☔️De paraplu van 75 centimeter☔️
We rijden in de grrepssurveillance in de grote GSA, de Volkswagenbus. Een waar minibureau op wielen, compleet met uitklapbare klaptafel, bureaulamp, een flinke hoeveelheid zitplaatsen en natuurlijk een chauffeur en een co-piloot.
Het is de vroege dienst. Mijn collega en ik lossen de nachtdienst af.
Mijn collega is een nestor, met de nodige bloemkolen op zijn tenue. Zo’n politieman die de dienst al heeft meegemaakt voordat ik goed en wel wist waar alle formulieren lagen. En formulieren zijn er in die tijd genoeg.
Rapporteren gebeurt nog met een losbladig geschrift, voorzien van doorslagen en nog eens doorslagen, die vervolgens naar alle uithoeken van de Rijkspolitie worden verzonden. Per postkoerier, in dikke briefomslagen. Tegenwoordig zou je daar waarschijnlijk een digitale snelweg voor gebruiken. Toen hadden we gewoon de post.
Ook de telefoon heeft in die jaren nog een vaste standplaats. In veel gezinnen staat hij op een mooie plek in de huiskamer, waar iedereen hem kan horen rinkelen. Geen mobiele telefoon in de broekzak, geen piepende meldingen en geen scherm waarop de hele wereld voortdurend om aandacht vraagt.
Enfin, de nachtdienst heeft de rust in ons bewakingsgebied weten te bewaren. Met slaapdronken koppen keren de collega’s huiswaarts, terwijl wij ons met frisse moed bij de meldkamer in Maastricht inmelden.
“Tot uw beschikking.”
De andere roepnummers melden zich eveneens.
De regen heeft er deze ochtend duidelijk zin in. Hij pingelt onafgebroken op het dak van onze GSA en slaat met kracht tegen de voorruit. De ruitenwissers hebben het zwaar en proberen wanhopig de waterige munitie uit de wolken te verwerken.
Op straat is nagenoeg niemand te zien.
Zoals wij vroeger zeiden: geen hond op straat.
Dan rijden we een heel brede straat binnen de bebouwde kom op. Ik zit deze ochtend op de bijrijdersstoel. We rijden stapvoets, met een snelheid die beter past bij een woonerf dan bij zo’n brede doorgaande weg.
Of we de verlichting aan hebben vanwege het slechte weer, weet ik na al die jaren niet meer. De voorruit wordt voortdurend belaagd door nieuwe regenbuien en mijn geheugen heeft kennelijk andere zaken belangrijker gevonden.
Plotseling ziet de bloemkool iemand op een fiets.
Hij stuurt de GSA ernaast.
“Han, doe het raampje effe open. Ik moet de bestuurster aanspreken.”
Ik kijk hem aan.
Wat nou, denk ik. Ik heb die fietsster toch ook gezien en niets vreemds aan haar of haar rijstijl kunnen ontdekken.
Maar dienst is dienst.
Dus draai ik met de raamhendel het zijraam open.
Naast ons fietst een vrouw. Boven haar hoofd houdt zij een grote paraplu, die haar enigszins beschermt tegen de inmiddels behoorlijk heftige regen.
Mijn collega spreekt haar aan vanaf zijn bestuurdersstoel.
Lekker droog en hoog.
Wat zijn openingszin precies is geweest, weet ik niet meer. Na ruim veertig jaar zijn sommige details verdwenen.
Maar één ding weet ik nog wel.
De bloemkool heeft een nietsontziende blik op de breedte van de paraplu.
Volgens hem is die meer dan 75 centimeter breed.
En een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.
De vrouw geeft hem behoorlijk tegengas.
Ik denk er het mijne van.
Het hoor en wederhoor wordt steeds fanatieker en suist hard mijn oren binnen. Ik zit dan ook letterlijk tussen twee oratoren in. Om mezelf niet verder in deze verbale uiteenzetting te mengen, trek ik mij met mijn hoofd maar wat verder uit de vuurlinie.
Wet en gevoel staan hier behoorlijk gespannen tegenover elkaar en lijken even volledig uit balans.
Dat zal ook wel nodig zijn geweest, want de vrouw krijgt uiteindelijk een eenvoudige keuze voorgeschoteld: óf de paraplu inklappen en verder fietsen in de stromende regen, óf afstappen en met de fiets aan de hand verder lopen.
Op dat moment is er niemand anders op de weg.
Geen tegemoetkomend verkeer, geen voetgangers en geen andere fietsers.
Alleen een vrouw met een paraplu, twee politiemannen in een Volkswagenbus en een regenbui die geen enkele belangstelling heeft voor de Wegenverkeerswet.
In de tijd van de Rijkspolitie woon je in je standplaats. De kans is dan ook groot dat mijn collega en de vrouw elkaar kennen. Dat maakt het tafereel misschien nog iets interessanter.
Ik draai het raampje weer dicht en kijk hem even aan.
We hebben het er niet meer over.
Ik denk dat de reactie van de fietsster behoorlijk fel en onverwacht is geweest.
Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.
Maar ik heb die ochtend wel weer iets geleerd in de praktijk:
een fiets mag, inclusief de lading, niet breder zijn dan 75 centimeter.
En zo leer je als jonge politieman iedere dag weer iets nieuws.
Soms uit een wetboek.
Soms van een collega.
En soms van een paraplu.





