit uit de lade haalt.

Het gezicht van onze krachtpatser verandert zichtbaar. Lijkbleek wordt hij zienderogen.

Deze man, die kort daarvoor nog een bushokje heeft uitgedaagd alsof hij van gewapend beton  is gemaakt, blijkt doodsbang voor spuiten.

Hij dult geen naald in zijn gehavende vlees. Hoe dom kun je zijn. Naar het ziekenhuis rijden is geen optie.

Dus gaat de lade opnieuw open. Hechtmateriaal. Krammen.

En toen zie ik iets wat ik nog altijd haarscherp voor mij zie.

Een kram. Zo groot als de nagel van een roofvogel. Ik heb ze zelden zo fors gezien.

Nog altijd is hij banger voor de spuit dan voor zijn eigen opengescheurde hand.

Dokter Schepel glimlacht. Niet gemeen. Niet spottend. Meer de glimlach van iemand die denkt: wie niet wil horen, moet voelen.

De eerste poging. Mislukt. Afgebroken. Nog een poging. En nog één. Uiteindelijk lukt het.

Met de vastberadenheid van een olifant en de ervaring van iemand die zich niet laat imponeren door Bacchus, spierballen of paniek. 

Vijf stevige hechtingen. Het angstzweet druipt van zijn gezicht. Zijn trui is kletsnat geworden. Hij piept als een klein kind

Wat een mooi mens van een dokter. Ik heb mij later nog weleens afgevraagd hoeveel hij die nacht inwendig gelachen moet hebben.

Daarna nemen wij hem mee naar het bureau.

Papierwerk. Verklaringen. Administratie. Dat hoort erbij, ook toen.

Als alles afgewerkt is, sturen wij hem huiswaarts. Pedis apostolorum oftewel te voet naar Maastricht. Op zijn blaren zitten, spreekwoordelijk dan want, hij moet een lange weg afleggen. Een aardige wandeling. Hij is nu voldoende ontnuchterd.

Hij Luistert opvallend goed naar ons advies. Misschien omdat Bacchus hem inmiddels volledig heeft verlaten.

Misschien ook, omdat dokter Schepel en zijn gereedschapslade meer indruk hebben gemaakt dan de rijkspolitie.

Die nacht hebben wij niets meer van hem gehoord.

Onderweg naar huis heeft hij zijn daden kunnen overdenken. Of niet.

Misschien heeft hij Gulpen daarna altijd gemeden.

Misschien ook niet. Wel weet ik één ding zeker. Via Justitie zal nog een klein aandenken volgen.

Misschien een verschijning. Misschien een rekening. Misschien allebei.

In die tijd schreven wij die oproepingen voor Justitie nog zelf.

Andere tijden. Andere regels.

Maar menselijke dwaasheid…

die blijft verrassend modern. 😅