Jarenlang dag en nacht paraat.
Spierpijn onder de motorkap.
Gloeiendhete banden op het politieparcours.
Snakkend naar verlichting terwijl de burn-out al onder de motorkap hing te dampen.
En uiteindelijk zonder bedankje afgevoerd naar het autokerkhof.
“Thank you for nothing” als pleister op etterende autowonden.
😅Een politieauto sterft nooit stilletjes.
Zo’n ding piept, kraakt, lekt, rookt en rammelt alsof het nog één laatste nachtdienst uit het hiernamaals probeert te sleuren.
Wij reden ooit rond in zo’n opvallende surveillancewagen.
Van buiten leek het nog wat. Rode striping, zwaailampen, politie-uitstraling.
Maar achter die façade zat een mechanisch sterfhuis verborgen.
Kabels lagen zichtbaar bij je voeten. Alsof het dashboard spontaan zijn ingewanden eruit gooide zodra een achtervolging iets te enthousiast begon te worden.
De accu besloot per dienst of hij überhaupt nog zin had om mee te werken.
De stuurbekrachtiging was al jaren naar de filistijnen. Iedere bocht voelde alsof je met pure koppigheid een gestrande olietanker probeerde te draaien.
Bij regen liep het water gewoon langs het plafond naar binnen.
Tijdens surveillance deden wij tegelijk mee aan een mobiele watersnoodramp.
Vocht, condens en bedrading onderzochten gezamenlijk of kortsluiting inmiddels standaard politie-uitrusting was geworden.
En ondertussen reden wij in herfst en winter gewoon op slechte zomerbanden.
Dat heeft me altijd dwarsgezeten.
Je vertegenwoordigt verkeersveiligheid en wettelijke normen, terwijl je eigen surveillancewagen technisch direct aan de kant gezet had moeten worden… door jezelf.
Iedere burger met minder mankementen werd probleemloos gecontroleerd.
Wij reden zelf rond in een voertuig dat bij een normale APK waarschijnlijk niet eens meer de parkeerplaats had mogen verlaten.
De straat wacht nu eenmaal niet op vergaderingen, budgetten en veilige bureaus.
Mensen blijven drinken. Blijven slaan. Blijven flippen. Blijven elkaar te lijf gaan.
Dus bleven ook wij rijden in die stervende zwaan van een surveillancewagen.
Een mobiel monument van uitgestelde beslissingen en mechanische ellende.
Meer dan eens stonden wij ergens in de stromende regen dat hok aan te duwen terwijl de buurtbewoners gratis konden meegenieten van het geluid van een stervende dynamo en een startmotor met zware depressieve klachten.
En natuurlijk gebeurde dat nét wanneer je eigenlijk haast had.
Ik herinner me nog een burger die hoofdschuddend zei:
“Agent… die wagen van jullie klinkt niet best.”
Waarop ik antwoordde:
“Geeft niks meneer, wij klinken na de nachtdienst ongeveer hetzelfde.”
Tot zelfs de organisatie voorzichtig begon te vermoeden dat het voertuig misschien toch niet helemaal verantwoord meer was.
Het oordeel viel: “buiten bedrijf”.
Een prachtige bijna poëtische term.
Alsof een oude straatvechter ceremonieel met pensioen werd gestuurd.
De werkelijkheid was minder heroïsch.
Want ook in een auto die officieel buiten dienst stond bleef je gewoon agent.
Dus reed je alsnog rond voor wijkwerk, meldingen en allerlei gedoe.
En vreemd genoeg gebeurde er juist dán altijd iets.
Alsof ellende beschikt over een ingebouwde politie-radar die defecte surveillancewagens feilloos weet te vinden.
Regelmatig reed ik zogenaamd doelloos rond in deze held van weleer, waarna ergens ruzie, paniek of chaos ontstond.
Mensen hadden plotseling hulp nodig.
Alsof ellende instinctief wist waar versleten politieblikken zich bevonden. Met nadruk op blik.
Mijn innerlijke politie-TomTom begon dan vanzelf te werken.
Geen navigatiesysteem. Gewoon straatgevoel.
Vastgekoekt tussen adrenaline, ervaring en nachtdiensten.
Voor je het wist stond je opnieuw midden in de actie. Samen met je metalen kameraad van weleer.
Meer dan eens dacht ik dat die auto, ondanks alle mankementen, beter begreep wat politiewerk werkelijk inhield dan complete afdelingen beleidsmakers die nog nooit een nachtdienst hadden gereden tussen halfdronken ruzies, regenwater, adrenaline en bloedspetters.
Die auto was allang geen voertuig meer.
Het was een versleten collega geworden.
Een mechanische straatvechter.
Met een lekkend dak, een stervende dynamo en de taaie overlevingsdrang van een oude pugilist van weleer.
Op punten allang verloren.
Maar koppig blijven doorboksen zolang de bel voor de laatste ronde nog niet definitief heeft geklonken 🥊
Dat wrak had eigenlijk jaren eerder moeten stoppen.
Maar net als veel agenten bleef het gewoon doorrijden.
